RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12092470 \ MC EXPL 26-773
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
STICHTING LAPIDUS ARGENTUM,
in Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Lapidus Argentum,
gemachtigde: T. Bierlee,
tegen
[gedaagde] ,
in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Koppert Legal.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek, tevens vermindering van eis- de conclusie van dupliek.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurde tot eind 2024 een woning (appartement) van Lapidus Argentum. Lapidus Argentum heeft over 2021, 2022 en 2023 eindafrekeningen opgemaakt voor de nutskosten en de servicekosten (hierna samen: servicekosten), in totaal € 6.348,18. Onder aftrek van de borg (€ 870,58) wil Lapidus Argentum dat [gedaagde] (€ 6.348,18 -/- € 870,58 =) € 5.477,60 betaalt. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, vordert Lapidus Argentum dat bedrag nu in deze procedure, met nevenvorderingen. [gedaagde] is het daarmee niet eens. De kantonrechter wijst genoemd bedrag toe.
3. De beoordeling
De hoofdsom wordt toegewezen
Lapidus Argentum heeft de hoogte van het bedrag aan servicekosten naar behoren gespecificeerd, overzichtelijk weergegeven en per post berekend. Lapidus Argentum heeft uitgelegd dat de elektrakosten worden berekend op basis van de individuele meter, en heeft naar behoren onderbouwd dat de overige kosten zijn omgeslagen per m². [gedaagde] betwist die omslag en voert aan dat in het appartementencomplex ook bedrijfsruimten aanwezig zijn. Volgens [gedaagde] is algemeen bekend dat bedrijfsruimten meer energie en water verbruiken dan woonruimten. Maar Lapidus Argentum heeft aangevoerd dat in dit geval de bedrijfsruimten over een hoger energielabel beschikken en dus van een hoger verbruik per m² geen sprake is. Dat acht de kantonrechter juist. Bovendien is de omslag zoals Lapidus Argentum die hanteert door de Huurcommissie niet als onjuist beoordeeld in de zaak van een huurder tegen Lapidus Argentum in hetzelfde appartementencomplex en met een vergelijkbaar appartement als [gedaagde] .
De afrekening van de servicekosten bestaat uit veel verschillende deelposten, zoals uit de overzichten van Lapidus Argentum blijkt. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om in ieder geval specifiek te zeggen waarmee zij het niet eens is en waarom. Maar dat doet [gedaagde] op geen enkele manier. De kantonrechter kan niet achterhalen welke post [gedaagde] onterecht vindt. Dat alle posten allemaal niet zouden kloppen is niet aannemelijk. Volgens [gedaagde] moet Lapidus Argentum alle onderliggende facturen in het geding brengen, maar dat acht de kantonrechter niet nodig. De posten zijn zoals gezegd naar behoren gespecificeerd en er is geen wettelijke verplichting voor een verhuurder om onderliggende facturen aan de huurder te verstrekken. Lapidus Argentum moet [gedaagde] wel in de gelegenheid stellen om die facturen in te zien, en dat heeft Lapidus Argentum ook gedaan. Het verweer van [gedaagde] is op grond van het voorgaande onvoldoende gemotiveerd. Betaling van de servicekosten is tot slot overeengekomen in de huurovereenkomst. De hoofdsom wordt daarom toegewezen.
De rente, incassokosten en proceskosten
Ambtshalve heeft de kantonrechter getoetst of in de toepasselijke algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen die voor de nevenvorderingen mogelijk onredelijk bezwarend zijn en daarom zouden moeten worden vernietigd. Dat blijkt niet het geval.
Lapidus Argentum vordert na vermindering van eis € 626,02 aan verschenen rente, plus de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 4 februari 2026. De verschenen rente wordt afgewezen. Betaling van de eindafrekening is geen brengschuld, en Lapidus Argentum moet [gedaagde] daarvoor naar behoren tot betaling aanmanen. Uit de overgelegde producties blijkt dat niet. Een factuur voor de eindafrekening over 2021 heeft Lapidus Argentum niet overgelegd en de aanmaningen door Lapidus Argentum bevatten allerlei bedragen die de kantonrechter slechts deels kan achterhalen. Niet eerder dan met de brief van 25 november 2025 van (de gemachtigde van) Lapidus Argentum is [gedaagde] aangemaand voor het geheel. De gevorderde rente over de hoofdsom wordt vanaf die datum toegewezen.
Lapidus Argentum vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (na vermindering van eis € 785,14). De vordering is beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) en voldoet aan de eisen. Het gevorderde bedrag wordt daarom toegewezen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Lapidus Argentum worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,71
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.579,71
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Lapidus Argentum te betalen een bedrag van € 5.477,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Lapidus Argentum te betalen een bedrag van € 785,14 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.579,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door
mr. I.L. Rijnbout op 26 augustus 2026.
RW1368