RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/340083 / HA ZA 23-306
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te Ursem,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. E.C. van Lent,
tegen
HOOGHEEMRAADSCHAP HOLLANDS NOORDERKWARTIER,
te Heerhugowaard,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: HHNK,
advocaat: mr. I.J.M.I. Souren.
De zaak in het kort
HHNK heeft aan [eiseres] opdracht gegeven voor werkzaamheden in en bij het Amstelmeer. Op 1 december 2022 heeft HHNK het werk beëindigd. In het tussenvonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze beëindiging moet worden gekwalificeerd als een beëindiging op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012. In deze paragraaf is bepaald dat bij beëindiging het door de opdrachtgever verschuldigde aan een aannemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden vastgesteld. Partijen verschillen van mening wat daaronder moet worden begrepen. De rechtbank is van oordeel dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat de gevolgen van de kostenverhogende omstandigheden voor rekening van partijen gezamenlijk dienen te komen. De rechtbank gelast een deskundigenonderzoek om de hoogte van de door HHNK aan [eiseres] te betalen vergoeding te bepalen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 augustus 2024,- de akte van [eiseres] van 12 november 2025,- de akte van HHNK van 12 november 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie
In het tussenvonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de beëindiging van het werk door HHNK moet worden beschouwd als een beëindiging overeenkomstig paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 (beëindiging van het werk wegens onvoorziene kostenverhogende omstandigheden). De rechtbank heeft de behandeling van de zaak vervolgens aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen te kijken of zij tot overeenstemming konden komen. In het vonnis heeft de rechtbank overwogen dat voor het geval [eiseres] aanspraak blijft maken op een vergoeding door HHNK, [eiseres] inzichtelijk zal moeten maken hoe zij tot het gevorderde bedrag komt. De rechtbank heeft aangekondigd dat als één van partijen van de rechtbank verlangt dat zij een concrete vergoeding vaststelt, partijen er rekening mee moeten houden dat de rechtbank daarvoor een deskundigenonderzoek nodig heeft.
[eiseres] maakt in haar akte aanspraak op een concrete vergoeding van HHNK. [eiseres] stelt dat de norm opgenomen in paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 zo moet worden ingevuld als ware sprake van een beëindiging van de overeenkomst in onvoltooide staat (de maatstaf van paragraaf 14 lid 10 UAV). Dit heeft tot gevolg dat HHNK aan [eiseres] ook de volledige winstcomponent moet betalen.
In haar akte stelt HHNK dat zij een integrale beoordeling wenst van het geschil en een (eind)vonnis op basis van haar voorwaardelijke tegenvordering. [eiseres] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat zij ter onderbouwing van haar vordering verwijst naar het rapport van Grant Thornton en daarmee haar vordering onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. HHNK stelt dat het op de weg van de rechtbank ligt om de uitgangspunten te formuleren aan de hand waarvan deskundigen de vergoeding moeten bepalen. HHNK wijst erop dat bij een beëindiging op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 opdrachtgever noch aannemer een verwijt valt te maken. Daarom is slechts sprake van een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid. In literatuur wordt betoogd dat bij het bepalen van de vergoeding geen rekening moet worden gehouden met winst. HHNK verwijst naar de uitspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven (hierna: de Raad voor Arbitrage) van 31 maart 1976. Op basis van deze uitspraak stelt HHNK dat zij aan [eiseres] moet betalen:
de kosten van het reeds uitgevoerde gedeelte van het werk;
de helft van de door [eiseres] vooraf begrote winstopslag van het werk;
de door [eiseres] vooraf begrote vergoeding voor de algemene kosten;
indien de rechtbank of de deskundige dat van oordeel is: een en ander te vermeerderen met BTW.
Vergoeding op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012
Partijen hebben de rechtbank gevraagd om te komen tot een (rekenkundige) afwikkeling van de zaak. In de kern is tussen partijen in geschil op welke wijze de vergoeding als bedoeld in paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 moet worden vastgesteld. Hierna zal de rechtbank op de diverse standpunten ingaan.
Volgens HHNK moet [eiseres] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering omdat [eiseres] niet inzichtelijk heeft gemaakt op welk bedrag zij aanspraak maakt en waarop dat bedrag is gebaseerd. De enkele verwijzing naar het rapport van Grant Thornton van 15 maart 2024 is daarvoor onvoldoende, aldus HHNK.
Dit standpunt van HHNK is onjuist. Wat ook zij van de wijze waarop [eiseres] haar vordering heeft onderbouwd, onmiskenbaar is dat [eiseres] vindt dat de vergoeding moet worden vastgesteld aan de hand van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 (maar in lijn met paragraaf 14 lid 10 UAV 2012) en dat zij recht meent te hebben op een (resterende) vergoeding van € 963.445,-. Daarbij heeft [eiseres] , onder meer, verwezen naar het bedoelde rapport van Grant Thornton. Los van de vraag of [eiseres] haar stellingen daarmee voldoende heeft onderbouwd, ziet de rechtbank niet in waarom een eventuele schending van de stelplicht op dit punt door [eiseres] zou moeten leiden tot haar niet-ontvankelijkheid.
Tussen partijen is in geschil welke elementen moeten worden meegenomen bij het vaststellen van een vergoeding krachtens paragraaf 47 lid 4 UAV 2012. Partijen discussiëren met name of de (volledige) winstcomponent aan [eiseres] vergoed moet worden, zoals dat ook het geval is bij beëindiging van het werk op grond van de paragraaf 14 lid 10 UAV 2012. De rechtbank is van oordeel dat in de vergoeding krachtens paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 de winstcomponent voor de helft moet worden meegenomen. De rechtbank legt hierna hoe zij tot dit oordeel komt.
In de literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat bij de bepaling wat aan de aannemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 toekomt niet noodzakelijkerwijs een vergoeding van de winst, of van de volle winst, over het niet uitgevoerde gedeelte van het werk hoeft te zijn begrepen. De maatstaf van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 verschilt wat dat betreft van die van paragraaf 14 lid 10 UAV 2012. Bij een beëindiging van het werk op grond van de paragraaf 14 lid 10 UAV 2012 heeft de aannemer recht op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Het bedrag waarop de aannemer op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV 2012 recht heeft omvat dus de algemene kosten en de winst betreffende het gehele werk. De norm van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 is dus niet gelijk is aan die van paragraaf 14 lid 10 UAV 2012.
De stelling van [eiseres] dat de norm van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 zo moet worden ingevuld als ware sprake van een beëindiging op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV 2012 kan naar het oordeel van de rechtbank alleen worden gevolgd als er bijzondere omstandigheden worden gesteld. [eiseres] stelt wat dat betreft dat
de winstcomponent over het werk tot aan de beëindiging onder normale omstandigheden ook ten laste van de opdrachtgever zou zijn gekomen;
uit de uitspraak van de Raad van Arbitrage van 31 maart 1976 volgt dat de aannemer in billijkheid recht heeft op een vergoeding van winstderving en op een tegemoetkoming in zijn de algemene kosten.
De door [eiseres] genoemde omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank niet dat [eiseres] , als ware er sprake van een beëindiging van het werk als bedoeld in paragraaf 14 lid 10 UAV 2012, aanspraak kan maken op de algemene kosten en de volledige winstcomponent.
Dit zou ook geen recht doen aan het gegeven dat HHNK bevoegd was het werk te beëindigen wegens, kort gezegd, aanzienlijke onvoorziene prijsstijgingen die [eiseres] wilde en mocht doorberekenen aan HHNK.
Die aanzienlijke en onvoorziene prijsstijgingen van, vooral, materiaal waren het gevolg van de oorlog in Oekraïne. Deze oorzaak was voor geen van beide partijen voorzienbaar, valt geen van partijen toe te rekenen en valt ook buiten de exclusieve risicosfeer van beide partijen. Gelet hierop, vindt de rechtbank het niet passen om in het geheel geen rekening te houden met de winstcomponent en te volstaan met betaling van de kosten voor het al uitgevoerde gedeelte van het werk. Zoals hiervoor overwogen is evenmin passend dat de gehele winstcomponent in de vergoeding wordt meegenomen. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval mee dat de winstcomponent voor de helft in de vast te stellen vergoeding wordt meegenomen, zodat de gevolgen van de kostenverhogende omstandigheden in dat opzicht in gelijke mate voor rekening van partijen te komen.
Deskundigenonderzoek
[eiseres] heeft, ervan uitgaand dat de winstcomponent in de aanneemsom geheel in de vergoeding wordt meegenomen, de volgende berekening gemaakt:
Aanneemsom € 3.400.000,00
Te maken kosten als gevolg van de niet voltooiing € 6.235,00
Bespaarde kosten € 2.020.290,00
Vergoeding = 1+2 -/- 3 € 1.385.945,00
Al ontvangen bedragen € 422.500,00
Resterende vergoeding = 4 -/- 5 € 963.445,00
Volgens HHNK moet zij aan [eiseres] betalen:
de kosten van het al uitgevoerde werk € 365.361,00
de door [eiseres] vooraf begrote winstopslag van het werk;
de door [eiseres] vooraf begrote vergoeding voor de algemene kosten;
(volgens HHNK zou [eiseres] op het project verlies hebben gedraaid van ongeveer € 64.000,00, zodat er geen aanleiding is voor toekenning van een opslag voor Winst en/of Risico en/of Algemene Kosten)
eventueel BTW.
Omdat HHNK al € 422.500,00 aan [eiseres] heeft betaald, dient [eiseres] , volgens HHNK, aan HHNK nog een bedrag te betalen van (€ 422.500,00 -/- € 365.361,00 =) € 57.139,00 exclusief BTW.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 28 augustus 2024 overwogen dat partijen er rekening mee moeten houden dat als één van hen van de rechtbank verlangt dat de rechtbank een concrete vergoeding vaststelt, partijen er rekening mee moeten houden dat de rechtbank daarvoor een deskundigenonderzoek nodig heeft. Partijen hebben zich in hun laatste aktes uitgelaten over de vragen hoeveel deskundige benoemd moeten worden, welke personen, welke vragen aan de deskundige(n) moeten worden gesteld en welk voorschot redelijk wordt geacht. De rechtbank stelt vast dat partijen niet tot een gezamenlijk voorstel zijn gekomen. Om die reden zal de rechtbank in dit vonnis een oordeel geven.
De rechtbank is van oordeel dat één deskundige dient te worden benoemd, waarbij de rechtbank één van de door [eiseres] onder 18. in haar akte genoemde personen zal benaderen. Indien mocht blijken dat deze door de rechtbank te benoemen deskundige behoefte heeft aan voorlichting van een derde, dan staat het de deskundige vrij daarvoor toestemming te vragen aan de rechtbank.
In de vraagstelling aan de deskundige zal aan bod komen de vraag hoe groot de winstopslag is over het werk dat [eiseres] krachtens de aanneemovereenkomst zou uitvoeren. Uit het rapport van Grant Thornton, leidt de rechtbank af dat [eiseres] in haar begroting geen winstmarge calculeert, maar dat winst(marge) wordt gerealiseerd door na gunning van het project opnieuw over de kostprijs te onderhandelen met onderaannemers (zie randnummer 5.1.1.4). In haar rapport gaat Grant Thornton ervan uit dat [eiseres] een winst van € 636.000,- zou realiseren op het project. De rechtbank verzoekt de deskundige in de beantwoording van de onderzoeksvragen mee te nemen of [eiseres] inderdaad geen winstopslag heeft mee-begroot. Indien dat het geval is, verzoekt de rechtbank de deskundige op basis van de kostprijzen van de onderaannemers en op basis van zijn kennis en ervaring een inschatting te maken van de door [eiseres] te realiseren winstmarge op dit project.
[eiseres] heeft verzocht om de deskundige ook te laten onderzoeken in hoeverre kostenverhogende omstandigheden als gevolg van een ontwerpfout in het bestek van het Broedfort invloed heeft op de vergoeding. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding.
Naar het oordeel van de rechtbank dienen de volgende vragen aan de te benoemen deskundige te worden gesteld.
1. a. Kunt u op basis van de overeenkomst van aanneming van werk (productie 2 bij dagvaarding en de daarin genoemde stukken) en met inachtneming van wat de rechtbank in haar tussenvonnissen heeft overwogen en beslist, vaststellen of [eiseres] in de overeengekomen aanneemsom een winstopslag en/of een opslag voor algemene kosten en risico heeft opgenomen? Zo ja hoe hoog was/waren deze opslag(en)?
b. Als het antwoord op 1.a. ontkennend is: hoeveel inkoopvoordelen zou [eiseres] reëel bezien hebben kunnen maken op dit werk, rekening houdend met de contractuele verplichtingen enerzijds en de markomstandigheden in 2022 anderzijds, waaronder de mogelijkheid of juist ontbreken van inkoopvoordelen en de contractuele afspraken?
2. Wat is, gelet op de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst en de stukken die hebben geleid tot de aanneemovereenkomst, de waarde van het door [eiseres] geleverde werk tot en met de beëindiging van de Overeenkomst door HHNK op 1 december 2022?
3. Uitgaande van de werkzaamheden tot het moment dat de werkzaamheden door [eiseres] zijn stopgezet, welke werkzaamheden van de opdracht heeft [eiseres] niet uitgevoerd en, uitgaande van de bedragen ten tijde van het sluiten van de aanneemovereenkomst, voor welk deel van de aandeelsom (in euro’s) heeft [eiseres] niet uitgevoerd van de opgedragen werkzaamheden?
4. Wat zijn de kosten die niet door uitvoering van vervangende andere werken konden worden verkregen noch bij een goed ondernemerschap op andere wijze konden worden gedekt, met andere woorden de kosten voor het niet kunnen inzetten van mensen en middelen elders na de beëindiging van de aannemingsovereenkomst door HHNK 1 december 2022? Wilt u hierbij rekening houden met het gegeven dat de werkzaamheden vanwege de oplopende prijsdiscussies nog niet of nauwelijks waren aangevangen?
5. Is HHNK BTW vergoeding op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 verschuldigd aangezien er sprake is van werk dat niet is verricht?
6. Ervan uitgaande dat een eventuele winstopslag aan ieder van partijen bij helfte wordt toegerekend, op welk bedrag begroot u, uitgaande van uw onderzoek, wat HHNK nog aan [eiseres] verschuldigd is dan wel [eiseres] nog aan HHNK verschuldigd is?
7. Geeft uw onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil voor de rechtbank van belang kunnen zijn?
Partijen hebben wel overeenstemming over de hoogte van het voorschot. Beiden hebben in hun aktes ingestemd met een voorschot van € 15.000,- exclusief BTW. De te benoemen deskundige heeft het voorschot berekend op € 15.000,- exclusief BTW, en dus op € 18.000,- inclusief BTW
Uitgangspunt is dat het voorschot van de te benoemen deskundige wordt betaald door de eisende partij. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit betekent dat [eiseres] het voorschot van de deskundige dient te betalen.
De deskundige heeft de rechtbank meegedeeld de opdracht te aanvaarden op basis van een civielrechtelijke aansprakelijkheidsbeperking (overeenkomstig paragraaf 8.2 van de Leidraad deskundigen in civiele zaken). De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat deze aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is op de verhouding tussen de deskundige en partijen. Indien partijen niet met een aansprakelijkheidsbeperking kunnen instemmen, dienen zijn dat binnen twee weken na heden gemotiveerd aan de rechtbank mee te delen. De rechtbank zal vervolgens op deze bezwaren beslissen.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
1. a. Kunt u op basis van de overeenkomst van aanneming van werk (productie 2 bij dagvaarding en de daarin genoemde stukken) en met inachtneming van wat de rechtbank in haar tussenvonnissen heeft overwogen en beslist, vaststellen of [eiseres] in de overeengekomen aanneemsom een winstopslag en/of een opslag voor algemene kosten en risico heeft opgenomen? Zo ja hoe hoog was/waren deze opslag(en)?
b. Als het antwoord op 1.a. ontkennend is: hoeveel inkoopvoordelen zou [eiseres] reëel bezien hebben kunnen maken op dit werk, rekening houdend met de contractuele verplichtingen enerzijds en de markomstandigheden in 2022 anderzijds, waaronder de mogelijkheid of juist ontbreken van inkoopvoordelen en de contractuele afspraken?
2. Wat is, gelet op de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst en de stukken die hebben geleid tot de aanneemovereenkomst, de waarde van het door [eiseres] geleverde werk tot en met de beëindiging van de Overeenkomst door HHNK op 1 december 2022?
3. Uitgaande van de werkzaamheden tot het moment dat de werkzaamheden door [eiseres] zijn stopgezet, welke werkzaamheden van de opdracht heeft [eiseres] niet uitgevoerd en, uitgaande van de bedragen ten tijde van het sluiten van de aanneemovereenkomst, voor welk deel van de aandeelsom (in euro’s) heeft [eiseres] niet uitgevoerd van de opgedragen werkzaamheden?
4. Wat zijn de kosten die niet door uitvoering van vervangende andere werken konden worden verkregen noch bij een goed ondernemerschap op andere wijze konden worden gedekt, met andere woorden de kosten voor het niet kunnen inzetten van mensen en middelen elders na de beëindiging van de aannemingsovereenkomst door HHNK 1 december 2022? Wilt u hierbij rekening houden met het gegeven dat de werkzaamheden vanwege de oplopende prijsdiscussies nog niet of nauwelijks waren aangevangen?
5. Is HHNK BTW vergoeding op grond van paragraaf 47 lid 4 UAV 2012 verschuldigd aangezien er sprake is van werk dat niet is verricht?
6. Ervan uitgaande dat een eventuele winstopslag aan ieder van partijen bij helfte wordt toegerekend, op welk bedrag begroot u, uitgaande van uw onderzoek, wat HHNK nog aan [eiseres] verschuldigd is dan wel [eiseres] nog aan HHNK verschuldigd is?
7. Geeft uw onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil voor de rechtbank van belang kunnen zijn?
benoemt tot deskundige:
mr. drs. T.P. de Jong CVA,
adres: Sman Business Value,
Pedro de Medinalaan 5-D, 1086 XK Amsterdam,
telefoon: 020-3338630, 06-31670506
e-mailadres: tjebbe.de.jong@sman.nl,
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 18.000,- (inclusief BTW),
bepaalt dat [eiseres] het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
bepaalt dat [eiseres] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Richtlijn voor gebruik van AI-toepassingen door gerechtelijk deskundigen (te raadplegen op www.lrgd.nl)
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
bepaalt dat partijen als zij niet kunnen instemmen met de door de deskundige te hanteren civielrechtelijke aansprakelijkheidsbeperking dit binnen twee weken na datum van dit vonnis gemotiveerd aan de rechtbank dienen door te geven,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026
MKG/JG