[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van de buikstreek, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en daarbij die [slachtoffer 1] in zijn hand/arm heeft geraakt, omdat die [slachtoffer 1] zich afweerde met zijn handen/armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 15 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermalen) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van de buikstreek, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en daarbij die [slachtoffer 2] in zijn hand/arm heeft geraakt, omdat die [slachtoffer 2] zich afweerde met zijn handen/armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat feiten 1 en 2 niet bewezen kunnen worden verklaard en dat verdachte dus daarvan integraal moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 1 is opgemerkt dat verdachte pertinent betwist dat hij aangever [slachtoffer 1] heeft geraakt met het mes. Dat het letsel is toegebracht met het mes kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. Het letsel zou evengoed kunnen zijn ontstaan door het glas dat door aangever is kapot gegooid.
Voor wat betreft feit 2 is opgemerkt dat verdachte niet de intentie had om aangever [slachtoffer 2] te verwonden. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] onbedoeld heeft geraakt tijdens het maken van afwerende gebaren. Niet vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een gerichte en bewuste aanval op de buikstreek van aangever.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feiten 1 en 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2026, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 15 maart 2026 omstreeks 13.50 uur bevond ik mij in de boot van het COA te Groningen. Ik ging vervolgens voor het washok op de kade staan. Ik zag dat die Somalische man het washok uitliep. Ik hoorde dat hij op agressieve toon sprak, ik denk dat hij het tegen mij had. Ik reageerde niet, maar ik zag dat hij vlak voor mij ging staan op ongeveer twintig centimeter afstand. Ik zag opeens dat hij een mes uit zijn broeksband haalde. Ik zag dat hij met het mes een stekende beweging maakte richting mijn buik. In een reflex weerde ik het mes af door de man een duw te geven. Ik zag dat de man het mes op de grond liet vallen tussen ons in. Ik zag dat de man het mes snel weer oppakte en opnieuw een steekbeweging richting mijn buik maakte. In een reflex probeerde ik het mes af te weren met mijn linkerhand. Ik voelde plots een scherpe pijn en ik zag dat het mes in mijn linkerhand terechtkwam tussen mijn duim en wijsvinger. Ik zag dat mijn hand begon te bloeden en ik voelde het warme bloed over mijn hand sijpelen. Ik zag dat de man zich vervolgens op mijn vriend, [slachtoffer 1] , richtte. Ik zag dat hij richting [slachtoffer 1] liep, met het mes in zijn hand. Ik heb veel pijn aan mijn linkerhand en het bloedde heel erg. Ik moet zo naar het ziekenhuis om het te laten hechten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2026, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026067467/2026067493 d.d. 21 april 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 15 maart 2026 omstreeks 13.30 uur zat ik in de grote zaal van de boot en ik zag dat de verdachte op de kade naast het schip stond. Ik zag dat de verdachte samen met [slachtoffer 2] en twee COA-medewerkers stond te praten. Ik zag dat de verdachte in zijn linkerhand een mes vasthield. Ik kan het mes als een groot keukenmes omschrijven, ongeveer 20 centimeter lang, ik vermoed dat het een vleesmes betrof. Ik zag dat de verdachte [slachtoffer 2] driemaal stak met een mes. Ik zag dat [slachtoffer 2] door de verdachte met een mes in beide handen werd gestoken. Ik zag dat de verdachte ook nog in de richting van de buik van [slachtoffer 2] stak, maar voor zover ik begrepen heb is hij daar niet verwond geraakt. Ik heb meteen bloed op de handen van [slachtoffer 2] gezien, ik zag namelijk een vloeistof rood van kleur op de linkerhand van [slachtoffer 2] . Ik stond bij de beveiliging in de hal en ik zag dat de verdachte via de loopplank de boot binnen kwam lopen. Ik zag dat de verdachte het mes nog steeds in zijn linkerhand vasthield en dat hij op een agressieve manier op mij af kwam lopen. Ik zag dat de beveiligers die in mijn nabijheid stonden ook bang waren maar ik zag ook dat zij een stap naar voren deden om mij te beschermen. Ik zag dat de verdachte verder op mij in kwam lopen met nog steeds het mes in zijn linkerhand. Ik zag dat de verdachte eenmaal een steekbeweging onderhands in de richting van mijn buik maakte en ik zag dat de verdachte een steekbeweging bovenhands in de richting van mijn bovenlichaam maakte. Ik probeerde mij af te weren met mijn handen voor mijn eigen veiligheid door het mes. Ik had meteen door dat ik gestoken was omdat ik een stekende pijn in mijn linkerhand voelde. Ik zag dat er
bloed uit een wond in mijn hand stroomde. Ik heb een wond in mijn hand die in het ziekenhuis gehecht moet worden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 maart 2026, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Op 15 maart 2026 was ik aan het werk aan de [adres 2] in Groningen. Omstreeks 13:30 uur was ik op de boot en zag dat de dader opgefokt rond liep. Ik had hem aangesproken en met hem mee naar buiten gelopen. Hij vertelde dat er vanochtend een incident was gebeurd en dat hij ze wel een poepie wilde laten ruiken. Mijn collega was ondertussen met de andere partij in gesprek. Zij stonden bij de blauwe container ongeveer 20 meter verderop. Ik zag dat de dader naar de lange man liep en hem een paar keer duwde. Hij bleef ook schreeuwen naar de man. Ik zag dat de lange man niet op ruzie uit was maar was er op een gegeven moment er wel klaar mee en begon terug te duwen. Ik zag dat de dader begon te schoppen en te slaan en dat de lange man terug begon te schoppen en te slaan, puur om af te weren. Ik zag dat de dader vervolgens een mes trok. Ik zag dat hij achter de lange man aan rende. Ze rende een paar rondjes op de kade. Ik zag dat de dader stekende bewegingen maakte. De afstand tussen hen was ongeveer een meter.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 maart 2026, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Op 15 maart 2026 was ik werkzaam als beveiliger op locatie [adres 2] op de COA 'boot'. Ik wilde naar buiten lopen samen met een toezichthouder. Op datzelfde moment zag ik [slachtoffer 1] op de overloop van de loopplank staan. Ik zag op datzelfde moment [verdachte] mijn kant op lopen. Ondertussen stond ik naast [slachtoffer 1] . Ik zag dat [verdachte] een mes vasthield en zwaaiende bewegingen maakte. Ik zag dat het lemmet ongeveer 15 a 20 centimeter was. Ik zag [verdachte] aan komen lopen. Ik zag dat [verdachte] zwaaiende en stekende bewegingen maakte naar mij en [slachtoffer 1] . Ik zag [slachtoffer 1] zichzelf probeerde te beschermen. Ik zag dat hij dit deed doormiddel van zijn beide armen uit te steken naar [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met zijn mes [slachtoffer 1] raakte. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 1] raakte ter hoogte van zijn rechterbovenhand. Ik weet niet zeker of dat zijn rechterhand was. Ik zag dit letsel werd toegebracht door middel van zwaaiende bewegingen. Ik zag en hoorde dat [slachtoffer 1] gelijk begon te schreeuwen.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt vast dat het door de raadsman geschetste scenario, inhoudende dat het letsel van aangever [slachtoffer 1] ook zou kunnen zijn veroorzaakt door glasscherven, wordt weerlegd door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Op basis van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige 2] kan worden vastgesteld dat de wond bij aangever is toegebracht door zwaaiende bewegingen met het mes.
Bewijsoverweging ten aanzien van feiten 1 en 2
De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij beide aangevers. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte beide keren op korte afstand van de aangevers met een groot mes meermaals ongecontroleerd in de richting van hun borst- en/of buikstreek heeft uitgehaald. Door de afwerende reacties van beide aangevers werden zij allebei in de hand geraakt, met letsel als gevolg.
Deze gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte telkens de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Dat uiteindelijk geen zwaar letsel is ingetreden is niet te danken aan verdachte, maar meer een kwestie van geluk aan de zijde van beide aangevers.
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 15 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een
mes in de richting van de buikstreek, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en daarbij die [slachtoffer 1] in zijn hand heeft geraakt, omdat die [slachtoffer 1] zich afweerde met zijn handen/armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 15 maart 2026 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes in de richting van de buikstreek, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 2] heeft gestoken en daarbij die [slachtoffer 2] in zijn hand heeft geraakt, omdat die [slachtoffer 2] zich afweerde met zijn handen/armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
Ten aanzien van feit 2:
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen noodweersituatie is geweest, derhalve geen noodweer (-exces) en dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, indien feit 2 bewezen wordt verklaard, er sprake is van noodweer(exces) en hij heeft daarom verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Verdachte zag zich gesteld tegenover (een groep van) ten minste vijf mannen die zelf geweld hebben gebruikt, daarmee zijn begonnen, de ruzie volstrekt nodeloos hebben gezocht en in verschillende stadia agressief en offensief zijn geweest. Dat verdachte in die overmacht en agressieve consternatie zichzelf verdedigt, is alleszins gerechtvaardigd. Als verdachte daarbij door de stress, angst en overmacht de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan is dat het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige
gemoedstoestand die door de aanranding van aangever [slachtoffer 2] en diens groep is veroorzaakt.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het beroep op noodweer (-exces) zoals dat door de raadsman is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden die tot een noodweersituatie zouden nopen, niet aannemelijk acht. De afgelegde getuigenverklaringen en de in het dossier aanwezige beelden bieden geen steun voor het door de verdediging naar voren gebrachte noodweerscenario.
Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt dat verdachte degene is naar [slachtoffer 2] toeloopt, terwijl verdachte daarbij ook handgebaren maakt.. Vervolgens ontstaat een handgemeen tussen beiden en worden over en weer schoppende bewegingen gemaakt, waarna verdachte plotseling het mes tevoorschijn haalt en daarmee naar [slachtoffer 2] uithaalt. Wanneer [slachtoffer 2] achteruit loopt en zichzelf probeert te verweren, achtervolgt verdachte hem en blijft verdachte met het mes uithalen in de richting van [slachtoffer 2] .
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever [slachtoffer 2] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Verdachte heeft zelf de confrontatie met [slachtoffer 2] gezocht en daarmee een reactie van hem uitgelokt. De gedragingen van verdachte kunnen niet als verdedigend worden aangemerkt maar zijn in de kern aanvallend van aard.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer (-exces) reeds daarom niet slaagt.
Hetverweer wordt daarom verworpen.
De rechtbank acht verdachte naast feit 1 ook voor feit 2 strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring (van een of meer feiten) komt, voor het opleggen van gevangenisstraf gelijk aan de periode van het voorarrest met een daarbij passende taakstraf. Een gevangenisstraf van langere duur is niet passend, gelet op de aanloop van het gebeuren, de rol en houding die aangevers hebben gespeeld en het feit dat de verwonding bij aangever aan zijn duim relatief licht is te noemen. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed aan alle voorwaarden gehouden en verblijft hij nu rustig op een nieuwe locatie.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie uit Frankrijk van 12 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich tot twee keer toe schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door twee medebewoners van de asielboot waar verdachte verbleef met een mes te verwonden. De slachtoffers zijn tijdens het afweren van de messteken beide in een hand geraakt. Bij één van de slachtoffers heeft dit geresulteerd in een diepe snijwond in zijn duim die moest worden gehecht. Verdachte heeft met zijn gedragingen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Er zijn veel omstanders zowel bewoners als medewerkers getuige geweest van de door verdachte verrichte geweldshandelingen. De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.
Persoon van verdachte
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij op 13 december 2022 in Frankrijk al eens onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het “veroorzaken van kleinere lichamelijke letsel” tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en een verbod om drie jaren wapens te bezitten of te dragen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 16 juni 2026. Daaruit volgt dat geen inschatting van de risicos op recidive of letsel kan worden gemaakt, doordat verdachte ontkent strafbaar te hebben gehandeld. Situationele angst en gebrekkige copingvaardigheden speelden mogelijk een rol in het delictgedrag. Verdachtes leefsituatie, in een asielzoekerscentrum zonder duidelijkheid over mogelijkheden tot verblijf in Nederland, tussen mensen die eveneens in afwachting zijn van hun asielprocedure, is in algemene zin een risicoverhogende situatie, evenals het gebrek aan dagbesteding en inkomen. Het heeft hem vanaf jonge leeftijd ontbroken aan stabiliteit, veiligheid en sturing door een volwassene. In Frankrijk lijkt verdachte enige tijd stabiliteit te hebben gekend, waaraan een veroordeling
voor eveneens een steekincident een einde maakte. Een beschermende factor lijkt zijn houding te zijn: gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte met de reclassering in goed contact gebleven en is hij afspraken nagekomen.
Er worden geen mogelijkheden gezien om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Deze zijn praktisch niet in te zetten en lastig tot niet uitvoerbaar. Verdachte heeft een voorlopige beslissing ontvangen van de IND met als voornemen hem geen asiel te verlenen. Tevens is hij de Nederlandse taal niet machtig, waardoor een interventie in het Engels of met een tolk zou moeten plaatsvinden. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Er worden geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een gevangenisstraf.
Motivering oplegging van de strafsoort en -duur
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het oriëntatiepunt van het LOVS voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) gaat per feit uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden bij een voltooid delict. Voor een poging geldt als uitgangspunt tweederde van deze straf.
Gelet op het bovenstaande en de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat slechts de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur is aangewezen. Daarbij wordt meegewogen dat sprake is van recidive op het gebied van een geweldsmisdrijf waarbij een wapen is gebruikt, waarvoor eerder een vrijheidsbenemende straf is opgelegd. Daarnaast heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeft hij onterecht de schuld op anderen afgeschoven. De rechtbank vindt de eis van de officier van justitie daarom passend en ziet geen reden om daarvan af te wijken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
Inbeslaggenomen goed
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen mes verbeurd wordt verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft voor wat betreft het beslag geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het inbeslaggenomen mes (goednummer: BZBA7703) vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dat voorwerp toebehoort aan verdachte, terwijl met dat mes de feiten 1 en 2 zijn begaan.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 2:
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.750,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, wegens eigen schuld en/of medeschuld aan de zijde van benadeelde. Benadeelde heeft in belangrijke mate met zijn groep het incident veroorzaakt, zelf nodeloos agressie en geweld gebruikt en het letsel zelf veroorzaakt door verdachte aan te vallen die zich vervolgens met een mes heeft afgeweerd.
Subsidiair heeft de raadsman gesteld, als verdachte aansprakelijk is, dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade substantieel moet worden gematigd, mede vanwege het voorgaande. Bovendien is het gevraagde smartengeld onevenredig hoog, omdat er geen beperking is van de functie van de duim en enkel sprake is van hinder door de wond veroorzaakt.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Het gevorderde schadebedrag is goed onderbouwd, in die zin dat voor de hoogte daarvan aansluiting is gezocht bij vergelijkbare uitspraken en het smartengeldbedrag genoemd binnen de bandbreedte (in de categorie 5.11 (i) gering letsel aan de hand, vinger of duim tot 3.000,-) van de Rotterdamse Schaal. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 maart 2026. Van eigen schuld bij het slachtoffer is geen sprake. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor is overwogen bij de verwerping van het beroep op noodweer.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen mes (goednummer: BZBA7703).
Ten aanzien van feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.750,- (zegge: duizend zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 augustus 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.