RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-122727-26
Tegenspraak
Vonnis van de politierechter van 9 september 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1979] in [geboorteplaats] ,ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 augustus 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 25 april 2026 in Utrecht, samen met anderen, opzettelijk de A12 en/of de A2 heeft versperd (geblokkeerd) door voertuigen naast elkaar tot stilstand te brengen en te laten staan, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.
Subsidiair is dit aan de verdachte ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Inleiding
De verdachte is aangesloten bij Extinction Rebellion. Extinction Rebellion is een internationale activistische beweging die actie voert om overheden en vervuilende bedrijven te dwingen in te grijpen tegen de klimaatcrisis en het verlies van biodiversiteit. De verdachte wordt er in deze strafzaak van beschuldigd dat hij, samen met anderen uit de beweging, de snelwegen A12 en A2 in Utrecht met auto’s heeft geblokkeerd, zodat door demonstranten te voet kon worden gedemonstreerd. Hiervan zou gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten zijn geweest.
De politierechter stelt voorop dat het in deze strafzaak niet gaat over het doel van de actie(s) van Extinction Rebellion; het is niet aan de rechter om een oordeel te hebben over de inhoud van een demonstratie. De politierechter beoordeelt deze zaak aan de hand van de vragen die in iedere strafzaak moeten worden beantwoord, op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De eerste vraag is of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet worden beoordeeld of kan worden bewezen dat de verdachte het strafbare feit van de beschuldiging heeft gepleegd. Dus of de verdachte de snelweg heeft versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was. Als ook die vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de politierechter ingaan op de strafbaarheid van het feit, waarbij in dit geval moet worden getoetst of de vervolging en eventuele bestraffing van de verdachte geen strijd oplevert met – kort gezegd – het demonstratierecht. Als de politierechter tot het oordeel komt dat het feit strafbaar is, moet worden beoordeeld of de verdachte strafbaar is en zo ja, of aan hem een straf of maatregel moet worden opgelegd.
4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de politierechter verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, omdat de (voortzetting van de) vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe is aangevoerd dat de politie – na overleg met het Openbaar Ministerie – niet heeft ingegrepen bij de ‘boerenprotesten’ op 14 augustus 2026, waarbij boeren op snelwegen bij ‘s-Hertogenbosch ook een file hebben veroorzaakt in het kader van hun demonstratie. Het gaat dus om gelijke gevallen, die niet gelijk worden behandeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft erop gewezen dat de rechter de beslissing van het Openbaar Ministerie om een verdachte al dan niet te vervolgen terughoudend moet toetsen. De rechter kan de officier van justitie namelijk alleen niet-ontvankelijk verklaren als geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie tot vervolging van een verdachte had kunnen overgaan. Van zo’n uitzonderlijke situatie is volgens de officier van justitie in deze zaak geen sprake.
Oordeel van de politierechter
Het Openbaar Ministerie mag zelfstandig beslissen of iemand moet worden vervolgd voor een strafbaar feit. Dat volgt uit het opportuniteitsbeginsel, vastgelegd in artikel 167 lid 1 Sv. De rechter mag de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan (en die vervolging voort te zetten) slechts beperkt toetsen, in die zin dat de officier van justitie alleen in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk kan worden verklaard op de grond dat het instellen of voortzetten van een vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (waaronder het gelijkheidsbeginsel). Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor als vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat daarmee enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, onmiskenbare onevenredigheid van de
vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, oftewel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.
De politierechter kan op grond van wat door de verdediging naar voren is gebracht niet vaststellen dat de relevante feiten en omstandigheden bij de boerenprotesten op 14 augustus 2026 gelijk waren aan de feiten en omstandigheden in de deze zaak. De enkele omstandigheid dat gedragingen van deelnemers aan die protesten ook hebben geleid tot files op snelwegen, is daarvoor onvoldoende. Alleen al om die reden is niet aannemelijk geworden dat het gelijkheidsbeginsel in dit geval is geschonden.
De politierechter merkt hierbij ten overvloede op dat in het algemeen geldt dat het eventueel ten onrechte niet vervolgen van anderen die net als de verdachte vervolgd zouden kunnen worden vanwege een strafbaar feit, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de (voortzetting van de) strafvervolging tegen de verdachte.
Omdat ook verder geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie, is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.
5. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primaire feit op de beschuldiging heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de politierechter om de verdachte vrij te spreken van het primaire feit op de beschuldiging, omdat niet kan worden bewezen dat gevaar te duchten was van het versperren van de snelweg door de verdachte en zijn medeverdachten.
Oordeel van de politierechter
Bewijsmiddelen voor het primaire feit
De politierechter oordeelt dat het primaire feit is bewezen. De politierechter baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen over het primaire feit
Het gaat in deze zaak over het strafbare feit van artikel 162 Sr. Om tot een bewezenverklaring te komen, moet worden vastgesteld dat de verdachte een snelweg heeft versperd en dat daarvan gevaar voor de verkeersveiligheid te duchten was. De politierechter overweegt met betrekking tot het bewijs als volgt.
Heeft de verdachte de snelweg versperd?
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de verdachte op 25 april 2026 in Utrecht, samen met anderen, opzettelijk de snelwegen A12 en A2 heeft versperd. De politierechter beantwoordt die vraag bevestigend op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen volgt dat op 25 april 2026 een demonstratie van Extinction Rebellion plaatsvond op de snelweg A12 in Utrecht. Om ervoor te zorgen dat de demonstranten de snelweg konden oplopen heeft een aantal van hen de A12 en de (fly-over van de) A2 met auto’s geblokkeerd. De verdachte heeft op de zitting bekend dat hij één van die demonstranten was. Hij heeft zijn voertuig op de A2 opzettelijk tot stilstand gebracht naast twee andere voertuigen van demonstranten van Extinction Rebellion. De verdachte en zijn mededaders hebben hun auto’s vervolgens op de snelweg laten staan, met als gevolg dat het verkeer achter hen er gedurende een aantal uren niet meer langs kon. De politierechter concludeert op grond van het voorgaande dat de verdachte op 25 april 2026 in Utrecht, in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, de snelwegen A12 en A2 heeft versperd.
Was daarvan gevaar voor de verkeersveiligheid te duchten?
De volgende vraag die de politierechter moet beantwoorden is of door die versperring gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is geweest.
Volgens de advocaat van de verdachte kan niet worden bewezen dat sprake was van ‘te duchten gevaar’. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte en zijn medeverdachten niet gevaarlijk hebben gereden en dat diverse voorzorgsmaatregelen waren getroffen voor een goed en veilig verloop van de blokkade. Ook kan het te duchten gevaar niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat als gevolg van de blokkade files zijn ontstaan. Een file is op zichzelf immers niet gevaarlijk, aldus de advocaat.
De politierechter oordeelt anders en overweegt daartoe het volgende.
Het strafbare feit van artikel 162 Sr is een zogenoemd abstract gevaarzettingsdelict. Om tot een bewezenverklaring te komen, hoeft dus niet daadwerkelijk gevaar voor de veiligheid van het verkeer te zijn ontstaan. Dat gevaar moet ten tijde van de versperring naar algemene ervaringsregels wél voorzienbaar zijn geweest. Daarbij is niet relevant of de verdachte het gevaar zelf heeft voorzien. Met gevaar voor de verkeersveiligheid in de zin van artikel 162 Sr wordt niet alleen gevaar voor verkeersdeelnemers, maar ook gevaar voor schade aan voertuigen bedoeld.
De verdachte heeft op zaterdagmiddag 25 april 2026, samen met anderen, de A12 en de A2 in Utrecht versperd, zodat op de A12 kon worden gedemonstreerd. De A12 in Utrecht is een drukke snelweg en behoort tot het hoofdwegennet in Nederland. Het was dus voorzienbaar dat een blokkade van de A12 en de A2 zou leiden tot chaotische en daarmee ook gevaarlijke verkeerssituaties op die wegen en op andere wegen in de omgeving van Utrecht. Dat is ook gebleken, omdat als gevolg van de blokkade op 25 april 2026 daadwerkelijk een verkeersinfarct is ontstaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de kans op kop-staartbotsingen bij files groter is. Dit betekent dat ten tijde van de versperring van de A12 en de A2 op 25 april 2026 naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat gevaar voor de veiligheid van het verkeer – waarmee dus óók gevaar voor schade aan voertuigen wordt bedoeld – te duchten is geweest.
De verdediging heeft er nog op gewezen dat de demonstratie door Extinction Rebellion was aangekondigd, zodat (de politierechter begrijpt: ook door de autoriteiten) alle voorzorgsmaatregelen konden worden getroffen om de demonstratie veilig te laten verlopen. De politierechter merkt hierover op dat uit de stukken in het procesdossier volgt dat de autoriteiten niet wisten op welke plek de A12 precies zou worden geblokkeerd, laat staan dat twee snelwegen zouden worden geblokkeerd, zodat zij zich niet naar behoren op de demonstratie hebben kunnen voorbereiden.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande oordeelt de politierechter dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte op 25 april 2026 in Utrecht, samen met anderen, de snelwegen A12 en A2 heeft versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om de centralist die op 25 april 2026 op de meldkamer van de ambulance werkte als getuige te horen over de vraag of er daadwerkelijk een ambulance is vertraagd als gevolg van de file, indien de politierechter de verklaring die hij tegenover de politie heeft afgelegd of andere stukken uit processen-verbaal over de eventuele vertraging van een ambulance, voor het bewijs zou bezigen. De politierechter wijst dat verzoek af omdat voor het bewijs geen gebruik is gemaakt van informatie over de eventuele vertraging van een ambulance. Dat betekent dat niet aan de (aan het verzoek verbonden) voorwaarde is voldaan.
Bewezenverklaring
De politierechter verklaart bewezen dat de verdachte:
op 25 april 2026 in Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk openbare landwegen, te weten de A12 (hectometerpaal 57.0R) en de A2 (hectometerpaal 63.6Rg), heeft versperd, door op beide wegen drie voertuigen op de rijbaan naast elkaar tot stilstand te brengen en te laten staan (waardoor het achterop komend verkeer de doorgang werd geblokkeerd), terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
6. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft de politierechter verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat het feit niet strafbaar is. De verdachte heeft de snelweg namelijk geblokkeerd in het kader van zijn deelname aan een vreedzame demonstratie van Extinction Rebellion. Een demonstratie valt onder de grondrechten van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Het demonstratierecht mag worden beperkt als een demonstrant zich schuldig maakt aan een laakbare gedraging. Daarvan was in dit geval echter geen sprake. Dat betekent dat een ontoelaatbare inbreuk is gemaakt op het demonstratierecht van de verdachte. Als de politierechter meent dat het gedrag van de verdachte wél laakbaar was, is het daaropvolgende handelen van politie en justitie buitenproportioneel geweest. Het demonstratierecht van de verdachte is ook in dat geval op ontoelaatbare wijze geschonden, zodat artikel 162 Sr in dit geval buiten toepassing moet worden verklaard, en de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de ernst van het feit en het noodzakelijke en proportionele optreden van politie en justitie dat daarop is gevolgd, de strafvervolging voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een inbreuk op de grondrechten van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging. Dit betekent dat geen sprake is van schending van deze grondrechten en dat het feit strafbaar is.
Oordeel van de politierechter
De verdachte en zijn mededaders hebben de snelwegen A12 en A2 met hun auto’s geblokkeerd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 162 Sr. Dat is in beginsel strafbaar, tenzij een ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht van de verdachte is gemaakt. De politierechter overweegt daarover het volgende.
Het demonstratierecht
Het demonstratierecht is een essentieel recht binnen een democratische samenleving. Het vloeit voort uit artikel 7 en 9 van de Grondwet en artikel 10 en 11 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In deze bepalingen is het recht van vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging gewaarborgd. Deze rechten hangen nauw met elkaar samen en zij beschermen uiteenlopende vormen van protest, zoals protestmarsen, blokkades, ‘sit-ins’ en bezettingen. Iemand die demonstreert, mag binnen bepaalde grenzen zelf kiezen waar, wanneer en op welke wijze dat gebeurt, maar de demonstratie moet wel vreedzaam zijn om onder de bescherming van het demonstratierecht te vallen. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat een demonstratie niet vreedzaam is als de deelnemers gewelddadige intenties hebben, aanzetten tot geweld of (anderszins) de beginselen van een democratische samenleving afwijzen. Daarvan was in dit geval geen sprake, zodat de demonstratie waaraan de verdachte op 25 april 2026 heeft deelgenomen kan worden aangemerkt als een vreedzame demonstratie.
Beperking van het demonstratierecht in het algemeen
Het grondrecht om te demonstreren is niet absoluut. Het kan (op grond van de artikelen 10 lid 2 en 11 lid 2 van het EVRM) worden beperkt als de beperking:
1. bij wet is voorzien;
2. een gerechtvaardigd doel dient;
3. noodzakelijk is in een democratische samenleving.
De politierechter toetst aan dit beoordelingskader van het EVRM, omdat dit een hoger beschermingsniveau biedt dan de hiervoor genoemde bepalingen uit de Grondwet.
De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het EHRM een ‘overall- toets aanlegt. De beperking moet in elk geval worden gezien als een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’). Daarnaast is vereist dat de beperking proportioneel is in verhouding tot het te bereiken doel en dat de redenen voor de beperking afdoende (‘relevant and sufficient’) zijn.
Demonstraties kunnen een zekere mate van verstoring van het gewone leven (‘disruption to ordinary life’) met zich brengen. Zo’n verstoring is op zichzelf nog niet voldoende om een beperking te rechtvaardigen. Dit betekent echter niet dat er nooit strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen strafbare feiten die in relatie tot een demonstratie worden gepleegd. Als iemand die deelneemt aan een vreedzame demonstratie zelf een laakbare gedraging (‘reprehensible act’) verricht, kan diegene worden onderworpen aan (de dreiging van) een straf of maatregel. Daarbij is wel van belang dat het ingrijpen van de autoriteiten niet van dien aard is dat dit ervoor zorgt dat burgers uit angst voor strafrechtelijke vervolging zullen afzien van deelname aan demonstraties en protesten in het algemeen; het zogenoemde ‘chilling effect’. Hiermee kan ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de aard en zwaarte van de eventueel op te leggen straf.
Beperking van het demonstratierecht in dit geval
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 162 Sr. Zijn handelen is in beginsel strafbaar, waarbij die strafbaarheid slechts komt te vervallen als een veroordeling een ontoelaatbare inbreuk – en daarmee een schending – oplevert van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging.
De strafbaarstelling van artikel 162 Sr is voldoende concreet en toegankelijk en - daarmee - ook voorzienbaar. Naar het oordeel van de politierechter was de beperking van het demonstratierecht van de verdachte daarom bij wet voorzien (ad 1), zodat aan het eerste vereiste voor een beperking van het demonstratierecht is voldaan.
De politierechter is daarnaast van oordeel dat de beperking een gerechtvaardigd doel (ad 2) heeft gediend. Uit de stukken in het procesdossier (die hieronder nog nader aan bod komen) kan worden afgeleid dat het demonstratierecht van de verdachte is beperkt met het oog op het belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en de bescherming van de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen. Deze doelen zijn expliciet neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM en worden ook in de rechtspraak van het EHRM als gerechtvaardigd beschouwd. Aan het tweede vereiste voor een beperking van het demonstratierecht is naar het oordeel van de politierechter daarom ook voldaan.
Over de vraag of de beperking van het demonstratierecht van de verdachte noodzakelijk is geweest in een democratische samenleving (ad 3) overweegt de politierechter het volgende.
Zoals gezegd kan elke demonstratie op een openbare plaats leiden tot een zekere mate van verstoring van het normale leven, waaronder verkeershinder. Dit rechtvaardigt op zichzelf nog geen inbreuk op het demonstratierecht, omdat de overheid wel een zekere mate van tolerantie in acht moet nemen.
Dat is anders wanneer demonstranten zich schuldig maken aan een ‘reprehensible act’ (een laakbare gedraging) door het normale maatschappelijke leven en de rechtmatige activiteiten van anderen opzettelijk ernstig te verstoren, waarbij die ‘verstoring duidelijk verder gaat dan wat als normaal geldt bij de uitoefening van het recht op vreedzame vergadering in de open ruimte’.
Het EHRM verwoordt het als volgt: “the intentional serious disruption, by demonstrators, to ordinary life and to the activities lawfully carried out by others, which disruption was more significant than that caused by the normal exercise of the right of peaceful assembly in a public place, might be considered a “reprehensible act” within the meaning of the Court’s case-law. Such behaviour might therefore justify the imposition of penalties, even of a criminal nature.”
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de politierechter van oordeel dat het bewezen verklaarde handelen van de verdachte (het blokkeren van de snelweg op 25 april 2026) moet worden aangemerkt als een ‘reprehensible act’ (een laakbare gedraging), waartegen noodzakelijkerwijs moest worden opgetreden.
De verdachte heeft zich tijdens de demonstratie schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 162 Sr. Dit is een ernstig en gevaarzettend misdrijf, waarvoor een gevangenisstraf van maximaal 9 jaar kan worden opgelegd. De politierechter heeft eerder in dit vonnis al overwogen dat het blokkeren van de snelweg door de verdachte ertoe heeft geleid dat gevaar voor de verkeersveiligheid te duchten was. Er is ook daadwerkelijk een verkeersinfarct ontstaan en het verkeer rondom Utrecht is volledig komen stil te liggen, met gevaar voor kop-staartbotsingen tot gevolg. Op videobeelden is bovendien te zien dat auto’s, kort na het begin van de blokkades, over de vluchtstrook en de groenstrook (naar een andere weg) zijn gereden om de blokkade te omzeilen en dat op de snelweg een opstootje is ontstaan tussen één van de demonstranten en verkeersdeelnemers die niet verder konden rijden.
Hier komt nog bij dat niet alleen gevaar voor de verkeersveiligheid te duchten was, maar ook gevaar voor de gezondheid van anderen. De politierechter leidt dit onder meer af uit een brief van de burgemeester aan Extinction Rebellion van 16 april 2025. In die brief is meegedeeld dat een demonstratie op de (ring) A12 in Utrecht op 25 april 2026 niet kon worden toegestaan met het oog op de drie in de Wet openbare manifestaties genoemde gronden, te weten het belang van het verkeer, het voorkomen van wanordelijkheden en de bescherming van de gezondheid. De burgemeester is tot deze conclusie gekomen na uitgebreid overleg met de politie, experts van Rijkswaterstaat en de Veiligheidsregio Utrecht. Uit dit overleg volgde onder meer dat een blokkade van de A12 hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een verkeersinfarct (‘een totale gridlock’), met een forse toename van de aanrijtijden van de hulpdiensten en de opkomsttijden van personeel van de hulpdiensten, zorginstellingen en ziekenhuizen tot gevolg. Dit zou de toegang tot de zorg in gevaar kunnen brengen. Daarnaast zou de hulpverlening bij grootschalige incidenten elders in het land ook in gevaar kunnen komen, omdat mensen en middelen over grotere afstanden vervoerd moeten worden en de A12 een belangrijke snelweg in het hoofdwegennet is. Uit stukken in het procesdossier volgt dat minstens één ambulance (met alarmsignalen aan) als gevolg van de snelwegblokkade werd gehinderd en (tijdelijk) heeft vastgestaan in het verkeer. Ook zijn door de blokkade de belangen van vele medeweggebruikers ernstig geschaad.
De politierechter kwalificeert het handelen van de verdachte dan ook als fysiek gedrag dat opzettelijk het verkeer en het normale maatschappelijke leven verstoort met de bedoeling de activiteiten van anderen te ontregelen, welke verstoring verder gaat dan wat met het oog op het demonstratierecht nog als acceptabel moet worden gezien.
De politierechter neemt hierbij ook in aanmerking dat aan Extinction Rebellion voorafgaand aan de demonstratie was meegedeeld welke risico’s de aangekondigde blokkade met zich zou brengen, en dat een redelijk alternatief was geboden voor het uitoefenen van het demonstratierecht.
Nadat was aangekondigd dat op 25 april 2026 op de A12 in Utrecht zou worden gedemonstreerd, zijn medewerkers van de gemeente en de politie in Utrecht in gesprek gegaan met de organisator(en) van de demonstratie. Tijdens dat gesprek is gewezen op de te verwachten gevolgen van de demonstratie en is aangeboden om op 25 april 2026 een demonstratie te faciliteren op een andere plek, te weten op de rotonde Waterlinieweg /Laagravenseweg (onder de A12) in Utrecht. Op dit aanbod is door Extinction Rebellion niet gereageerd. De burgemeester van Utrecht heeft Extinction Rebellion vervolgens in de hiervoor al genoemde brief van 16 april 2026 meegedeeld dat een demonstratie op de A12 in Utrecht niet kon worden gefaciliteerd. Zij heeft daarbij opnieuw aangeboden een demonstratie te faciliteren op de hiervoor genoemde rotonde. Deze grote, drukke rotonde ligt onder de A12 en heeft opritten naar de A12. Een demonstratie op die plek zou ook voor veel overlast zorgen, maar minder veiligheidsrisico’s met zich brengen, en de verdachte toch in staat stellen om in een demonstratie op de openbare weg zijn mening te uiten. De verdachte en zijn mededemonstranten hebben van dit alternatief geen gebruik gemaakt.
Chilling effect
Volgens de verdediging is de beperking van het demonstratierecht van de verdachte door politie en justitie disproportioneel geweest. De verdachte is tijdens de demonstratie op de snelweg aangehouden en naar het politiebureau gebracht. Hij heeft vervolgens twee nachten in verzekering doorgebracht. Daarnaast is zijn rijbewijs ingenomen. Dit heeft hij na ruim twee maanden weer teruggekregen. Van dit alles is volgens de verdediging een ‘chilling effect’ uitgegaan.
De politierechter oordeelt als volgt.
Als sprake is van laakbaar gedrag van demonstranten, mag door de politie worden ingegrepen.
De wijze van ingrijpen kan echter zodanig zijn dat hiermee toch een ontoelaatbare inbreuk op het demonstratierecht wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de beperking op het demonstratierecht moet, zoals hiervoor al genoemd, een ‘overall’-toets worden aangelegd. De door de politie en justitie genomen maatregelen moeten daarbij worden afgewogen tegen de ernst van het laakbare gedrag van de demonstranten. Het kan zijn dat van die maatregelen een zodanig temperend (‘chilling’) effect is uitgegaan dat de demonstranten en/of anderen in de toekomst geen gebruik meer durven te maken van hun demonstratierecht (ook als er geen laakbaar gedrag is). Als dat het geval is, gaat de inperking te ver.
De politierechter is in dit geval van oordeel dat het optreden van politie en justitie tijdens en na de demonstratie niet disproportioneel is geweest. De politierechter neemt daarbij allereerst de ernst van het door de verdachte gepleegde misdrijf in aanmerking. Zoals eerder in dit vonnis al is overwogen, heeft de verdachte daarmee niet alleen het normale maatschappelijke leven ernstig verstoord, maar ook gevaar in het leven geroepen voor anderen. De politie heeft deze gevaren willen afwenden door – onder meer – de verdachte en zijn mededaders aan te houden en hun autosleutels en rijbewijzen in beslag te nemen. Uit de stukken in het procesdossier en een mededeling van de officier van justitie op de zitting volgt dat de verdachte vervolgens in verzekering is gesteld en gehouden, zodat hij nader kon worden verhoord en zodat de dagvaarding in persoon aan hem kon worden uitgereikt. Na twee nachten is de verdachte in vrijheid gesteld. Hiermee is gehandeld in overeenstemming met artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de inverzekeringstelling rechtmatig was. De politie heeft geen geweld gebruikt tegen de verdachte.
Hoewel de verdachte op de zitting heeft verteld dat hij is geschrokken van de maatregelen die jegens hem zijn genomen, zijn deze naar het oordeel van de politierechter niet zodanig geweest dat daarvan een chilling effect uitgaat, ook niet in combinatie met de daarop gevolgde strafvervolging en de bij dit vonnis op te leggen straf. Daarbij is van belang dat niet tegen de verdachte is opgetreden vanwege zijn deelname aan een demonstratie, maar vanwege het feit dat hij een gevaarzettend misdrijf heeft gepleegd. Bovendien volgt uit de hiervoor al aangehaalde brief van de burgemeester dat de verdachte een redelijk alternatief is geboden, waarbij hij zijn demonstratierecht op 25 april 2026 op nagenoeg dezelfde wijze had kunnen uitoefenen, zonder daarbij gevaarlijke situaties voor anderen te creëren.
Conclusie
Alles afwegende komt de politierechter tot het oordeel dat het bewezen verklaarde feit strafbaar is.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk een openbare land- of waterweg versperren, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer is te duchten.
7. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
8. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van een maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
een taakstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (rijontzegging) van twee maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingevorderd of ingehouden is geweest.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de politierechter verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en heeft geen standpunt ingenomen over de eventuele strafoplegging.
Oordeel van de politierechter
De politierechter legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van 120 uur op.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Op 25 april 2026 vond een demonstratie van Extinction Rebellion plaats op de snelweg A12 in Utrecht. Om ervoor te zorgen dat de demonstranten de snelweg konden oplopen heeft een aantal demonstranten de A12 en de (fly-over van de) A2 met auto’s geblokkeerd. De verdachte was één van die demonstranten. Hij heeft zijn voertuig op de A2 opzettelijk tot stilstand gebracht naast twee andere voertuigen van demonstranten van Extinction Rebellion. De verdachte en zijn mededaders hebben hun auto’s vervolgens op de snelweg laten staan, zodat het verkeer achter hen er niet meer langs kon. Dit heeft geleid tot een verkeersinfarct, en daarmee tot chaotische en gevaarlijke verkeerssituaties op de A12, de A2 en op andere wegen in de omgeving Utrecht. Naast gevaar voor de verkeersveiligheid was er ook gevaar te duchten voor de gezondheid van anderen, omdat een verkeersinfarct kan leiden tot een toename van de aanrijtijden van hulpdiensten en de opkomsttijden van personeel van die hulpdiensten, zorginstellingen en ziekenhuizen.
De verdachte heeft de snelweg geblokkeerd om in het kader van een demonstratie aandacht te vragen voor de klimaat- en natuurcrisis, en de overheid te dwingen om maatregelen te nemen. Het recht om te demonstreren is een essentieel grondrecht binnen een democratische samenleving. De verdachte heeft bij het uitoefenen van zijn demonstratierecht naar het oordeel van de politierechter echter een grens overschreden, door de doelen die hij nastreeft te laten prevaleren boven de rechten, belangen en veiligheid van anderen. De politierechter rekent dit de verdachte aan. Het opzettelijk blokkeren van de snelweg is ontoelaatbaar, ook als dit plaatsvindt in het kader van een demonstratie, en ongeacht het doel van de demonstratie.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit het meest recente strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het strafblad wordt daarom niet in positieve of negatieve zin meegewogen bij het bepalen van de straf. Verder zijn de politierechter geen persoonlijke omstandigheden van de verdachte bekend waarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden.
Strafoplegging
De officier van justitie heeft onder meer gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd. Artikel 77r Sr bepaalt wanneer deze straf kan worden opgelegd. Voor overtreding van artikel 162 Sr kan geen ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd, zodat de politierechter daartoe niet zal overgaan.
Zoals hiervoor al genoemd, mag het strafrechtelijke optreden – waaronder ook de bestraffing – niet zo ingrijpend zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun demonstratierecht. De politierechter neemt daarom bij de strafoplegging in aanmerking dat de verdachte twee nachten in verzekering gesteld is geweest en dat hij zijn rijbewijs ruim twee maanden heeft moeten missen en komt op die grond, het totaal van het strafrechtelijk optreden in aanmerking nemend, tot oplegging van de hierna te noemen straffen. Met deze straffen, een taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, wordt enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking gebracht, en anderzijds beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen.
Deze straffen staan naar het oordeel van de politierechter in verhouding tot de ernst van het gepleegde feit en zijn niet zodanig dat daarvan een ‘chilling effect’ uitgaat op personen die - zonder zich aan laakbaar gedrag schuldig te maken - gebruik willen maken van hun demonstratierecht.
Alles afwegende legt de politierechter de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken op, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 120 uur.
9. De vordering van de benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
Rijkswaterstaat heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 34.973,84 inclusief btw. Dit betreft deels kosten voor de aanvullende inzet van personeel en materieel in verband met de blokkade, deels ook kosten voor de inzet van personeel dat die dag al in dienst was, maar door de inzet in verband met de blokkade niet beschikbaar was voor de uitoefening van hun reguliere taken op andere locaties binnen het hoofdwegennet.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verweer gevoerd. Hij stelt in de eerste plaats dat de medewerker van Rijkwaterstaat niet bevoegd was om de vordering in te dienen, omdat niet gebleken is dat hij daartoe was gemachtigd.
In de tweede plaats stelt de advocaat dat de gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat de door Rijkswaterstaat op die dag in verband met de blokkade verrichte werkzaamheden behoren tot de reguliere (publieke) taken van Rijkswaterstaat. Ook heeft de advocaat bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte btw en heeft hij de hoogte van de opgevoerde kosten bestreden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering deels (hoofdelijk) toe te wijzen, alleen voor zover het betreft de inzet van extra mensen en materieel, en zonder btw, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de politierechter
De bevoegdheid tot het indienen van de vordering
Op grond van artikel 51f Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Artikel 51g, eerste lid, Sv bepaalt dat voor aanvang van de terechtzitting deze voeging plaatsvindt door een opgave van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust bij de officier van justitie, op een daartoe vastgesteld formulier. Het derde lid van dat artikel bepaalt dat de voeging ook kan plaatsvinden ter zitting, door aan de rechter opgave te doen van de vordering en van de gronden waarop zij berust.
Op grond van artikel 51c, tweede lid, Sv kan het slachtoffer zich op de zitting laten vertegenwoordigen door een advocaat, als die verklaart daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn. Dit brengt met zich dat voeging als benadeelde partij ook kan plaatsvinden door een daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd advocaat.
Dat de indiener van de vordering bevoegd was om de vordering namens Rijkswaterstaat in te dienen, is niet gebleken. In zoverre voldoet de voorafgaand aan de zitting ingediende vordering niet aan de eisen. Op de zitting zijn, naast de indiener van de vordering, echter ook twee advocaten, werkzaam bij Rijkswaterstaat, verschenen. En hoewel de vordering op de zitting door de advocaten niet daadwerkelijk opnieuw is ingediend, en zij de vordering dus ook niet zelf hebben ondertekend, gaat de politierechter, gelet op het feit dat de advocaten de vordering op de zitting nader hebben toegelicht en vragen daarover hebben beantwoord, ervan uit dat de advocaten wel gemachtigd waren om de vordering namens Rijkswaterstaat op de zitting in te dienen en dat zij dit ook bedoeld hebben te doen.
De politierechter verbindt geen gevolg aan het gebrek dat de advocaten de vordering niet hebben ondertekend, omdat uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot (het huidige) artikel 51g Sv volgt dat de wijziging van dit artikel er juist op was gericht de slachtoffers van een strafbaar feit te beschermen, in het bijzonder ook door verruiming van de mogelijkheden zich in het strafproces als benadeelde partij te voegen.
Daarom kan de benadeelde partij in zoverre worden ontvangen in de vordering tot schadevergoeding.
De inhoud van de vordering
Partijen zijn het niet eens over de vraag of de door Rijkswaterstaat gemaakte kosten wel of niet als schade gekwalificeerd moeten worden. De advocaat van de verdachte stelt dat de werkzaamheden waarvoor vergoeding wordt gevorderd, behoren tot de reguliere taken van Rijkswaterstaat en dat kosten voor het veilig begeleiden en verhelpen van een file er “nu eenmaal bij horen”.
Deze kwestie raakt aan de vraag of kosten gemaakt door een instantie met een publieke taak - zoals Rijkswaterstaat als uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat – wel of niet voor vergoeding op grond van onrechtmatige daad in aanmerking komen. De rechtspraak hierover komt erop neer dat dit niet zonder meer het geval is, ook niet als het gaat om kosten die zijn veroorzaakt door het plegen van strafbare feiten, maar dat het afhangt van wat daarover publiekrechtelijk geregeld is, en dat per geval een weging nodig is van de relevante feiten en omstandigheden. In dit verband kunnen worden genoemd de uitspraken ECLI:NL:HR:2017:221 en ECLI:NL:RBDHA: 2023:6734.
Nader onderzoek naar de gegrondheid en de omvang van de vordering zou een uitgebreidere behandeling vereisen dan in het kader van deze strafprocedure mogelijk is. De politierechter is daarom van oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het voorgaande zal de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
10. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22d, 22c, 47 en 162 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De politierechter:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 weken;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Rijkswaterstaat
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Lieshout, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Lindeman als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 25 april 2026 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk één of meerdere openbare landweg(en), te weten de A12 (hectometerpaal 57.0R) en/of de A2 (hectometerpaal 63.6Rg), heeft versperd, door (op beide wegen) drie voertuigen, althans een of meer, voertuigen op de rijbaan/weg (naast elkaar) tot stilstand te brengen en/of te laten staan (waardoor het achterop komend verkeer de doorgang/voortgang werd geblokkeerd), waarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 april 2026 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, op de weg, de A12 (hectometerpaal 57.0R) en/of de A2 (hectometerpaal 63.6Rg), op de rijbaan drie voertuigen, althans een of meer voertuigen tot stilstand heeft gebracht,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
De verklaring van de verdachte op de zitting van 26 augustus 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op zaterdagmiddag 25 april 2026 opzettelijk met een auto de snelweg A2 in Utrecht geblokkeerd, zodat op de A2 en de A12 door Extinction Rebellion kon worden gedemonstreerd. Ik heb mijn voertuig midden op de snelweg tot stilstand gebracht en laten staan. Dit heb ik tegelijk met twee andere voertuigen naast mij gedaan. Hierin zaten ook demonstranten van Extinction Rebellion. Wij hebben onze auto’s zo naast elkaar geparkeerd dat het verkeer achter ons er niet meer langs kon en demonstranten de snelweg op konden lopen.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2026142268-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 april 2026, waren wij, verbalisanten, werkzaam ten behoeve van de handhaving van de openbare orde aan de A12 in Utrecht in verband met een demonstratie vanuit 'extinction
rebellion'. Op de kruising van snelwegen A12 en de A2 vond er een demonstratie plaats waarbij vele demonstranten vanuit 'Extinction Rebellion' zowel de A2 als de A12 blokkeerden. Wij liepen op snelweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 63,8 G in de richting van Utrecht West. Wij zagen dat er geen voertuigen op de snelweg reden. Wij liepen in tegengestelde richting. Wij zagen dat er op ongeveer 300 meter afstand drie voertuigen stil stonden en hierbij de snelweg blokkeerden. Wij zagen achter deze drie stilstaande voertuigen een filevorming en diverse mensen op de snelweg staan.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2026142250-17, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, zag dat op 25 april 2026 om 12:01 uur, het verkeer door de eerste drie voertuigen wordt stilgezet op de A12 hoofdrijbaan, rechts. Vervolgens zag ik dat op dezelfde dag om 15:11 uur de snelweg weer wordt vrijgegeven.
Een proces-verbaal van bevindingen en de daarbij gevoegde schermafdruk, genummerd PL0900-2026142250-19, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik, verbalisant, heb onderzoek gedaan naar de locaties van de wegblokkade tijdens de demonstratie van XR [de rechtbank begrijpt: Extinction Rebellion] op 25 april 2026 op de rijksweg A12. Ik zag dat er een blokkade was op de rijksweg A2 bij hectometerpaal 63.6 Rg. Dit is de verbindingslus van de rijksweg A2 naar de rijksweg A12 rechts. Ook zag ik demonstranten op de rijksweg A12 bij hectometerpaal 57.0r en 57.0x. Ik heb een schermafdruk van politieatlas gemaakt met de locaties van de blokkades:
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2026142250-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 april 2026 ontving ik, verbalisant, beelden van de demonstratie die diezelfde dag had plaatsgevonden. Ik zag dat de beelden starten op het tijdstip 12:18:27 uur. Ambtshalve is mij bekend dat deze beelden gemaakt zijn door middel van een drone.
Ik zag dat alle voertuigen op beeld, stil stonden. Ik zag dat er uit verschillende voertuigen mensen waren uitgestapt. Ik zag dat om 12:19:39 uur een overzichtsbeeld wordt getoond en er een groot verkeersinfarct zichtbaar is.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Rijkswaterstaat van 28 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 april 2026 heeft een demonstratie plaatsgevonden door Extinction Rebellion op de A12 nabij Utrecht. Als gevolg van de blokkade van de snelweg is de verkeersdoorstroming op de A12 en nabijgelegen wegen als de A2 en A27 en het onderliggend wegennet ernstig verstoord. Dit leidde tot ernstige files zowel in de nabijheid van de actie als ook in de regio Utrecht.
Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2026142250-20, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 april 2026 was ik, verbalisant, tijdens de demonstratie van Extinction Rebellion (XR) werkzaam als […] . Ik had een directe verbinding met de Officier van Dienst van Rijkswaterstaat (RWS). Dit maakte dat ik een goed overzicht had van het actuele verkeersbeeld.
Nadat XR de A12R en de A2R had geblokkeerd werd snel zichtbaar dat het verkeer achter de blokkade opstroopte en er geen verkeer meer mogelijk was in oostelijke richting
(A12R). Doordat de politie moest optreden werden er dienstvoertuigen stilgezet op de A12L ter hoogte van de blokkade. Dit maakte dat er van de drie rijstroken maar één beschikbaar was.
Om aan de voorkant van de blokkade te komen moest de politie over een stuk van meerdere kilometers tegengesteld rijden. Om dit te faciliteren moest RWS het verkeer op de A27R naar de A12R vertragen naar 50 km/h. In sommige gevallen moest de politie deze verkeersstroom ook tot stilstand brengen om zodoende te kunnen keren ter hoogte van 63.3.