RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12214943 \ MC EXPL 26-2382
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.M. Koppert,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2],
beiden te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 april 2026, met producties 1 tot en met 5,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek, met productie 6.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hierna, hoewel zij daartoe behoorlijk in de gelegenheid zijn gesteld, niet meer gereageerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een appartement gehuurd van [eiseres] . De huurovereenkomst is geëindigd. [eiseres] vordert betaling van onbetaalde huurfacturen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen dat zij niet alle huurfacturen hebben voldaan, maar stellen dat zij de waarborgsom nog moeten terugkrijgen en dat deze verrekend kan worden met de openstaande facturen.
Uit het door [eiseres] overgelegde facturenoverzicht blijkt dat de waarborgsom al verrekend is en dat daar rekening mee is gehouden bij het gevorderde bedrag. Daarom wijst de kantonrechter de vordering toe. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat de huurovereenkomst een oneerlijk incassokostenbeding bevat.
3. De beoordeling
De waarborgsom is al verrekend
[eiseres] vordert als hoofdsom € 2.770,60 aan onbetaalde huurfacturen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] erkennen dat zij de huurfacturen moeten betalen. Zij stellen echter dat zij nog een vordering op [eiseres] van € 3.000,00 hebben, omdat zij nog een waarborgsom moeten terugkrijgen. Zij doen een beroep op verrekening (artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).
Uit het door [eiseres] overgelegde factuuroverzicht blijkt dat [eiseres] de waarborgsom van € 3.300,00 al door middel van een memoriaalboeking heeft verrekend met de openstaande huurfacturen.
Hoewel zij daartoe behoorlijk in de gelegenheid zijn gesteld, hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet meer gereageerd. In het licht van de onderbouwde betwisting door [eiseres] , hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij nog een vordering hebben op [eiseres] , die zij met de huurfacturen kunnen verrekenen. Daarom wordt hun beroep op verrekening afgewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de huurfacturen betalen
Omdat hun beroep op verrekening is afgewezen, moeten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] € 2.770,60 aan [eiseres] betalen.
De gevorderde wettelijke rente tot en met 12 april 2026 wordt toegewezen
De huurovereenkomst is gesloten tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als consumenten, en [eiseres] als professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf. Daarom moet de kantonrechter ambtshalve – uit zichzelf, ook zonder dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarom vragen – beoordelen of in de huurovereenkomst of de toepasselijke algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW.
[eiseres] vordert een bedrag van € 211,06 aan wettelijke rente over de hoofdsom tot en met 12 april 2026. Zij heeft de huurovereenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden overgelegd. Daarin is niets geregeld over de vergoeding van rente. De gevorderde wettelijke rente is daarom toewijsbaar.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
[eiseres] vordert € 402,06 aan buitengerechtelijke incassokosten. In de huurovereenkomst is een incassokostenbeding opgenomen. Dit beding luidt als volgt:
‘ Buitenrechtelijke kosten
Alle buitenrechtelijke kosten die de verhuurder maakt indien de huurder tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit deze overeenkomst, zijn voor rekening van de huurder.’
De kantonrechter is van oordeel dat dit beding onredelijk bezwarend is. Daarbij is relevant dat de omvang van de in rekening te brengen vergoeding wettelijk is beperkt. Ook heeft de wetgever benadrukt, en dat is daarna nog door de Hoge Raad verduidelijkt, dat die vergoeding niet meteen bij het ontstaan van een betalingsachterstand is verschuldigd. Eerst moet een aanmaningsbrief, de zogenoemde veertiendagenbrief, worden verstuurd, waarin een termijn van veertien dagen (gerekend vanaf de dag na ontvangst van de aanmaning door de gedaagde partij) moet zijn vermeld, waarbinnen het verschuldigde bedrag nog zonder extra kosten kan worden betaald. Het beding in de huurovereenkomst wijkt in het nadeel van consumenten af van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW. Het beding wordt daarom vernietigd en de gevorderde vergoeding wordt afgewezen.
Het voorgaande wordt niet anders doordat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet op het genoemde beding in de huurovereenkomst is gegrond, maar op de wet. Omdat het beding onredelijk bezwarend is, kan [eiseres] geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Met deze sanctie wordt beoogd [eiseres] ertoe te bewegen oneerlijke bedingen uit haar algemene voorwaarden te halen of aan te passen.
De gevorderde wettelijke rente vanaf 13 april 2026 wordt toegewezen
[eiseres] vordert wettelijke rente over de hoofdsom van € 2.770,60 vanaf 13 april 2026 tot de dag van volledige betaling. Deze vordering wordt toegewezen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
128,59
- griffierecht
€
529,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.290,09
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.981,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.770,60, met ingang van 13 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten van € 1.290,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
68352