RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15-324595-25 en 15-177119-23 (vord. tul) (P)
Uitspraakdatum: 20 augustus 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 11 augustus 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] .
1. Tenlastelegging
1 (hierna: feit 1):
2 (hierna: feit 2):
3 (hierna: feit 3):
4 (hierna: feit 4):
5 (hierna: feit 5):
6 (hierna: feit 6):
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan [adres] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig ( [merk] , kenteken [kenteken] ) en/of autosleutels en/of een tas en/of een laptop en/of diverse bescheiden en/of een bankpas en/of geld, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig ( [merk] , kenteken [kenteken] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
hij op of omstreeks 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan [adres] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning/garage gelegen aan [adres] , twee, althans een of meer fatbike(s) (merk Echoce), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
hij in of omstreeks de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Sint Pancras, gemeente Dijk en Waard, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan [adres] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets (merk Stella) en/of schoenen (merk Air Jordan 4) en/of een portemonnee met diverse bescheiden en/of zonnebrillen (merk Carolina Herrera en Ralph Lauren) en/of gouden oorbellen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van de huissleutel die in een fiets zat;
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met een gestolen pinpas, althans onbevoegd gebruik te maken van een pinpas van voornoemde [benadeelde partij 3] ;
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan [adres] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse bescheiden en/of autosleutels en/of een auto ( [merk] , kenteken [kenteken] ) en/of een JBL box, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door
middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voertuig ( [merk] , kenteken [kenteken] ) en/of bijbehorende autosleutel(s), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, in elk geval in Nederland, in/uit een woning gelegen aan [adres] en/of op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse bescheiden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een huissleutel die in een fiets zat;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland en/of te Hensbroek, gemeente Koggenland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee met diverse pasjes op naam van [benadeelde partij 5] en/of een bankpas van de Rabobank op naam van [benadeelde partij 5] en/of een euro-codicil op naam van [benadeelde partij 5] , althans (een) goed(een) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 (primair), feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 (primair) en feit 6 (primair).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 6 (de woninginbraak aan [adres] in de nacht van 27 november 2025 op 28 november 2025) heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 (primair), 2, 3, 4, 5 (primair) en 6 (primair) ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering feit 6
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de nacht van 27 op 28 november 2025 in Zuidermeer, uit een woning van [benadeelde partij 5] op [adres] onder meer een portemonnee heeft weggenomen. Door de raadsman is -kort gezegd- bepleit dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte betrokken is geweest bij deze diefstal.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Op de zitting is door de verdachte toegegeven dat hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 28 november 2025 betrokken is geweest bij meerdere woninginbraken, waaronder een woninginbraak diezelfde nacht in dezelfde straat op huisnummer [huisnummer] , waarbij onder meer een sleutel van een [merk] , en aansluitend de bijbehorende [merk] is weggenomen (feit 5). Uit de aangifte van de inbraak aan [adres] in Zuidermeer (feit 6), blijkt dat daarbij een portemonnee en diverse pasjes op naam van [benadeelde partij 5] zijn weggenomen.
De inbraak op nummer [huisnummer] is ontdekt op 28 november 2025 om 06.45 uur, de inbraak op nummer [huisnummer] diezelfde ochtend om 05.15 uur. Beide woningen zijn gelegen in elkaars nabijheid.
De verdachte en zijn medeverdachte zijn op 28 november 2025 in de middag aangehouden nadat zij met de weggenomen [merk] tegen een boom waren gereden. In de [merk] is, onder andere, een portemonnee aangetroffen met diverse pasjes op naam van aangever [benadeelde partij 5] en in de woning van de medeverdachte, waar de verdachte in die periode verbleef, lag een bankkaart op naam van aangever [benadeelde partij 5] .
De rechtbank stelt aldus vast dat de verdachte heeft toegegeven samen met zijn medeverdachte betrokken te zijn geweest bij een inbraak in dezelfde nacht in een woning in dezelfde straat. Verder wordt een deel van de bij de inbraak aan [adres] weggenomen buit aangetroffen in de auto waarin de verdachte heeft gezeten. Ook wordt een deel van de buit aangetroffen in de woning van de medeverdachte, waar ook verdachte destijds verbleef. Daarnaast is sprake van een soortgelijke modus operandi als bij de overige aan de verdachte verweten en niet door hem weersproken woninginbraken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich samen met zijn medeverdachte ook heeft schuldig gemaakt aan de woninginbraak aan [adres] . De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven voor voornoemde belastende omstandigheden De rechtbank komt zo tot een bewezenverklaring van de diefstal uit de woning aan [adres] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair), 2, 3, 4, 5 (primair) en 6 (primair), ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1:
hij in de periode van 11 november 2025 tot en met 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan [adres] en op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen, een voertuig ( [merk] , kenteken [kenteken] ) en autosleutels en een tas en een laptop en diverse bescheiden en een bankpas en geld die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 2:
hij op 12 november 2025 te Ursem, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen uit een woning/garage gelegen aan [adres] , twee fatbikes (merk Echoice), die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 3:
hij in de periode van 17 november 2025 tot en met 18 november 2025 te Sint Pancras, gemeente Dijk en Waard uit een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een fiets (merk Stella) en schoenen (merk Air Jordan 4) en een portemonnee met diverse bescheiden en zonnebrillen (merk Carolina Herrera en Ralph Lauren) en gouden oorbellen die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van de huissleutel die in een fiets zat.
Feit 4:
hij op 18 november 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen geldbedragen die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen te pinnen met een gestolen pinpas.
Feit 5:
hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, uit een woning gelegen aan [adres] en op een besloten erf waarop de woning zich bevindt, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee met diverse bescheiden en autosleutels en een auto ( [merk] , kenteken [kenteken] ) en een JBL box die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Feit 6:
hij in de periode van 27 november 2025 tot en met 28 november 2025 te Zuidermeer, gemeente Koggenland, uit een woning, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee met diverse bescheiden die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een huissleutel die in een fiets zat.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1, feit 5: telkens: diefstal in een woning en op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
Feit 2: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
Feit 3, feit 6: telkens: diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden
Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft een valse sleutel
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 285 dagen, waarvan 194 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad in het rapport van 4 augustus 2026, met uitzondering van het verbod om verboden middelen te gebruiken en het contactverbod met de slachtoffers. Daarbij wordt gevorderd om als bijzondere voorwaarden op te nemen een locatiegebod bij [woongroep] met elektronische controle voor de duur van zes maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die naar zijn zeggen verminderd toerekeningsvatbaar is. De raadsman heeft bepleit de verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, waarvan 74 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zodat de verdachte niet hoeft terug te keren naar de jeugdgevangenis. Verder heeft de raadsman verzocht de bijzondere voorwaarde, dat de verdachte zich ter controle van het locatiegebod onder elektronische monitoring zal stellen van de jeugdreclassering, niet op te nemen, omdat geen sprake is van recidive van vermogensdelicten. Indien die bijzondere voorwaarde wel wordt opgenomen, heeft de raadsman verzocht de duur ervan te beperken tot drie maanden. De raadsman heeft de rechtbank verder verzocht geen werkstraf aan de verdachte op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van het feit
De verdachte heeft zich binnen een maand tijd schuldig gemaakt aan vijf woninginbraken en de diefstal van geldbedragen door te pinnen met een gestolen bankpas. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor de eigendommen van anderen en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Bij een woninginbraak wordt de privacy van de bewoners en hun gevoel van veiligheid ernstig geschaad, terwijl zij zich juist veilig moeten kunnen voelen in hun eigen woning. Woninginbraken zorgen bovendien ook voor onrust en gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving in het algemeen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.
Uit het op naam van de verdachte staan Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 juli 2026, blijkt dat de verdachte reeds eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de over de verdachte uitgebrachte
Pro Justitia rapportage, gedateerd 5 maart 2026, van [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog, met assistentie van [orthopedagoog] , orthopedagoog, i.o. tot GZ-psycholoog. Hieruit komt onder meer naar voren dat bij de verdachte sprake is van ADHD, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, een normoverschrijdende gedragsstoornis, een stoornis in cannabisgebruik en ouder-kindrelatieproblematiek. De verdachte kan spanningsvolle situaties opzoeken en denkt onvoldoende na over de eventuele gevolgen voor zowel zichzelf als voor anderen. Verder is bij de verdachte sprake van een zeer gebrekkige gewetensfunctie; hij verplaatst zich niet in de ander en ervaart weinig remming op zijn gedrag door het ontbreken van spijt, schuld, schaamtegevoel en ook het ontbreken van angsten. De verdachte is sterk gericht op zichzelf, zijn behoeften en geldelijk gewin. Dit beeld lijkt versterkt te worden door het middelenmisbruik. Het vermoeden is dat de ADHD en de normoverschrijdende gedragsstoornis van invloed zijn geweest op het denken en handelen van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Er kan echter geen advies worden gegeven ten aanzien van de mate van toerekenen, omdat de verdachte niet heeft willen praten over zijn (mogelijke) aandeel bij de ten laste gelegde feiten. In het rapport staat verder dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. Geadviseerd wordt om behandeling voort te zetten binnen een duidelijk en gestructureerd kader, gericht op het verminderen van recidiverisico en het bevorderen van een gunstige ontwikkeling. Daarbij zijn een stabiele woonplek met voldoende toezicht en begrenzing, een vaste en passende dagbesteding en voortzetting van behandeling gericht op impulscontrole, copingvaardigheden en gewetensontwikkeling noodzakelijk. Het stoppen met middelengebruik vormt hierbij een belangrijke voorwaarde. Tevens blijft het van belang de moeder betrokken te houden bij begeleiding en behandeling. Het voorgaande kan volgens de rapporteurs het beste worden gerealiseerd binnen een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM).
De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies uit het Pro Justitia rapport.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 4 augustus 2026, van [raadsonderzoeker] en [raadsonderzoeker] , raadsonderzoekers bij de Raad. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van veel zorgen op alle leefgebieden en dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Het is noodzakelijk dat de verdachte de juiste hulp en begeleiding krijgt om recidive te voorkomen. De Raad sluit zich aan bij de bevindingen uit het Pro Justitia rapport met betrekking tot de interventies. Uit het haalbaarheidsonderzoek van de jeugdreclassering is echter gebleken dat een GBM niet haalbaar is, omdat het de verdachte ontbreekt aan essentiële voorwaarden zoals een stabiele woonplek en dagbesteding. De jeugdreclassering heeft geadviseerd om opnieuw ITB Harde Kern op te leggen. De Raad kan zich in dit advies vinden, maar maakt daarbij de kanttekening dat nog onduidelijk is in hoeverre de ITB Harde Kern uitvoerbaar is.
Vanwege de ernst en hoeveelheid van de feiten en om ervoor te zorgen dat de verdachte direct een consequentie ervaart van zijn gedrag adviseert de Raad een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Daarnaast adviseert de Raad een voorwaardelijke jeugddetentie met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport.
Op de zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger geadviseerd een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest. Verder is geadviseerd om het verbod op middelengebruik niet als bijzondere voorwaarde op te nemen, omdat dat niet haalbaar is voor de verdachte. Ook acht de zittingsvertegenwoordiger een locatiegebod bij [woongroep] of een soortgelijke instelling met elektronische controle passend.
Op de zitting hebben de jeugdreclassering, de jeugdbeschermer en de gedragsdeskundige aangegeven het advies van de Raad te ondersteunen. De jeugdreclassering heeft verder aangegeven dat sinds de verdachte geen enkelband meer heeft, hij regelmatig wegloopt waarbij er incidenten plaatsvinden, met name ‘s nachts. Een locatiegebod met opnieuw elektronische controle kan daarom helpend zijn. Daarnaast is het al langere tijd lastig om voor de verdachte passende dagbesteding te vinden. De jeugdreclassering is op dit moment in gesprek met De Zorgsportschool voor een laagdrempelige vorm van dagbesteding. In het begin zal een dagbesteding van 24 uur echter niet haalbaar zijn, terwijl dat wel is wat ITB Harde Kern voorschrijft. De verdachte heeft aangegeven graag weer naar school te willen. Dit is zeker positief maar het is belangrijk dat dit zorgvuldig en met kleine stapjes wordt opgebouwd. Op 25 augustus is er een afspraak gemaakt met school om met de verdachte de mogelijkheden te bespreken. Het is belangrijk dat de verdachte daarbij aanwezig is.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank geen andere straf op zijn plaats dan een jeugddetentie. De rechtbank is echter van oordeel dat het onwenselijk is dat de verdachte langere tijd moet terugkeren naar de jeugdgevangenis. De rechtbank acht het bovendien van groot belang dat de verdachte op 25 augustus bij het gesprek op school aanwezig kan zijn. De rechtbank zal daarom het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan de verdachte op te leggen jeugddetentie gelijk stellen aan de tijd die de verdachte ten tijde van de (vervroegde) uitspraak op 20 augustus 2026 in voorarrest heeft doorgebracht, te weten in totaal 87 dagen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 285 waarvan 198 dagen voorwaardelijk, passend is. De rechtbank zal hieraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Het voorwaardelijk deel van de straf dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden om gedurende de proeftijd opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijk deel behalve de algemene voorwaarden ook na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden. Anders dan door de raadsman is bepleit acht de rechtbank elektronische monitoring ter controle van het locatie verbod daarbij wel noodzakelijk.
Om de verdachte nu ook een direct gevolg te doen ervaren van zijn handelen is de rechtbank van oordeel dat daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf op zijn plaats is. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en zijn beperkte belastbaarheid echter aanleiding om het aantal te verrichten uren werkstraf lager te bepalen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf van 50 uren passend is.
7. Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] (feit 1)
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 650,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 150,- aan materiële schade (autoslot en sleutel) en € 500,- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moet worden veroordeeld. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het materiële deel moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade van [benadeelde partij 1] . Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam] degene is die als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden bestaande uit het vervangen van een autoslot en een autosleutel, terwijl [benadeelde partij 1] degene is die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingevuld en ondertekend. Het is de rechtbank niet gebleken dat [benadeelde partij 1] gemachtigd was om namens [naam] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
Daarnaast heeft de benadeelde partij de vordering tot vergoeding van de immateriële schade onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het gelegenheid bieden aan de benadeelde partij om de vordering alsnog verder te onderbouwen, zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2] (feit 2)
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,-
ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2
ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk
moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk
moet worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij heeft de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het gelegenheid bieden aan de benadeelde partij om de vordering alsnog verder te onderbouwen, zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 5] (feit 6)
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 224,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 6 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:
horloge (Casio type WV-300DE-7ART) € 69,90;
contant geld € 25,-;
ID-kaart € 78,50;
rijbewijs € 51,10.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met uitzondering van het horloge, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de verdachte hoofdelijk tot vergoeding van de schade moeten worden veroordeeld. Ten aanzien van het horloge heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het causale verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het horloge. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze post niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causale verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 154,60,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 6 bewezen verklaarde feit, bestaande uit:
contant geld € 25,-;
ID-kaart € 78,50;
rijbewijs € 51,10.
De rechtbank is van oordeel dat de post ten aanzien van het horloge niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat het causale verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt. De rechtbank zal deze post daarom afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Hoofdelijk aansprakelijk
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen (hoofdelijk) aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: een woninginbraak in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 16 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 15-177119-23 heeft de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 160 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald en ingegaan op 31 oktober 2024.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen voor de duur van 30 dagen en deze op grond van artikel 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering om te zetten naar een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, en voor het resterende deel de proeftijd te verlengen met een jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat aan de verdachte voor de nieuwe strafbare feiten al een werkstraf wordt opgelegd en ervoor moet worden gewaakt dat de verdachte wordt overvraagd. Het is de rechtbank uit wat door de hulpverlening op de zitting naar voren is gebracht gebleken dat de belastbaarheid van de verdachte beperkt is. Om de verdachte duidelijk te maken dat er consequenties zijn verbonden aan het overtreden van voorwaarden verbonden aan een proeftijd, ziet de rechtbank wel aanleiding om de eerder vastgestelde proeftijd te verlengen met één jaar zodat de toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering nog een jaar wordt voortgezet.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 (primair), 2, 3, 4, 5 (primair) en 6 (primair) ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 198 (honderdachtennegentig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (87 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit betekent dat de verdachte op de dag van de uitspraak niet meer terug hoeft in detentie.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 50 (vijftig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.
Beslissing over de vorderingen van de benadeelde partijen
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor wat betreft de materiële schade af en verklaart [benadeelde partij 1] ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partij de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 154,60 bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden
begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de mededader is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Wijst het overige deel van de vordering af.
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de
benadeelde partij [benadeelde partij 5] van een bedrag van € 154,60, te vermeerderen met
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2025 tot aan de dag der algehele
voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de mededader aan de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de
verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 16 oktober 2024 van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15-177119-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Verlengt de in voormeld vonnis gestelde proeftijd met 1 (één) jaar.
Beslissing over voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie, te weten 20 augustus 2026.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.C. Oosterbroek, voorzitter, en tevens kinderrechter,
mr. E.G. van Roest en mr. N. Cuvelier, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Excel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 augustus 2026.