[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
en
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen, de RDWI
(gemachtigde: mr. A. Hoekerd).
Inleiding
1. Verzoekers hebben op 12 juni 2025 (aangevuld op 3 juli 2025, 6 en 24 april 2026) een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij de RDWI wegens onrechtmatig bestuurshandelen. De RDWI heeft dit verzoek op 17 juli 2026 afgewezen.
Verzoekers zijn het niet eens met de afwijzing van hun schadevergoedingsverzoek en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt een voorschot te ontvangen op de geleden schade.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Connexiteit
3. De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of sprake is van connexiteit. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), maar de gevraagde voorlopige voorziening moet ook binnen het bereik blijven van het bestreden besluit (materiele connexiteit).
Verzoekers hebben een voorlopige voorziening ingediend die hangt aan het beroepschrift tegen de afwijzing van zijn schadevergoedingsverzoek bij de RDWI. Tegen een dergelijk besluit -de afwijzing van een schadevergoedingsverzoek- staat geen bezwaar en beroep open. In het kader van finale geschilbeslechting moet een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een schadevergoedingsverzoek worden aangemerkt als een schadevergoedingsverzoek aan de rechtbank. De rechtbank zal het daarom als zodanig aanmerken.
Uit artikel 8:94, eerste lid, van de Awb volgt dat de bepalingen over een voorlopige voorziening van overeenkomstige toepassing op een schadevergoedingsverzoek. In een dergelijke voorlopige voorzieningenprocedure kan een voorschot op de schadevergoeding worden gevraagd. Een verzoeker kan dus een voorlopige voorziening indienen die connex is aan het schadevergoedingsverzoek. Dit betekent dat er in dit geval sprake is van connexiteit en het verzoek tot een voorlopige voorziening ontvankelijk is. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom verder beoordelen.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Hier is sprake van als er een acute noodsituatie of een onomkeerbare situatie dreigt waardoor verzoekers de schadevergoedingsprocedure niet kunnen afwachten.
Verzoekers stellen dat sprake is van spoedeisend belang. Zij verwijzen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 januari 2013 waarin verweerder onder andere is veroordeeld tot vergoeding van bepaalde schade. Volgens verzoekers is deze schadevergoeding tot op heden niet uitbetaald en lijden zij als gevolg hiervan aan voortdurende en toenemende schade. Zij merken op dat er onder meer sprake is van toenemende financiële tekorten die hun financiële positie steeds verder aantast. Ook is volgens verzoekers sprake van een hoog stressniveau en een ernstige aantasting van het (dagelijks) functioneren, de gezondheid en hun welzijn.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang. De uitspraak van de CRvB waaruit volgens verzoekers blijkt dat zij schadevergoeding moeten ontvangen is van 2013. Niet is gebleken waarom verzoekers nu, dertien jaar na de uitspraak van de CRvB, de beoordeling van het door hun ingediende schadevergoedingsverzoek niet kunnen afwachten. Verzoekers hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat hun situatie dermate veranderd is, waardoor er nu een acute noodsituatie dreigt of onomkeerbare gevolgen dreigen te ontstaan. Ook hebben verzoekers niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat er andere redenen zijn om een spoedeisend belang aan te nemen. Er is dus onvoldoende grond voor het oordeel dat verzoekers de behandeling van hun schadevergoedingsverzoek niet kunnen afwachten.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: