RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1401
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college
(gemachtigde: H. Mulder-Kikkert).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (de moeder)
(gemachtigde: mr. K.J. Kanning).
1. Deze uitspraak gaat over de inschrijving van de minderjarige zoon van eiser en de moeder (de ouders) in de Basisregistratie Personen (BRP). De ouders zijn gescheiden en de zoon verblijft feitelijk evenveel tijd bij beide ouders. Nadat eiser een adreswijziging had doorgegeven, is de zoon kort op zijn adres ingeschreven geweest. Vervolgens heeft het college de zoon weer ingeschreven op het adres van de moeder. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat het college hem ten onrechte niet vooraf heeft gehoord, dat het college ten onrechte het criterium van co-ouderschap hanteert en dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt toe te lichten. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de zoon opnieuw op het adres van de moeder heeft mogen inschrijven.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de zoon opnieuw op het adres van de moeder heeft mogen inschrijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De ouders van de minderjarige zoon zijn gescheiden. Na de scheiding stonden beide kinderen vanaf 1 november 2023 ingeschreven op het adres van de moeder.
Op 28 juni 2024 heeft eiser aangifte gedaan van een adreswijziging, waarbij het college de zoon heeft ingeschreven op het adres van eiser.
Op 16 juli 2024 heeft de moeder aangifte gedaan van een adreswijziging. Het college heeft daarna met het primaire besluit van 24 juli 2024 de zoon opnieuw op het adres van de moeder ingeschreven.
Met het bestreden besluit van 3 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de inschrijving van de zoon op het adres van de moeder ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De moeder heeft als derde-belanghebbende ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser vergezeld door zijn partner, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, de moeder vergezeld door haar partner en de gemachtigde van de moeder.
Beoordeling door de rechtbank
Mocht het college de zoon opnieuw op het adres van de moeder inschrijven?
3. Eiser voert aan dat het college ten onrechte heeft besloten de zoon opnieuw op het adres van de moeder in te schrijven. Volgens eiser was hem toegezegd dat eerst een gesprek met beide ouders zou plaatsvinden indien de moeder bezwaar zou maken tegen de door hem doorgegeven adreswijziging. Dat gesprek heeft niet plaatsgevonden. Hierdoor heeft hij niet de gelegenheid gekregen zijn standpunt toe te lichten. Verder stelt eiser dat het college ten onrechte het criterium van co-ouderschap hanteert. Ten slotte voert eiser aan dat hij zich onvoldoende gehoord voelt.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 2.39, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) aangifte van een adreswijziging wordt gedaan bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het nieuwe adres is gelegen. Voor minderjarigen jonger dan zestien jaar rust deze verplichting op grond van artikel 2.48, aanhef en onder a, van de Wet BRP op de ouders. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat beide ouders zelfstandig bevoegd zijn aangifte van een adreswijziging van een minderjarig kind te doen en dat daarvoor geen toestemming van de andere ouder is vereist.
Niet in geschil is dat de zoon feitelijk evenveel tijd bij eiser als bij de moeder verblijft. Beide ouders hebben dit tegenover medewerkers van Burgerzaken verklaard en dit is ook tijdens de bezwaarprocedure en ter zitting bevestigd. Daarmee staat vast dat de zoon niet overwegend bij één van beide ouders verblijft.
De rechtbank is van oordeel dat de inschrijving van de zoon op het adres van de moeder niet in strijd is met de Wet BRP. Dat de zoon evenveel tijd bij beide ouders verblijft, brengt niet mee dat hij niet bij één van beide ouders kan worden ingeschreven. Nu ook de moeder bevoegd was om aangifte van adreswijziging te doen, heeft het college de aangifte van de moeder in behandeling mogen nemen.
Het college heeft naar aanleiding van de aangifte van de moeder onderzocht wat de feitelijke verblijfssituatie van de zoon was. Daarbij is vastgesteld dat de zoon feitelijk in gelijke mate bij beide ouders verblijft. Vervolgens heeft het college ervoor gekozen de zoon opnieuw in te schrijven op het adres van de moeder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de gegeven omstandigheden tot die keuze kunnen komen. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de zoon sinds de scheiding op het adres van de moeder stond ingeschreven en dat de feitelijke verblijfssituatie sinds de eerdere adreswijziging niet was gewijzigd.
De rechtbank begrijpt dat eiser het onbevredigend vindt dat de inschrijving van de zoon in korte tijd is gewijzigd. Dat maakt het bestreden besluit echter niet onrechtmatig. Zoals in r.o. 3.1 al is overwogen, bepaalt de Wet BRP dat beide ouders zelfstandig bevoegd zijn om voor een minderjarig kind aangifte van een adreswijziging te doen. Dat kan ertoe leiden dat in een korte periode meerdere aangiften worden gedaan. De enkele omstandigheid dat de zoon daardoor snel afwisselend op beide adressen ingeschreven heeft gestaan, betekent niet dat het college de aangifte van de moeder niet mocht verwerken.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hem was toegezegd dat voorafgaand aan een besluit een gesprek met beide ouders zou plaatsvinden, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier en de toelichting van het college ter zitting volgt dat is geprobeerd een gezamenlijk gesprek te organiseren, maar dat dit niet tot stand is gekomen. Vervolgens zijn beide ouders in de bezwaarprocedure afzonderlijk gehoord en heeft eiser zowel tijdens de hoorzitting als in beroep en ter zitting zijn standpunt kunnen toelichten. Voor zover al sprake is geweest van een onzorgvuldigheid in de primaire fase, is die daarmee in bezwaar hersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.
Ook het betoog dat het college het criterium van co-ouderschap hanteert, slaagt niet. Het college heeft toegelicht dat niet het bestaan van een co-ouderschapsregeling, maar uitsluitend de feitelijke verblijfssituatie bepalend is voor de inschrijving in de BRP. De rechtbank ziet geen aanleiding aan die toelichting te twijfelen.
Voor zover eiser zich beroept op afspraken die de ouders onderling hebben gemaakt over de toekomstige inschrijving van de kinderen, overweegt de rechtbank dat dergelijke afspraken niet bepalend zijn voor de inschrijving in de BRP. De Wet BRP schrijft voor dat de inschrijving plaatsvindt aan de hand van de feitelijke verblijfssituatie. Geschillen over de nakoming van afspraken uit het ouderschapsplan of over de hoofdverblijfplaats van de kinderen behoren tot het civiele recht en vallen buiten de omvang van dit geding.
Voor zover de gemachtigde van de moeder heeft verzocht te bepalen dat toekomstige adreswijzigingen van de zoon uitsluitend met schriftelijke toestemming van beide ouders kunnen plaatsvinden, overweegt de rechtbank dat een dergelijke beslissing buiten de omvang van dit geding valt. De rechtbank zal daarom niet op het verzoek ingaan.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet basisregistratie personen (Wet BRP)