ECLI:NL:RBNNE:2026:3790

ECLI:NL:RBNNE:2026:3790

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 18-218000-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Verdachte heeft in zijn eigen woning bio-ethanol uitgegoten en zijn bank in brand gestoken. Hierdoor is gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en bovendien levensgevaar voor zijn medebewoners ontstaan. Gelet op zijn problematiek wordt verdachte veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest en (opnieuw) tbs met dwangverpleging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-218000-25

1. september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 31 maart 2026, 28 mei 2026 en 18 augustus 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Ter Apel in een woning, te weten [adres] , althans in een pand, opzettelijk brand heeft gesticht, door op een of meer plekken in de woning/het pand, open vuur in aanraking te brengen met (bio-)olie, althans een brandbare en/of vluchtige stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat geen sprake was van (levens)gevaar voor personen en heeft zich voor het overige ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

d.d. 23 juli 2025, inhoudend het relaas van verbalisant;

3. een deskundigenrapport met bijlage afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.07.18.096, d.d. 12 augustus 2025 opgemaakt door ing. LJ.C. Peschier, op de door zijn/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 1 (digitaal) e.v. van het aanvullende proces-verbaal bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van de deskundige;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek d.d. 13 augustus 2025, opgenomen op pagina 13 (digitaal) e.v. van het aanvullende proces-verbaal bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt overweegt de rechtbank dat het levensgevaar voor personen evident blijkt uit het feit dat er ongeveer 80 bewoners, voornamelijk personen op leeftijd, uit het wooncomplex zijn geëvacueerd en dat er in ieder geval een medebewoner rook heeft ingeademd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 16 juli 2025 te Ter Apel in een woning, te weten [adres] , opzettelijk brand heeft gesticht, door op een plek in de woning, open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten

- omliggende woningen en panden, en

- in de woning en de omliggende woningen en panden aanwezige goederen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van het wooncomplex waar ook [adres] deel van uitmaakt, te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tijdens de terechtzitting van 31 maart 2026 gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ongemaximeerde maatregel terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege (dwangverpleging) wordt opgelegd. Ook heeft de officier van justitie verzocht om de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM), zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr), op te leggen.

Op de terechtzitting van 18 augustus 2026 heeft de officier van justitie de eis in zoverre bijgesteld dat verdachte veroordeeld dient te worden tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op de terechtzitting van 31 maart 2026 gepleit dat aan verdachte een tbs met voorwaarden opgelegd dient te worden. Op de terechtzitting van 18 augustus 2026 heeft zij geen nadere standpunten aangevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de Pro Justitia rapportages, opgesteld op 14 januari 2026 en ondertekend op 19 januari 2026 door V. Rama, psychiater en opgesteld en ondertekend op 8 januari 2026 door B.H. Boer, klinisch psycholoog, de rapportages van de reclassering van 25 februari 2026 en 14 juli 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft in zijn eigen woning bio-ethanol uitgegoten en zijn bank in brand gestoken. Hierdoor is gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en bovendien levensgevaar voor zijn medebewoners ontstaan. Dit blijkt onder meer uit het feit dat ongeveer 80 medebewoners geëvacueerd zijn en dat een medebewoner rook heeft ingeademd. Een brand kan zich snel uitbreiden, grote vormen aannemen en daardoor een onbeheersbaar karakter krijgen. Dat de woning van verdachte niet volledig is uitgebrand, dat de omliggende woningen niet daadwerkelijk vlam hebben gevat en dat er geen doden of (ernstig) gewonden zijn gevallen is niet aan verdachte toe te schrijven, maar aan het snel en adequaat ingrijpen van de politie en de brandweer.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 april 2026, waaruit blijkt dat aan verdachte in 1995 wegens brandstichting onder meer een tbs met dwangverpleging is opgelegd. Deze behandeling is aangevangen in 1996 en heeft in totaal 12 jaar geduurd.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de Pro Justitia rapportages van 19 januari 2026 en 8 januari 2026. Deze rapportages houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis, waaronder een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Verdachte werd hierdoor enigszins beïnvloed en het advies is daarom om het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met de conclusies van de psychiater en psycholoog verenigen en neemt deze over, en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gevangenisstraf

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van die straf heeft zij rekening gehouden met straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde

mate kan worden toegerekend. Alles overwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Oplegging van de tbs-maatregel

Zoals is gebleken uit de hiervoor besproken Pro Justitia rapportages van de psychiater en de psycholoog, bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Beide deskundigen concluderen dat zonder behandeling van de stoornissen sprake is van een matige tot hoge kans op herhaling. Gelet op de langdurige ernstige middelenverslaving en persoonlijkheids-problematiek wordt een langdurige klinische behandeling binnen een forensische setting geadviseerd. Verdachte kan mogelijk nog profiteren van de verschillende behandelingen binnen een stevig gedwongen kader. Geconcludeerd wordt dat oplegging van een tbs met dwangverpleging de meest passende maatregel is waarbinnen verdachte klinische behandeling kan ondergaan. Een gesloten en gecontroleerde omgeving zijn noodzakelijk en er wordt bovendien een zeer hoog beveiligingsniveau geadviseerd.

Een tbs met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht, omdat verdachte in de afgelopen jaren zeer ambivalent is gebleken in zijn behandelmotivatie en afspraken onvoldoende nakomt. Buiten een tbs met dwangverpleging is het nooit tot behandeling gekomen en tijdens zijn vorige behandeling wist verdachte herhaaldelijk alcoholcontroles te omzeilen, terwijl dit een risicofactor is die de kans op recidive verhoogt. De kans op recidive kan daarom tijdens een tbs met voorwaarden onvoldoende worden ingeperkt.

De reclassering heeft in haar rapport van 25 februari 2026 aangegeven dat verdachte eerder verschillende hulpverleningstrajecten heeft doorlopen, waarin opvalt dat verdachte aangeboden behandeling vaak afwees, behandeling voortijdig staakte, adviezen niet opvolgde en niet open en eerlijk was. Eerdere behandelingen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. In het aanvullende rapport van 14 juli 2026 heeft de reclassering aangegeven dat binnen het kader van een tbs met voorwaarden het recidivegevaar naar verwachting niet afdoende kan worden afgewend en verdachte zich onvoldoende zal kunnen conformeren aan de voorwaarden. Er wordt daarom negatief geadviseerd omtrent een tbs met voorwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat enkel de maatregel van tbs het vereiste kader biedt waarbinnen verdachte (langdurig) klinisch zal kunnen worden behandeld, terwijl tegelijkertijd ook de bescherming en beveiliging van de maatschappij voldoende gewaarborgd is. Verder is de rechtbank van oordeel dat verdachte onvoldoende in staat is om zich aan voorwaarden te houden, wat onder meer blijkt uit het feit dat hij na een eerder aan hem opgelegde tbs met dwangverpleging is gerecidiveerd en zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan brandstichting. De rechtbank is van oordeel dat een tbs met voorwaarden de samenleving onvoldoende bescherming biedt, wat maakt dat een tbs met dwangverpleging de enige passende maatregel is. De rechtbank zal daarom ook overgaan tot de oplegging daarvan.

De rechtbank stelt daartoe vast dat voldaan is aan de formele vereisten voor oplegging van de tbs met dwangverpleging. Uit de Pro Justitia rapportages volgt dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit sprake was van een stoornis van de geestvermogens. Voorts betreft het bewezen verklaarde feit een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is ook van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden

verpleegd omdat de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

De tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een GVM disproportioneel is, mede gelet op de gebrekkige onderbouwing hiervan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. O.J. Bosker
  • mr. H. van der Werff
  • mr. S. Zwarts

Griffier

  • mr. J. van der Wiel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand