RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12233263 \ MC EXPL 26-2622 / DB 68749
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., mede handelend onder de namen [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 mei 2026 met 2 producties;- de conclusie van antwoord.
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft opdracht gekregen van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) om een vordering van een zorgverlener op [gedaagde] – voor een aan [gedaagde] verstrekte (para)medische behandeling – in eigen naam te incasseren. Die vordering was door de zorgverlener aan [bedrijf] overgedragen (gecedeerd).
[eiseres] heeft een factuur van € 28,83 voor de vordering van de zorgverlener aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft die factuur niet betaald. [eiseres] vordert dat [gedaagde] € 28,83 aan haar betaalt met rente en kosten. [gedaagde] erkent het bedrag van € 28,83, maar betwist de extra kosten. De kantonrechter geeft [eiseres] deels gelijk. [gedaagde] moet € 28,83 met rente aan [eiseres] betalen. De incassokosten hoeft [gedaagde] niet te betalen.
3 De beoordeling
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de zorgverlener) en een consument ( [gedaagde] ). Op zo’n overeenkomst kunnen consument-beschermende bepalingen van toepassing zijn. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. Zo ja, dan moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of daarin bepalingen (“bedingen”) staan die relevant zijn voor de beoordeling van (onderdelen van) de vordering. Als dergelijke bedingen onredelijk bezwarend zijn voor consumenten zoals de gedaagde partij, als bedoeld in artikel 6:233 onder a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende (delen van de) vordering afwijzen.
Er zijn geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing. Over de betalingsvoorwaarden is het een en ander vermeld op de achterkant van de factu(u)r(en). Het gaat om een uitleg van de wettelijke regels over de betaling van facturen en de gevolgen van te late betaling. De kantonrechter beschouwt dit niet als algemene voorwaarden. Wat de [eiseres] daarover heeft gesteld in haar dagvaarding kan daardoor onbesproken blijven.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 28,83 betalen
Vast staat dat [gedaagde] een (para)medische behandeling heeft gekregen van een zorgverlener waarvan [bedrijf] de vordering heeft overgenomen. [gedaagde] erkent dat hij de factuur daarvoor heeft ontvangen en dat hij de vordering moet betalen. De kantonrechter wijst de vordering daarom toe.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
[gedaagde] heeft de factuur niet betaald binnen 30 dagen vóór de op de factuur vermelde vervaldatum van 22 november 2025. [eiseres] stelt dat dit een fatale betalingstermijn was en [gedaagde] dus vanaf die datum in verzuim verkeert. Zij vordert wettelijke rente vanaf die datum.
De kantonrechter wijst niet de volledig gevorderde rente toe. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat de door [eiseres] gestelde datum van verzuim niet juist is. Anders dan [eiseres] stelt, is een betaaltermijn op een factuur op zichzelf geen fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW. Daarvoor is namelijk nodig dat die betaaltermijn vooraf is overeengekomen tussen partijen. Dat is hier niet gebeurd. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld dat deze betalingstermijn vooraf tussen partijen is overeengekomen en niet eenzijdig door [eiseres] is opgelegd. Voor het intreden van het verzuim is daarom een ingebrekestelling vereist.
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de brief van 5 december 2025 aan de voorwaarden die de wet (artikel 6:82 BW) aan een ingebrekestelling stelt. In die brief staat dat [gedaagde] binnen vijftien dagen na ontvangst van die brief € 28,83 moet betalen. [eiseres] heeft gesteld dat de brief vijf dagen na de verzenddatum door [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat [gedaagde] op 25 december 2025 in verzuim is komen te verkeren. Met ingang van die datum is [gedaagde] de wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd.
[gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Voor het verschuldigd zijn daarvan is een zogeheten 14-dagen brief (artikel 6:96 lid 6 BW) vereist die moet worden verstuurd op het moment dat [gedaagde] al in verzuim is. Anders dan [eiseres] stelt, kan de hiervoor genoemde brief van 5 december 2025 niet als zodanig worden beschouwd. [gedaagde] verkeerde op die datum namelijk nog niet in verzuim. Niet gesteld of gebleken is dat er na 25 december 2025 een 14-dagen brief aan [gedaagde] is gestuurd.
De proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
127,08
- griffierecht
€
139,00
- salaris gemachtigde
€
43,00
(1 punt × € 43,00)
- nakosten
€
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
330,58
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiseres] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 28,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 25 december 2025, tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 330,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.