Aviapartner B.V., te Haarlemmermeer, verzoekster
(gemachtigden: mr. drs. N. Kusters en mr. R.J. de Heer),
en
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(gemachtigde: mr. E.A.M.P. van Oijen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Rotterdam.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van Aviapartner B.V. om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter doet op grond van het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De minister heeft op 3 augustus 2026 beslist op het verzoek van derde-partij van 3 mei 2026 tot openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo). Kort weergegeven is verzocht om informatie openbaar te maken over “inzage in het boeterapport Aviapartner dat verband houdt met eigen zaak. Het volledige boeterapport, inclusief alle onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de bevindingen en eventuele opgelegde boete”. De minister heeft bij de inventarisatie één document aangetroffen en besloten dit document gedeeltelijk openbaar te maken.
3. Verzoekster heeft op 12 augustus 2026 tegen de openbaarmaking bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift heeft verzoekster de minister verzocht om de openbaarmaking van het document op te schorten tot na de beslissing op bezwaar. Bij e-mail van 13 augustus 2026 heeft de minister verzoekster medegedeeld de openbaarmaking niet te zullen opschorten omdat derde-partij niet instemt met deze opschorting. Daarop heeft verzoekster op 17 augustus 2026 de voorzieningenrechter verzocht om in verband met de aangekondigde openbaarmaking een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de werking van het besluit van 3 augustus 2026 zal worden opgeschort tot na het besluit op het bezwaar. Verzoekster voert onder andere aan dat openbaarmaking van het document, dat vertrouwelijke en concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens bevat, leidt tot onomkeerbare gevolgen. Bovendien zou het ingediende bezwaar zinledig zijn zonder het treffen van een voorziening. In aanvulling licht verzoekster ook op voorhand haar gerede twijfels toe over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
4. Op grond van artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo blijft als een voorlopige voorziening is gevraagd openbaarmaking achterwege tot op het verzoek om een voorlopige voorziening uitspraak is gedaan. Omdat verzoekster heeft verzocht om een voorlopige voorziening is openbaarmaking van het document waarop het verzoek van derde-partij betrekking had tot op heden achterwege gebleven.
5. De minister heeft op 19 augustus 2026 in een reactie op het verzoek om voorlopige voorziening aangegeven het bezwaar van verzoekster in behandeling te hebben. Om een zorgvuldige heroverweging te kunnen doen – en vanwege de betrokkenheid van een derde-belanghebbende bij het bestreden besluit – verzoekt de minister de voorzieningenrechter niet vooruit te lopen op de inhoudelijke behandeling van het bezwaar van verzoekster en geen uitspraak te doen in de hoofdzaak. Omdat derde-partij bij de minister heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen opschorting vanwege zijn belang bij openbaarmaking en de minister in de tussentijd geen aanleiding heeft om te verwachten dat dit inmiddels anders is, verzoekt de minister de voorzieningenrechter het belang van derde-partij mee te wegen in de beoordeling.
6. De voorzieningenrechter heeft op 20 augustus 2026 derde-partij gevraagd om aan te geven of hij zich verzet tegen uitstel van openbaarmaking totdat op bezwaar is beslist en, indien hij zich daartegen verzet, waarom. Hierop heeft derde-partij op 20, 21 en 25 augustus 2026 gereageerd. Derde-partij verzet zich tegen uitstel van de openbaarmaking, omdat de informatie die openbaar gemaakt zal worden voor hem van groot belang is voor zijn lopende letselschadezaak tegen zijn werkgever, Aviapartner B.V., en voor zijn persoonlijke situatie, omdat hij graag duidelijkheid wil verkrijgen over de omstandigheden waaronder hij jarenlang heeft gewerkt.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat het algemeen belang bij openbaarheid een zeker gewicht in de schaal legt. De Woo regelt het algemene recht van burgers op informatie van de overheid dat in beginsel aan eenieder in gelijke mate toekomt. Er is een algemeen belang bij openbaarheid en transparantie van de overheid voor de democratische samenleving. Daarbij zijn er uitzonderingsgronden die in de weg kunnen staan aan het verstrekken van informatie, zoals de geheimhouding van concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat als het document waar nu een geschil over bestaat openbaar zou worden gemaakt, dit onomkeerbare gevolgen zal hebben omdat de openbaarmaking feitelijk niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De bezwaarprocedure zou daarmee zinledig worden. Van de minister wordt bovendien verwacht dat hij in de bezwaarfase het openbaarmakingsbesluit zorgvuldig en volledig heroverweegt. Hetgeen derde-partij naar voren heeft gebracht, geeft geen blijk van een zwaarder wegend algemeen belang bij openbaarmaking voorafgaand aan de beslissing op bezwaar. Dat de informatie die openbaar gemaakt zal worden voor derde-partij van groot belang is voor zijn lopende letselschadezaak en zijn persoonlijke situatie maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het algemeen belang bij openbaarmaking zo zwaar weegt dat de belangen bij een zorgvuldige en volledige heroverweging in bezwaar (voorafgaande aan een onomkeerbare openbaarmaking) daarvoor dienen te wijken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het recht op openbaarmaking op grond van de Woo uitsluitend het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering dient, zodat specifieke belangen van de indiener van een Woo-verzoek niet bij de beoordeling van een Woo-verzoek behoren te worden betrokken.
9. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 3 augustus 2026 wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus toe en schorst het besluit tot openbaarmaking tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Dit betekent dat het document als genoemd in het besluit van 3 augustus 2026 tot dan in zijn geheel niet openbaar gemaakt mag worden.
11. De voorzieningenrechter ziet ook aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden en te bepalen dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van de gemaakte proceskosten, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 934,-. De minister moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
De voorzieningenrechter
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: