RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11549121 \ CV EXPL 25-1090
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar het recht harer vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn, Duitsland
eiseres
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de vennootschap naar het recht harer vestiging
Delta Air Lines Inc.
gevestigd te Atlanta, Verenigde Staten
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kort
AirHelp heeft namens een passagier compensatie van de vervoerder gevorderd voor een langdurige vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een IT-storing waardoor het personeel niet tijdig aan de vlucht gekoppeld kon worden. Het verweer van de vervoerder slaagt en de vordering van AirHelp wordt afgewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 20 juli 2024 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via New York, Verenigde Staten, naar Tampa, Verenigde Staten.
De vervoerder heeft vlucht DL1636 van New York naar Tampa (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagier heeft zijn eventuele vorderingsrecht overgedragen aan AirHelp.
AirHelp heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
AirHelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
AirHelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht de compensatie moet voldoen van € 600,-.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kan uitoefenen.
De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht te wijten was aan een IT-storing. Deze werd veroorzaakt door een verkeerde update van het Amerikaanse IT-bedrijf Crowdstrike. Er was op de dag van de vlucht met name een storing in het zogenaamde ‘crew tracking systeem’. Hierdoor kon de bemanning niet aan de vlucht gekoppeld kon worden. Dit leidde ertoe dat de vlucht met een vertraging van 3 uur en 44 minuten kon vertrekken en met een vertraging van 3 uur en 22 minuten op de eindbestemming is aangekomen.
AirHelp heeft dit niet betwist, zodat dit vast staat. Tussen partijen is slechts in geschil in hoeverre deze storing geldt als een buitengewone omstandigheid.
Het Hof heeft geoordeeld dat de onverwachte afwezigheid van een of meer personeelsleden geen buitengewone omstandigheid is omdat de planning van de bemanning en de dienstregeling van het personeel inherent is aan de bedrijfsactiviteit van een luchtvaartmaatschappij. Het Hof heeft daarentegen ook geoordeeld dat een algemene storing aan een brandstofvoorzieningssysteem van een luchthaven wel een buitengewone omstandigheid is omdat een dergelijke gebeurtenis geen technisch probleem is dat beperkt blijft tot één vliegtuig en omdat dat systeem niet intrinsiek verbonden is met de werking van het betrokken vliegtuig.
Naar het oordeel van de kantonrechter is de onderhavige kwestie meer vergelijkbaar met het tweede dan met het eerstgenoemde arrest van het Hof. Ook in dit geval was er namelijk sprake van een storing in een systeem dat niet beperkt bleef tot één vliegtuig en afkomstig was van een derde, in dit geval Crowdstrike. Weliswaar had dit tot gevolg dat de bemanning niet tijdig aanwezig was maar de reden daarvoor was gelegen in de technische storing. Daarom is dit niet een omstandigheid die inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder. Daarnaast heeft de vervoerder concreet gesteld en onderbouwd dat hij geen invloed kon uitoefenen op deze storing. Daarmee was de vertraging van de vlucht het gevolg van een buitengewone omstandigheid.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt dat hij de storing niet kon voorkomen maar dat hij zo snel mogelijk heeft gewerkt aan het oplossen daarvan. Vervolgens is de vlucht zo snel mogelijk uitgevoerd. AirHelp heeft dit niet betwist, zodat dit vast staat. Daarom heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. De vordering van AirHelp zal worden afgewezen.
AirHelp zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, als betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 288,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder,en veroordeelt AirHelp tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, als betekening plaatsvindt, met de kosten van betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter