[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 te Leeuwarden, wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 28 juli 2026. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zittingen van 15 april 2025 en 2 september 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. van Kammen, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
A)
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2019 tot en met 4 juni 2019, althans in 2019, te Leeuwarden en/of Utrecht en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
valselijk heeft/hebben opgemaakt of doen/laten opmaken,
immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid op/in dat/die geschrift weergegeven of doen/laten weergeven
-dat [medeverdachte] vanaf 1 november 2018 (full time en/of gemiddeld (ongeveer) 40 uren per week) werkzaam was voor [bedrijf 1] B.V. als administratief medewerker, en/of (daar) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en/of aangesteld was in vaste dienst, en/of dat [medeverdachte] een bruto jaarsalaris van 33.939 en/of met 2715,12 vakantietoeslag en/of 2828,25 eindejaarsuitkering genoot, en/of
terwijl in werkelijkheid dat dienstverband (in ieder geval) per 31 mei 2019 werd/was beëindigd, en/of (aldus) dat/die geschrift(en) (deels) fictief of onjuist opgemaakt of doen/laten opmaken, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
EN/OF
B)
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2019 tot en met 4 juni 2019, althans in 2019, te Leeuwarden en/of Utrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse geschriften, althans een vals geschrift, die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/die echt en onvervalst, te weten:
bestaande die valsheid hierin dat (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat/die geschrift(en) was weergegeven
-dat [medeverdachte] vanaf 1 november 2018 (full time en/of gemiddeld (ongeveer) 40 uren per week) werkzaam was voor [bedrijf 1] B.V. als administratief medewerker, en/of (daar) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en/of aangesteld was in vaste dienst, en/of dat [medeverdachte] een bruto jaarsalaris van 33.939 en/of met 2715,12 vakantietoeslag en/of 2828,25 eindejaarsuitkering genoot, en/of
[medeverdachte] met ingang van 1 augustus 2019 zou worden verhoogd met bruto 200 per maand tot 3028,25, en/of
- dat/die geschrift(en) was/waren ondertekend namens [bedrijf 1] B.V.,
terwijl in werkelijkheid dat dienstverband (in ieder geval) per 31 mei 2019 werd/was beëindigd, en/of (aldus) dat/die geschrift(en) (deels) fictief of onjuist was/waren opgemaakt,
en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een of meer van die geschrift(en), al dan niet via een tussenpersoon, heeft/hebben doen toekomen aan het bedrijf De Volksbank N.V., en/of (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 2] , in verband met een hypotheekaanvraag,
dan wel opzettelijk zodanig geschrift(en) heeft afgeleverd of voorhanden gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van de tijd die verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) in verzekering heeft doorgebracht. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Medeverdachte [medeverdachte] , tevens de zoon van [verdachte] , heeft voor het aanvragen van een hypotheek voor zijn woning meerdere stukken overgelegd aan de Volksbank1, waaronder een werkgeversverklaring daterend van 1 mei 2019 inhoudende dat hij vanaf 1 november 2018 voor onbepaalde tijd in dienst bij het bedrijf van zijn vader ( [bedrijf 1] B.V.) zou zijn en daarnaast een brief daterend van 25 april 2019 waaruit volgde dat zijn salaris met ingang van 1 augustus 2019 zou worden verhoogd.
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van een fictieve arbeidsovereenkomst tussen [medeverdachte] en [bedrijf 1] B.V., van welke vennootschap [verdachte] directeur is, waardoor voornoemde overgelegde stukken vals zijn. Dit zou onder andere blijken uit de verklaring van [verdachte] bij de politie dat [medeverdachte] tegen hem zou hebben gezegd dat “hij even op de loonlijst moest en dat het niet klopte”. Daarbij voerde [medeverdachte] dezelfde werkzaamheden uit voor [bedrijf 1] B.V. als voor [bedrijf 3]2, een vennootschap onder firma waarvan [medeverdachte] vennoot is. Ook heeft de heer [boekhouder] , die destijds de boekhouder was van beide bedrijven, verklaard dat hij de werkgeversverklaring van 1 mei 2019 niet heeft opgesteld omdat in dat geval zijn naam en een stempel er wel onder hadden gestaan. Tevens is gebleken dat er loon werd betaald aan
[medeverdachte] vanuit de privérekening van [verdachte] , in plaats van de bankrekening van [bedrijf 1] B.V., en dat de loonbetalingen op ongebruikelijke momenten plaatsvonden. Daarbij is er over zeven maanden dienstverband slechts vijf keer loon uitgekeerd aan [medeverdachte] en heeft [medeverdachte] bij de politie verklaard dat de loonsverhoging noodzakelijk was omdat hij de hypotheek anders niet rond zou krijgen.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel sprake is geweest van een dienstverband, dan heeft de officier van justitie subsidiair aangevoerd dat in elk geval de in de werkgeversverklaring opgenomen omvang van het dienstverband van [medeverdachte] bij [bedrijf 1] B.V. (te weten 40 uur per week) en de opmerking dat er geen voornemens waren het dienstverband te beëindigen vals zijn. Dit geldt ook voor de aanvulling op de werkgeversverklaring, aangezien het dienstverband tussen [medeverdachte] en [bedrijf 1] B.V. een week nadat de aanvulling werd overgelegd aan de hypotheekverstrekker is beëindigd.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de afgelegde verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte] blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tot het valselijk opmaken, dan wel doen opmaken van de werkgeversklaring en de aanvulling daarop. Het voorgaande betekent dat het medeplegen van de valsheid in geschrifte bewezen kan worden, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] zowel van het valselijk opmaken, als van het gebruiken van een vals geschrift moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [verdachte] dat er wel degelijk sprake was van een reëel dienstverband wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] en boekhouder [boekhouder] . Ook de salarisverhoging kan worden verklaard uit hetgeen [medeverdachte] en [verdachte] daarover hebben verklaard (namelijk dat die is afgesproken in verband met alimentatieverplichtingen van [medeverdachte] ). Dat er betalingen vanuit [verdachte] privé zijn gedaan en dat [verdachte] niet alle details meer even helder voor de geest heeft staan doet daaraan niet af gelet op het tijdsverloop en dat de financiële administratie van [bedrijf 1] B.V. verre van op orde was, hetgeen ook door boekhouder [boekhouder] is bevestigd.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het feit in beide varianten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit de verklaring van [medeverdachte] volgt dat hij vanaf 1 november 2018 in loondienst was bij [bedrijf 1] B.V. en dat hij daar werkzaamheden verrichte, waarbij het niet ongebruikelijk was dat deze werkzaamheden overlap vertoonden met de werkzaamheden voor [bedrijf 3] . Uit de bankafschriften blijkt dat [medeverdachte] vanaf de privérekening van [verdachte] loonbetalingen ontving en dat [verdachte] bij de eerste loonbetaling op 14 december 2019 in de omschrijving vermeldde dat het bedrag van 2.200,- bedoeld was voor de loonbetaling over de maand november 2018. In de drie maanden hierna ontving [medeverdachte] steeds een bedrag van 2.200,- vanaf de privérekening van [verdachte] . Het feit dat het loon werd betaald op ongebruikelijke momenten en niet vanaf de rekening van [bedrijf 1] B.V. doet niet af aan het gegeven dat [medeverdachte] loon ontving voor zijn werkzaamheden. Daarnaast is vast komen te staan dat deze betalingen ruimschoots voorafgaand aan de hypotheekaanvraag (en de indiening van de benodigde aanvullende documenten) hebben plaatsgevonden.
Daarbij blijkt uit een verzekeringsbericht van het UWV gedateerd 27 maart 2019 dat [medeverdachte] in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 maart 2019 werkzaam is geweest bij [bedrijf 1] B.V. voor 173 uren per maand en dat in deze periode ook premies zijn afgedragen. Ook wordt de stelling dat er géén
sprake is van een fictief dienstverband ondersteund door de verklaringen van derden en medebetrokkenen. [verdachte] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat [medeverdachte] daadwerkelijk bij zijn bedrijf heeft gewerkt, dat hij specifieke werkzaamheden heeft verricht en dat hij ook premies heeft moeten afdragen. Boekhouder [boekhouder] heeft eveneens verklaard dat [medeverdachte] een periode voor het bedrijf van [verdachte] heeft gewerkt. [naam 1] , de broer van [medeverdachte] en tevens vennoot van [bedrijf 3] , heeft verklaard bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte] bij het bedrijf werd aangenomen voor het financiële beheer en dat hij een voltijd baan had bij [bedrijf 1] B.V.
Alles in overweging genomen is niet komen vast te staan dat er sprake zou zijn van een fictief dienstverband. Ook is niet komen vast te staan dat de in de werkgeversverklaring opgenomen passage dat [medeverdachte] 40 uren per week werkzaam was voor [bedrijf 1] B.V. en de aanvulling hierop dat er geen voornemens waren het dienstverband binnenkort te beëindigen vals zijn, aangezien dit niet wordt ondersteund door enig bewijsmiddel. Het feit dat het dienstverband van hem bij [bedrijf 1] B.V. op 31 mei 2019, nog geen maand na het opstellen van de werkgeversverklaring, werd beëindigd is opvallend, maar betekent nog niet dat de werkgeversverklaring op 1 mei 2019 valselijk moet zijn opgemaakt. Voor het feit dat het dienstverband is beëindigd voordat de beloofde salarisverhoging in kon gaan geldt hetzelfde.
Het voorgaande brengt met zich dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit in beide varianten.
Benadeelde partij
De Volksbank heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.920,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vereiste machtiging ontbreekt.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de reeds bepleite vrijspraak wordt verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De vordering is op 20 februari 2025 door [naam 2] ingediend namens De Volksbank. Bij de vordering zit echter geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht, waaruit blijkt dat [naam 2] bevoegd was tot indiening van het verzoek tot schadevergoeding namens de benadeelde partij.
Bovendien acht de rechtbank het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal de vordering om deze redenen niet-ontvankelijk verklaren.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van de Volksbank niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de veroordeelde en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Tevens handelend onder de naam [bedrijf 2] .
2 Ook wel V.O.F. [verdachte] & [verdachte] .