RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/18/255170/ KG ZA 26-129
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] B.V.,
gevestigd te Veenklooster,
eisende partij,
hierna te noemen: [A] B.V.,
advocaat: mr. L. Hoekstra,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE LEEUWARDEN,
zetelende te Leeuwarden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mrs. N.A. Keus-Goldberg en M.C. Briaire.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties- de producties van de Gemeente
- de brief van de Gemeente waarin wordt verzocht om verlengde spreektijd
- de aanvullende producties van [A] B.V.
- de brief van [A] B.V. waarin wordt verzocht om verlengde spreektijd en vonnis op zeer korte termijn na de mondelinge behandeling
- de brief van de Gemeente in reactie op het mondeling verzoek van de voorzieningenrechter om een uitleg over de reden van uitplaatsing van drie jongeren op 17 april 2026- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [A] B.V.- de vermeerdering van eis- de pleitnota van de Gemeente.
Ten slot is vonnis bepaald. Ter zitting is medegedeeld dat op 23 april 2026 om 15:00 uur een verkort vonnis zal worden gewezen waarvan de uitwerking op een termijn van twee weken zal volgen. Vonnis is gewezen op 23 april 2026. Dit vormt de uitwerking van dat vonnis.
2. De feiten
[A] B.V. is een dochtervennootschap van Buitengewoon Vast Goed B.V. (hierna: Buitengewoon Vast Goed). Zij biedt sinds 2014 verschillende vormen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning op haar locatie in Veenklooster, genaamd Buitengewoon (hierna: Buitengewoon). Buitengewoon bestaat uit twee gebouwen op hetzelfde erf: een grote boerderij en een grote losstaande schuur. Van aanvang af waren de echtgenoten mevrouw [B] (hierna: [B] ) en de heer [A] (hierna: [A] ) bestuurders en aandeelhouders van Buitengewoon Vast Goed en daarmee indirect bestuurders van [A] B.V. Ook waren zij de feitelijk beheerder van Buitengewoon. Zij woonden met hun vijf minderjarige kinderen in de boerderij.
Met ingang van 1 januari 2015 zijn de Friese gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet, Wmo 2015 en de Participatiewet (sociaal domein) en de taken die daarmee annex zijn. De Friese gemeenten hebben hun samenwerking op het gebied van het sociaal domein vorm gegeven in een zogenoemde centrumgemeenteregeling, waarin de Gemeente is aangewezen als centrumgemeente. De uitvoering van de taken voortvloeiend uit de centrumgemeenteregeling wordt verzorgd door de samenwerkingsorganisatie Sociaal Domein Fryslân (hierna: SDF), die werkt voor de Friese gemeenten en die organisatorisch aangestuurd wordt door de centrumgemeente. De Gemeente heeft op grond van de centrumgemeenteregeling mandaat, volmacht en machtiging verkregen om namens de andere Friese gemeenten te mogen handelen.
In april 2021 heeft de Gemeente een Open House toelatingsprocedure aangekondigd voor de opdracht ‘Wonen in Friesland 2022’. [A] B.V. heeft ingeschreven op de woonvorm ‘Zelfstandigheidstraining’. Dit heeft geleid tot gunning.
Het bedrijf Gezinshuis Jedidja heeft ook ingeschreven op deze toelatingsprocedure en wel op de woonvorm ‘Gezinshuis Intensief’ en ook aan haar is gegund.
[A] heeft in de eerste helft van 2023 ontucht gepleegd met zijn toen 11-jarige dochter.
Op grond van de onder rov. 2.3 bedoelde gunning heeft de Gemeente in november 2023 met [A] B.V. een ‘Raamovereenkomst Wonen in Friesland 2022’ gesloten voor de duur van vier jaar met als ingangsdatum 1 januari 2024. In de raamovereenkomst, waarin de Gemeente wordt aangeduid als opdrachtgever en [A] B.V. als opdrachtnemer, is - voor zover van belang - het volgende bepaald:
Artikel 6 Ontbinding
(…)
Ontbinding moet geschieden bij aangetekende brief waarin de grond(en) voor de ontbinding door Opdrachtgever is (zijn) gemotiveerd. Van een grond voor ontbinding is in ieder geval sprake indien:
(…)
b) zich ontwikkelingen met betrekking tot de Opdracht voordoen die (zouden kunnen) leiden tot een ernstig negatief effect op de goede naam van Opdrachtgever en/of (één van) de Friese Gemeenten (zoals bijvoorbeeld indien Opdrachtnemer zich schuldig zou maken aan discriminatie);
(…)
Onverminderd het overige in de Raamovereenkomst bepaalde, heeft Opdrachtgever het recht
om, zonder nadere ingebrekestelling en zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst, de
Raamovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden, indien:
(…)
g) gedurende de looptijd van de Raamovereenkomst één van de in het Uniform Europees
Aanbestedingsdocument verplichte uitsluitingsgronden en/of één van de daarin
aangekruiste facultatieve uitsluitingsgronden alsnog van toepassing wordt op
Opdrachtnemer;
h) Opdrachtnemer (anderszins) niet langer bereid of in staat moet worden geacht de
verplichtingen uit de Raamovereenkomst na te komen;
(…)
Artikel 7 Exitprocedure
In alle gevallen dat de Raamovereenkomst eindigt zal de exitprocedure worden gevolgd.
Ook met het bedrijf Gezinshuis Jedidja dat inmiddels was voortgezet als besloten vennootschap (hierna: Rivka-Zorg), heeft de Gemeente een ‘Raamovereenkomst Wonen in Friesland 2022’ gesloten. De zorg die onder deze raamovereenkomst werd geboden, te weten de woonvorm Gezinshuis Intensief, werd door [A] B.V. geboden in Buitengewoon op grond van een onderaannemingsovereenkomst met Rivka-Zorg.
In april 2024 heeft [A] B.V. ingeschreven op de door de Gemeente opengestelde Open House toelatingsprocedure voor de opdracht 'Specialistische Jeugdhulp in Friesland 2023 e.v.' [A] B.V. heeft ingeschreven op de profielen I (logeren) en J (vervoer). Dit heeft ook geleid tot gunning.
In het voorjaar van 2024 heeft zich in Buitengewoon een incident voorgedaan tussen twee jongens die daar in zorg waren, waarbij sprake was van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Op grond van de onder rov. 2.8 bedoelde gunning heeft de Gemeente in juni 2024 een ‘Raamovereenkomst Specialistische Jeugdhulp in Friesland’ gesloten met [A] B.V. voor de duur van 3,5 jaar met als ingangsdatum 1 juli 2024. Ook in die raamovereenkomst zijn de hiervoor geciteerde artikelen 6 en 7 over ontbinding en de exitprocedure opgenomen.
In juni 2024 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). onaangekondigd toezicht uitgevoerd bij [A] B.V. In het onderzoeksrapport van oktober 2024 wordt het volgende geconcludeerd:
De inspectie heeft tijdens het bezoek een positief beeld gekregen van Buitengewoon. Zo voldoet Buitengewoon momenteel volledig aan vijf van de tien getoetste normen. De andere vijf normen voldoen grotendeels aan de verwachtingen van de inspectie.
De inspectie heeft dan ook geen verbeterpunten geformuleerd. Wel ziet de inspectie verbeterkansen voor Buitengewoon.Verbeterkansen ziet de inspectie op de verhouding medewerkers-jeugdigen, toezicht in de nacht, scheiding gezinshuis en zelfstandigheidstraining, leren van incidenten en het aanstellen van een interne toezichthouder.
De inspectie acht Buitengewoon in staat om verantwoorde hulp te bieden en
vertrouwt erop dat Buitengewoon de door henzelf aangegeven verbetermaatregelen treft.
In april 2025 heeft de Gemeente een Open House toelatingsprocedure aangekondigd voor de opdracht ‘Intramuraal Beschermd wonen 2026 e.v.’
In juli 2025 hebben zich bij Buitengewoon in een week tijd twee incidenten voorgedaan tussen de hiervoor genoemde twee jongens en een derde jongen, die daar ook in zorg was. Zij waren destijds 9, 10 en 11 jaar. Ook dit keer ging het om seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Op 1 augustus 2025 heeft [A] B.V. ingeschreven op de toelatingsprocedure Intramuraal Beschermd wonen 2026 e.v. In het door haar ingevulde Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: UEA) heeft [A] B.V. de vragen of kon worden bevestigd dat de uitsluitingsgronden ‘ernstige beroepsfout’ en ‘valse verklaring’ niet op de onderneming van toepassing waren, beantwoord met ‘Ja’. Bij brief van 25 augustus 2025 heeft de Gemeente [A] B.V. geïnformeerd over haar voornemen om de opdracht aan [A] B.V. te gunnen en een raamovereenkomst met [A] B.V. aan te gaan.
Half september 2025 is [B] erachter gekomen dat [A] in 2023 ontucht had gepleegd met een van hun dochters. [B] heeft [A] daar vervolgens mee geconfronteerd, wat ertoe heeft geleid dat hij zichzelf heeft aangegeven bij de politie. Hij is in voorlopige hechtenis genomen en er is een strafrechtelijke procedure tegen hem gestart, waarin hij wordt aangeklaagd wegens ontucht met zijn dochter.
[B] heeft het incident op 18 september 2025 onder meer gemeld bij de Gemeente, Rivka-Zorg, Veilig Thuis en de IGJ.
Op 23 september 2025 heeft de Gemeente in het kader van de toelatingsprocedure Intramuraal Beschermd wonen 2026 e.v. een zogenoemd verificatiegesprek gevoerd met [A] B.V. in de persoon van [B] . Toen is door [B] het feit dat [A] ontucht had gepleegd met een van hun dochters niet genoemd.
Op 30 september 2025 heeft de Gemeente een bespreking gehad met [A] B.V. naar aanleiding van de melding dat [A] ontucht had gepleegd met een van zijn dochters. [B] had mevrouw [C] (hierna: [C] ) meegenomen naar het gesprek. Zij is werkzaam als orthopedagoog bij Buitengewoon. In het verslag van deze bespreking dat door de Gemeente is opgesteld, staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:
Rivka [-Zorg; toevoeging voorzieningenrechter] heeft per 30 september 2025 de samenwerking opgezegd. Wat betekent dat er nu 5 cliënten zonder contracten wonen in het gezinshuis. (…) De betrokken jeugdbeschermers zijn op de hoogte gebracht en willen dat de zorg in eerste instantie gecontinueerd wordt. Vanuit hen is een veiligheidsplan opgesteld.
De vertrouwenspersoon is ingeschakeld en zal het politie onderzoek eerst volgen. Veilig Thuis en de IGJ zijn beide geïnformeerd. De IGJ stelt een onderzoek op, en er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt waarin elke 6 weken een terugkoppeling van volgt. Daarnaast is er een veiligheidsplan opgesteld. (…)
Daarnaast zijn de jongeren geïnformeerd en zijn er gesprekken gevoerd tussen de begeleiders en cliënten. Op dit moment voelen de cliënten zich nog steeds veilig en willen zij op de locatie blijven. Er zijn geen negatieve reacties.
(…)
Met betrekking op de definitieve gunning voor BW kan op dit moment nog geen antwoord worden gegeven vanuit SDF. Vanuit SDF moet dit goed te verantwoorden zijn, daarom zal er intern eerst besproken worden hoe hiermee om te gaan.
Vanuit [B] en [C] [ [B] en [C] ; toevoeging voorzieningenrechter] wordt aangegeven dat meneer [ [A] ; toevoeging voorzieningenrechter] geen enkele taak had binnen het contract BW. Zodra hij vrijkomt, zal hij niet meer terugkomen op het terrein van (…) [A] B.V.
(…)
Hoe ziet de juridische samenwerking en achtergrond van de organisatie eruit?
Vanuit [B] wordt aangegeven dat er direct een advocaat is ingeschakeld. Dit omdat zij zich voorheen niet bezighield met de juridische zaken en zich daar nooit in verdiept heeft. Er is sprake van meerdere B.V.'s en een VOF. Daarnaast zijn er vele privézaken die op dit moment nog samengehouden worden. Denk aan de hypotheek etc.
Dit wordt allemaal uitgezocht door de advocaat en zal aangepast moeten worden. Aangegeven wordt dat meneer per direct is losgekoppeld van alle systemen en geen inzage meer heeft in de bedrijfsvoering en daarmee de cliëntgegevens.
In oktober 2025 heeft de Gemeente de Open House toelatingsprocedure voor de opdracht Wonen in Friesland 2022 opengesteld voor tussentijdse toetreding.
Op 21 oktober 2025 heeft [C] per e-mail aan mevrouw [E] , contractmanager bij SDF, bericht dat in de week daarvoor bekend was geworden dat in juli 2025 seksueel grensoverschrijdend gedrag had plaatsgevonden tussen drie jongens die bij [A] B.V. in zorg waren. [C] legde uit welke maatregelen daarop waren getroffen, en deelde mee dat de jeugdbeschermers en Rivka-Zorg waren geïnformeerd en dat een melding was gedaan bij de IGJ.
Bij e-mail van 11 november 2025 heeft mevrouw [D] (hierna: [D] ), Senior Contractmanager bij SDF, - voor zover van belang - het volgende aan [B] en [C] bericht naar aanleiding van vragen van hen over een door SDF aangekondigd onderzoek:
Allereerst zijn wij voornemens om als opdrachtgever onderzoek te verrichten naar de naleving van de vereisten zoals opgenomen in de Raamovereenkomst Wonen (artikel 18.4) en de Raamovereenkomst SJH (artikel 18.4)). (…)
Daarnaast zal de toezichthouder Wmo vanuit diens toezichthoudende taak van het college van het bezoek. Vanuit diens toezichthoudende bevoegdheid zal die ook een aantal cliënten beschermd wonen willen spreken en cliëntdossiers willen inzien.
Het doel en de focus van ons onderzoek en dat van de gemeentelijk toezichthouder Wmo verschillen van die van de IGJ en de Regiopolitie. Waar zij zich richten op respectievelijk de kwaliteit van zorg aan jeugdigen en strafrechtelijke aspecten, richt SDF zich op de contractuele naleving en richt de gemeentelijk toezichthouder Wmo zich op de kwaliteit en rechtmatigheid van beschermd wonen.
Op 14 november 2025 heeft Rivka-Zorg schriftelijk aan [A] B.V. bericht de onderaannemingsovereenkomst tussen Rivka-Zorg en [A] B.V. te ontbinden.
[A] B.V. heeft opdracht verstrekt aan het Centrum Seksualiteit MEE Noord (CSM) voor het uitvoeren van gesprekken door een onafhankelijke partij met cliënten die in zorg zijn in Buitengewoon om hen de mogelijkheid te bieden hun verhaal te doen en te onderzoeken of er sprake is geweest van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag door [A] . In het verslag van 26 november 2025 van dat onderzoek wordt geconcludeerd dat geen van de cliënten uitspraken heeft gedaan die wijzen op vermoedens van (seksueel)
grensoverschrijdend gedrag van [A] richting hen.
Op 27 november 2025 heeft [A] B.V. ingeschreven op de opnieuw opengestelde Open House toelatingsprocedure voor de opdracht Wonen in Friesland 2022 op de woonvorm Gezinshuis Intensief. De vraag in de UEA of de onderneming zich schuldig had gemaakt aan ernstige beroepsfouten is beantwoord met ‘Nee’. De UEA werd in eerste instantie enkel namens [A] B.V. ondertekend door [B] . Naar aanleiding van een verificatievraag daarover van de Gemeente heeft [A] B.V. de digitale handtekening van [A] toegevoegd aan het UEA.
Op 3 december 2025 heeft [D] per e-mail aan [B] en [C] bericht dat SDF op basis van de geldende contracten en de toekomstige contracten een onderzoek op grond van de Wet Bibob wilde uitvoeren. In reactie hierop heeft [C] bij e-mail van 4 december 2025 – voor zover van belang – het volgende aan [D] bericht:
Onlangs hebben jullie ons een locatiebezoek gebracht en uitgebreid uitgevraagd op onze processen, de contracten en de zorg. Toen gevraagd werd naar een eerste conclusie hebben jullie aangegeven dat er op dat moment geen zorgelijke signalen waren nav het locatiebezoek. Ook hebben we gevraagd wat jullie nog van ons nodig hebben. Deze documenten hebben we toegestuurd. (…) Het verbaasd ons dan ook zeer dat jullie nu ineens meteen nieuwe eis komen, namelijk een BiBob onderzoek. (…)We hebben tijdens het gesprek aangegeven dat [A] inhoudelijk niet meer betrokken is, maar dat de juridische afhandeling langer op zich laat wachten. Hiermee weten jullie dat een BiBob onderzoek nu niet uitgevoerd kan worden. Dit kan pas als hij juridisch niet meer aan Buitengewoon verbonden is.
[D] heeft deze e-mail van [C] op 9 december 2025 - voor zover van belang - als volgt beantwoord:
Zoals eerder uitgelegd voeren wij een breed onderzoek uit. Onderdeel daarvan was een bezoek aan de locatie. Dit bezoek is prettig verlopen en we danken jullie voor de medewerking tijdens dit bezoek. Het locatiebezoek heeft een goed beeld gegeven van de organisatie en we zien dat jullie mee werken aan het onderzoek. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen voeren we ook een Bibob onderzoek uit. De uitkomst hiervan kan ook van invloed zijn op de (toekomstige) gunningen en de huidige contractering zoals is aangegeven tijdens het locatiebezoek. Zodra alle onderzoeken zijn afgerond volgt een advies over de gunning Beschermd Wonen en de gunning Wonen. (…) Indien er een positieve uitkomst is van het onderzoek zal er (mogelijk) met terugwerkende kracht een contract worden aangegaan.
Vervolgens heeft [A] B.V. haar medewerking verleend aan het Bibob-onderzoek.
Bij e-mail van 5 februari 2026 heeft [D] - voor zover van belang - het volgende aan [B] bericht over de laatste ontwikkelingen in de onderzoeken:
Contractonderzoek
De afgelopen weken zijn we intensief bezig geweest om het contractonderzoek af te ronden. Daarbij zijn een aantal aandachtspunten naar voren gekomen die nadere uitwerking vereisen wat maakt dat wij nog geen terugkoppeling kunnen geven.
BIBOB onderzoek
Het Bibob onderzoek is afgerond. Hierin is geadviseerd om een landelijk onderzoek uit te laten voeren door het Landelijke Bureau Bibob (LBB). Ons advies aan het MT zal ook zijn om hierin mee te gaan, zodat het volledige proces zorgvuldig wordt doorlopen.
Pro forma zitting
Naast bovenstaande onderzoeken is de pro forma zitting van de mede bestuurder ook een belangrijk onderdeel. Voor zover mij bekend staat deze gepland voor april 2026. De uitkomst hiervan is van wezenlijk belang voor beide onderzoeken en de uiteindelijke conclusies.
De onderzoeken nemen meer tijd in beslag dan aanvankelijk verwacht. Wij zijn dan ook van mening dat op dit moment, op basis van de lopende onderzoeken en de nog te verwachten uitkomsten, nog geen besluit kan worden genomen over de inschrijvingen voor Beschermd Wonen en het Wonen-contract. Zoals u weet, zijn deze inschrijvingen in afwachting van de resultaten van de onderzoeken en daarmee zijn de inschrijvingen nog on hold gezet.
In opdracht van [A] B.V. heeft certificeringsbureau Kiwa Nederland een onderzoek uitgevoerd naar het kwaliteitssysteem van [A] B.V. om te controleren of dat voldoet aan de ISO-9001:201. In het onderzoeksrapport van februari 2026 wordt die vraag bevestigend beantwoord.
Op verzoek van SDF heeft Rivka-Zorg een verslag opgesteld, waarin zij aan SDF een nadere toelichting heeft gegeven op een aantal signalen rondom Buitengewoon en op de ontbinding van de onderaannemingsovereenkomst met [A] B.V. In dit verslag van 2 maart 2026 staat – voor zover van belang - het volgende vermeld:
Rivka-Zorg heeft het besluit genomen het samenwerkingscontract met (…) Buitengewoon (…) te beëindigen (…). Een belangrijk onderdeel in deze afweging betreft het incident rondom de gezinshuisvader en de wijze waarop dit is geduid en opgevolgd. Hoewel er na de melding snel stappen zijn gezet, heeft Rivka- Zorg zorgen over de visie van de gezinshuisouder ( [B] ; toevoeging voorzieningenrechter] op de ernst en reikwijdte van seksueel grensoverschrijdend gedrag. In de gesprekken en duiding werd het incident in belangrijke mate geplaatst in de privésfeer, los van de zorgcontext. Rivka-Zorg is van oordeel dat wanneer een incident directe impact heeft op jeugdigen die binnen de zorgsetting verblijven, dit onlosmakelijk verbonden is met de professionele verantwoordelijkheid voor veiligheid.
Daarnaast heeft Rivka-Zorg in bredere zin zorgen ervaren over het hanteren van professionele grenzen. Dit betreft zowel de scheiding tussen privé en zorgcontext, als de wijze waarop risico’s worden ingeschat en begrensd. In meerdere situaties werd door Rivka-Zorg een andere inschatting gemaakt van de ernst van signalen en de noodzaak van aanvullende veiligheidsmaatregelen dan door de gezinshuisouder en betrokken gedragswetenschapper werd gedaan.
Dit verschil in visie betrof onder andere:
o De noodzaak en inhoud van een concreet en toetsbaar veiligheidsplan;
o De borging van toezicht, met name in de avond- en nachtelijke uren;
o De passendheid van de zorgsetting bij aanhoudende agressie-incidenten;
o En de vraag wanneer een situatie als onveilig moet worden beschouwd.
In het bijzonder bij de incidenten tussen jongeren en de aanhoudende zorgen rondom [X] is
gebleken dat Rivka-Zorg en [A] [B.V.; toevoeging voorzieningenrechter] wezenlijk verschilden in de risicobeoordeling en in de urgentie van ingrijpen.
(…)
Signalen en calamiteiten
(…)
Signaal 2
Situatieschets:
Er hebben zich meerdere incidenten voorgedaan tussen drie jongeren, waarbij sprake was van vors seksueel grensoverschrijdend gedrag.
(…)
Welke stappen zijn door [A] gezet om dit voor de toekomst te voorkomen?
o Gesprekken gevoerd met betrokken jongeren.
o Toepassing van het Vlaggensysteem voor duiding van gedrag.
o Aanscherping van afspraken rondom samenzijn (op slaapkamers) en toezicht.
Rivka-Zorg heeft verzocht om een expliciet veiligheidsplan waarin toezicht overdag en in de nacht concreet werd vastgelegd. Dit plan is niet opgesteld in een vorm die voldeed aan de eisen en uitgangspunten van Rivka-Zorg als hoofdaanbieder, mede door een verschil in visie over proportionaliteit en noodzaak van toezicht. Vanuit de rapportage is ook te lezen dat handhaving van de aanscherping van afspraken rondom samenzijn (op slaapkamers) en toezicht moeilijk te handhaven zijn, waardoor de veiligheidsrisico’s groot blijven.
Is er adequaat gehandeld door [A] ?
Er zijn acties ondernomen en gesprekken gevoerd. Rivka-Zorg stelt echter vast dat de
ernst van de risico’s door [A] minder zwaar werd ingeschat dan door Rivka-Zorg. Het
uitblijven van een veiligheidsplan dat voldeed aan de eisen van de hoofdaanbieder en het
verschil van inzicht over toezicht in de nacht maken dat Rivka-Zorg het handelen niet
volledig als toereikend beschouwt vanuit haar verantwoordelijkheid voor kwaliteit en
veiligheid.
Signaal 3
(…)
Situatieschets:
Er zijn aanhoudende en grote zorgen over [X] , waarbij sprake is van fysieke agressie en dreigend gedrag. Sinds langere tijd laat hij vors heftiger gedrag zien.
(,…)
Welke stappen zijn door [A] gezet om dit voor de toekomst te voorkomen?
o Periode van 1-op-1 begeleiding.
o Gezinshuismoeder brengt [X] persoonlijk naar bed.
o In overleg met GI is ingezet op tijdelijke uitplaatsing naar een stevige setting met
direct terugwerkend perspectief. Waarbij een crisisgroep en plekken buiten de
regio als niet passend worden ervaren.
Is er adequaat gehandeld door [A] ?
Er zijn maatregelen getroffen (1-op-1 begeleiding, overleg met GI, inzet op uitplaatsing).
Rivka-Zorg acht de zorgvraag echter groter dan binnen de setting verantwoord kan worden geboden. Vanuit het perspectief van Rivka-Zorg is de veiligheid onvoldoende structureel geborgd en is uitplaatsing zo spoedig mogelijk nodig.
Bij brief van 17 maart 2026 heeft de Gemeente de met [A] B.V. gesloten raamovereenkomsten Wonen in Friesland 2022 en Specialistische Jeugdhulp in Friesland tussentijds buitengerechtelijk ontbonden. Volgens de brief is de ontbindingsbeslissing gebaseerd op de volgende gronden:
De eerste gronden zien op het van toepassing zijn van twee facultatieve uitsluitingsgronden. (…) De facultatieve uitsluitingsgronden betreffen de ernstige beroepsfout (…) en de valse verklaring (…). Een tweede ontbindingsgrond betreft artikel 6 lid 3 sub h van beide raamovereenkomsten. (…) Tot slot leiden de voorgaande ontbindingsgronden voorts tot een aanvullende grond voor ontbinding, te weten die uit hoofde van artikel 6 lid 2 sub b van beide raamovereenkomsten.
Ernstige beroepsfout
Gedragingen bestuurder
Tegen [A] , mede-aandeelhouder en bestuurder van [A] [B.V.; toevoeging voorzieningenrechter], en gezinshuisvader, bestaan ernstige verdenkingen in een strafzaak die betrekking heeft op feiten gepleegd gedurende een langere periode in 2023. De verdenkingen zien op zedenmisdrijven, meer specifiek seksuele handelingen met een minderjarige, waarbij bovendien sprake is van een bijzondere afhankelijkheids-, gezags- of vertrouwensrelatie.
(…)
De heer [A] geeft (…) leiding aan en oefent feitelijke invloed uit binnen [A] . Hij zou inmiddels zijn ontslagen als gezinshuisvader. Uit het Handelsregister volgt echter dat hij nog altijd (via Buitengewoon Vast Goed B.V.) bestuurder is van [A] . Het is aan mevrouw [A] [ [B] : toevoeging voorzieningenrechter] te wijten dat zij, maanden na bekend worden van de gedragingen van haar mede-bestuurder, geen verandering heeft gebracht in de functie van de heer [A] binnen de onderneming.
(…)
Het strafrechtelijk handelen van de heer [A] en het vervolgens nalatig handelen van mevrouw [A] maakt dat sprake is van meerdere ernstige fouten in de uitoefening van hun beroep, waardoor de integriteit van [A] in twijfel wordt getrokken, zoals bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub c Aanbestedingswet 2012.
Overige incidenten
Naast bovenstaande ernstige fout(en) is er sprake geweest van meerdere incidenten tussen jeugdigen binnen de opdracht Gezinshuis, die [A] in onderaanneming heeft uitgevoerd. Daarbij was sprake van seksueel grensoverschrijdend gedrag en zijn er langdurige en terugkerende zorgen over een jeugdige waarbij sprake was van agressie-incidenten (steken met een mes richting medewerker, vuurwerk afsteken in het pand, voorwerpen in het pand in brand steken).
Gebleken is dat ondanks voormelde ernstige gebeurtenissen er geen deugdelijk veiligheidsplan is opgesteld, waarin toezicht overdag en in de nacht concreet is vastgelegd. Dit terwijl hier uitdrukkelijk om is verzocht door de hoofdaanbieder, Rivka-Zorg. Uit onze contacten met u is voorts gebleken dat u geen maatregelen heeft genomen waarmee de veiligheid van de jeugdigen wel is geborgd. De door [A] voorgestelde maatregelen hebben betrekking op bescherming van uw positie als aandeelhouder en bestuurder. SDF stelt vast dat er bij (de bestuurders van) [A] een fundamenteel ontoereikende veiligheidsbeleving en risicoduiding bestaat.
Ook deze gebeurtenissen leiden tot de conclusie dat door de bestuurders van [A] meerdere ernstige fouten zijn gemaakt in de uitoefening van hun beroep, waardoor de integriteit van [A] in twijfel wordt getrokken, zoals bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub c Aanbestedingswet 2012.
Valse verklaring
(…)
Op 1 juli 2025 [A] een inschrijving ingediend voor de Open House toelatingsprocedure Intramuraal Beschermd wonen - 2026 e.v. (…)
[A] heeft in het UEA aangegeven dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan ernstige beroepsfouten. [A] heeft daarmee een valse verklaring afgelegd zoals bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub h Aanbestedingswet 2012. Tijdens het verificatiegesprek op 23 september 2025, in het kader van deze zelfde inkoopprocedure, heeft de bestuurder van [A] ook niets gezegd over de situatie die op dat moment al bij haar bekend [A] heeft dus zowel een valse verklaring afgelegd als wezenlijke informatie achtergehouden.
Er is dus inmiddels (ook) sprake van het van toepassing zijn van de facultatieve uitsluitingsgrond valse verklaring, als gevolg waarvan SDF op grond van artikel 6 lid 3 sub g van de raamovereenkomsten tot ontbinding overgaat.
Niet langer in staat verplichtingen na te komen
Al het voorgaande leidt naar het oordeel van SDF ook tot de conclusie dat [A] niet langer in staat moet worden geacht haar verplichtingen uit de raamovereenkomsten na te komen, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub g van beide raamovereenkomsten. Deze conclusie levert een aanvullende contractuele ontbindingsgrond op.
Goede naam Opdrachtgever
De door [A] begane ernstige beroepsfouten, zoals hiervoor in deze brief toegelicht, leiden voorts tot een aanvullende grond voor ontbinding, te weten dat sprake is van ontwikkelingen met betrekking tot de opdracht die leiden tot een ernstig negatief effect op de goede naam van
Opdrachtgever en/of (één van) de Friese Gemeenten (artikel 6 lid 2 sub b van beide raamovereenkomsten).
Aangezien de ontwikkelingen die een (zeer) negatief effect op de goede naam van Opdrachtgever en/of (één van) de Friese Gemeenten hebben, zich reeds hebben voorgedaan, is een ingebrekestelling voor deze ontbindingsgrond niet aan de orde. Ook deze grond heeft geleid tot het besluit om tot ontbinding over te gaan.
In reactie op deze brief heeft [B] – voor zover van belang – het volgende per
e-mail van 19 maart 2026 aan SDF bericht:
Daarnaast stel ik vast dat in uw brief wordt geconcludeerd dat onvoldoende maatregelen zijn
genomen om de veiligheid te waarborgen, onder andere in relatie tot een jeugdige met ernstige
agressieproblematiek. Deze conclusie lijkt mede gebaseerd op informatie van de hoofdaanbieder. Er heeft echter geen hoor en wederhoor plaatsgevonden met onze organisatie. Indien dit wel was gebeurd, had u kennis kunnen nemen van het volgende:
▪ Er is intensief en structureel contact geweest met betrokken jeugdbeschermers van William
Schrikker Stichting Jeugdbescherming en de betrokken gemeente;
▪ Vanuit onze organisatie is herhaaldelijk aangegeven dat behandeling in een externe, passende setting noodzakelijk was;
▪ De intake voor een dergelijke plaatsing had reeds plaatsgevonden, echter is financiering door de gemeente niet toegekend;
▪ Ondanks herhaald aandringen is geen passend alternatief geboden;
▪ Een bemiddelaar complexe casuïstiek vanuit Sociaal Domein Fryslân is betrokken geweest, maar heeft evenmin een alternatieve plaatsing kunnen realiseren;
▪ De door de hoofdaanbieder voorgestelde aanvullende veiligheidsmaatregelen zijn voorgelegd aan de jeugdbescherming, maar door de gezinsvoogd afgewezen wegens strijdigheid met de Wet zorg en dwang;
Wij hebben derhalve uitsluitend maatregelen kunnen treffen binnen de kaders van de
Jeugdwet. Dit maakt dat de betreffende jeugdige, ondanks onze inspanningen, ongewenst lang binnen onze setting verbleef.
Bij brief van 23 maart 2026 heeft SDF de gunningsbeslissing ingetrokken die zij op 25 augustus 2025 inzake de inschrijving van [A] B.V. op de Open House toelatingsprocedure Intramuraal Beschermd wonen 2026 e.v. had genomen. SDF heeft in die brief ook haar nieuwe gunningsbeslissing meegedeeld aan [A] B.V. Die hield in dat [A] B.V. werd uitgesloten van verdere deelname aan de Open House toelatingsprocedure. Aan die beslissing werd ten grondslag gelegd dat volgens SDF op [A] B.V. de uitsluitingsgronden ernstige beroepsfout en valse verklaring in de zin van artikel 2.87 lid 1 sub c respectievelijk h Aw van toepassing waren. SDF lichtte in de beslissing de toepasselijkheid van die uitsluitingsgronden op dezelfde manier toe als in de ontbindingsbrief van 17 maart 2026. Voorts werd aan de beslissing het volgende ten grondslag gelegd:
Proportionaliteitsbeginsel (art. 2.87a Aw)
Naar aanleiding van de hierboven genoemde incidenten heeft SDF onderzoek verricht en meerdere gesprekken gevoerd met [A] [B.V.: toevoeging voorzieningenrechter], onder andere op 30 september 2025, 31 oktober 2025 en 17 november 2025. In deze gesprekken zijn onder andere de door [A] [B.V. toevoeging voorzieningenrechter] genomen maatregelen besproken. Zoals reeds toegelicht acht SDF de door [A] genomen maatregelen onvoldoende om de veiligheid van jeugdigen alsmede de betrouwbaarheid en integriteit van [A] afdoende te waarborgen. Van adequate zelfreinigende maatregelen is geen sprake.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft SDF aan [A] B.V. bericht dat de beslissing over haar inschrijving van 27 november 2025 op de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland luidde dat [A] B.V. werd uitgesloten van verdere deelname aan die toelatingsprocedure. Aan die beslissing werd in de brief ten grondslag gelegd dat volgens SDF op [A] B.V. de uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout in de zin van artikel 2.87 lid 1 sub c Aw van toepassing was. SDF lichtte de toepasselijkheid van die uitsluitingsgrond op dezelfde manier toe als in de ontbindingsbrief van 17 maart 2026. Voorts werd aan die beslissing het volgende ten grondslag gelegd:
Proportionaliteitsbeginsel (art. 2.87a Aw)
Naar aanleiding van de hierboven genoemde incidenten heeft SDF onderzoek verricht en meerdere gesprekken gevoerd met [A] [B.V.; toevoeging voorzieningenrechter], onder andere op 30 september 2025, 13 oktober 2025, 31 oktober 2025 en 17 november 2025.
In deze gesprekken zijn onder andere de door [A] genomen maatregelen besproken. Zoals reeds toegelicht acht SDF de door [A] genomen maatregelen onvoldoende om de veiligheid van jeugdigen alsmede de betrouwbaarheid en integriteit van [A] afdoende te waarborgen. In dat kader wordt [A] ook verweten dat zij in haar inschrijving op onderhavige opdracht geen melding heeft gemaakt van de ernstige beroepsfout. Van adequate zelfreinigende maatregelen is geen sprake.
In reactie op de e-mail van [B] van 19 maart 2026 heeft de Gemeente bij e-mail van 26 maart 2026 - voor zover van belang - het volgende aan [B] bericht:
Ten aanzien van uw reactie met betrekking tot de overige incidenten gaat u eraan voorbij dat op
[A] [B.V.; toevoeging voorzieningenrechter] een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid rust om de veiligheid van jeugdigen te waarborgen en - binnen de kaders van de Jeugdwet - zo nodig aanvullende of alternatieve maatregelen te treffen. Indien de veiligheid van de jeugdigen en het personeel niet (langer) afdoende kan worden geborgd, ligt opschaling naar een passender jeugdbeschermingsmaatregel via de daartoe aangewezen juridische weg voor de hand. De ernst en de hoeveelheid incidenten vormen een terugkerend patroon, op basis daarvan concludeert SDF dat het veiligheidsplan van [A] onvoldoende is.
Sinds 16 april 2026 is [A] niet langer indirect aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. en is enkel [B] indirect aandeelhouder en bestuurder.
3. Het geschil
[A] B.V. vordert, na vermeerdering van eis ter zitting, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:
I. de Gemeente zal gebieden de buitengerechtelijke ontbinding ongedaan te maken
door de beslissing van 17 maart 2026 in te trekken, dan wel de Gemeente te gebieden binnen 7 dagen na het in deze te wijzen vonnis althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn de raamovereenkomsten Wonen in Friesland respectievelijk Specialistische Jeugdhulp in Friesland opnieuw met [A] B.V. overeen te komen;
II. de Gemeente zal verbieden om op basis van de voorliggende gunningsbeslissing over te gaan tot gunning aan een ander dan [A] B.V., respectievelijk tot het sluiten van enige overeenkomst dienaangaande met een andere partij dan [A] B.V. totdat [A] B.V. is toegelaten tot de procedure;
III. de Gemeente zal gebieden de uitsluiting van verdere deelname aan de Open House
toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal ongedaan te maken door de in de brief van 23 maart 2026 opgetekende beslissing in te trekken;
IV. de Gemeente zal gebieden de uitsluiting van verdere deelname aan de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland ongedaan te maken door de in de brief van 24 maart 2026 opgetekende beslissing in te trekken;
V. de Gemeente zal gebieden de Open House toelatingsprocedures Beschermd Wonen Intramuraal en Wonen in Friesland met [A] B.V. voort te zetten;
VI. dan wel een zodanige voorziening zal treffen die de voorzieningenrechter passend acht;
VII. de Gemeente zal veroordelen in de kosten van het geding.
De Gemeente voert verweer. De Gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [A] B.V., met veroordeling van [A] B.V. in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten).
4. De beoordeling
Eisvermeerdering
De Gemeente heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis ter zitting en de voorzieningenrechter ziet ook geen reden om deze eisvermeerdering ambtshalve niet toe te staan. De voorzieningenrechter zal daarom recht doen op de vermeerderde eis.
Spoedeisend belang
Het spoedeisend belang van [A] B.V. bij de gevraagde voorzieningen staat tussen partijen niet ter discussie en volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de aard van de vordering.
Het geschil van partijen gaat in de kern om de vraag of de ontbindingsbeslissing en de uitsluitingsbeslissingen die door SDF aan [A] B.V. zijn meegedeeld bij brieven van 17 maart 2026, 23 maart 2026 respectievelijk 24 maart 2026 in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal hierna de gronden van die beslissingen afzonderlijk beoordelen.
Algemeen toetsingskader
Bij die beoordeling stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop.
De Gemeente heeft voor de inkoop van zorg gekozen voor de Open House toelatingsprocedure. Een Open House procedure verschilt in die zin van een aanbestedingsprocedure dat met iedere aanbieder die aan de vooraf gestelde eisen met betrekking tot geschiktheid en kwaliteit voldoet en op wie geen uitsluitingsgronden van toepassing zijn, een raamovereenkomst wordt gesloten. De Open House procedure valt niet onder de Unierechtelijke aanbestedingsrichtlijnen en de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012). De Gemeente heeft echter op alle drie toelatingsprocedures waar dit geschil over gaat, paragraaf 2.3.5.1 van de Aw 2012 over de uitsluitingsgronden van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze paragraaf van de Aw 2012, die bestaat uit de artikelen 2.86 tot en met 2.88 Aw 2012, maakt daarom onderdeel uit van het toetsingskader van de voorzieningenrechter evenals de jurisprudentie die op die paragraaf betrekking heeft.
In artikel 2.87 lid 1 Aw 2012 dat gaat over de facultatieve uitsluitingsgronden, is - voor zover van belang - het volgende bepaald:
De aanbestedende dienst kan een inschrijver of gegadigde uitsluiten van deelneming aan een overheidsopdracht of een aanbestedingsprocedure op de volgende gronden:
(…)
c. de inschrijver of gegadigde heeft in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout begaan die door de aanbestedende dienst aannemelijk kan worden gemaakt;
(…)
h. de inschrijver of gegadigde heeft zich in ernstige mate schuldig gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of het voldoen aan de geschiktheidseisen of heeft die informatie achtergehouden, dan wel was niet in staat de ondersteunende documenten, bedoeld in de artikelen 2.101 en 2.102, over te leggen;
Op de Open House toelatingsprocedures voor de opdrachten Specialistische Jeugdhulp in Friesland 2023 e.v. en Intramuraal Beschermd wonen 2026 e.v. heeft de Gemeente onder meer de facultatieve uitsluitingsgronden ernstige beroepsfout en valse verklaring in de zin van artikel 2.87 lid 1 sub c respectievelijk h Aw 2012 van toepassing verklaard. In het Beschrijvend Document behorend bij de Open House toelatingsprocedure voor de opdracht Wonen in Friesland 2022 is bepaald dat de Gemeente iedere inschrijver op wie één van de omstandigheden van toepassing is, als bedoeld in artikel 2.87 Aw 2012 kan uitsluiten van deelneming aan de procedure. In het door inschrijvers in te vullen UEA heeft de Gemeente echter op de lijst met op de procedure van toepassing zijnde facultatieve uitsluitingsgronden de uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout wel aangekruist maar de uitsluitingsgrond valse verklaring niet. Ook zijn in het UEA geen vragen aan de inschrijvers gesteld over de uitsluitingsgrond valse verklaring
Indien een van de facultatieve uitsluitingsgronden op de inschrijver van toepassing is, kán de Gemeente de inschrijver uitsluiten; zij is hiertoe niet verplicht.
Op grond van artikel 2.87a Aw 2012 dient de Gemeente een inschrijver waarop een uitsluitingsgrond van toepassing is, in de gelegenheid te stellen om te bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Acht de Gemeente het bewijs toereikend, dan wordt de inschrijver niet uitgesloten. Artikel 2.87a Aw 2012 is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook op de uitsluitingsgrond Valse verklaring van toepassing.
Daarnaast dient de Gemeente op grond van artikel 2.88 lid 1 sub b Aw 2012 bij de beoordeling van de vraag of een inschrijver van deelname aan de procedure moet worden uitgesloten een proportionaliteitstoets uitvoeren. De Gemeente moet het gedrag van de inschrijver op basis van alle gegevens concreet en individueel toetsen en de uitsluiting dient steeds evenredig te zijn. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.88 Aw 2012 volgt dat de proportionaliteitstoets volgens de wetgever bij alle uitsluitingsgronden moet worden uitgevoerd.
Op grond van artikel 3:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 3:1 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht dient de Gemeente de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen bij het nemen van beslissingen over de inschrijving op een Open House toelatingsprocedure en de ontbinding van een raamovereenkomst die na zo’n procedure met een inschrijver is gesloten.
De voorwaarden waaronder de Gemeente de met [A] B.V. gesloten raamovereenkomsten kan ontbinden staan omschreven in artikel 6 van die overeenkomsten, hiervoor geciteerd onder rov. 2.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt een redelijke uitleg van die overeenkomsten mee dat bij ontbinding van de raamovereenkomsten wegens het alsnog van toepassing worden van een in de UEA van toepassing verklaarde facultatieve uitsluitingsgronden, de Gemeente niet tot ontbinding kan overgaan zonder de hiervoor bedoelde proportionaliteitstoets uit te voeren en zonder [A] B.V. in de gelegenheid te stellen om haar betrouwbaarheid aan te tonen. Het ligt namelijk niet in de rede dat partijen zijn overeengekomen dat de Gemeente de op grond van een Open House procedure gegunde raamovereenkomst zou kunnen ontbinden zonder dit te doen, terwijl de Gemeente dit bij de beoordeling of een inschrijver moet worden uitgesloten van deelname aan die Open House procedure wel moet doen. Dit zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel dat de Gemeente bij haar beslissing tot ontbinding in acht moet nemen. Ook zou het niet uitvoeren van de proportionaliteitstoets strijdig zijn met het evenredigheidsbeginsel dat de Gemeente bij haar beslissing tot ontbinding in acht moet nemen.
Uit artikel 2:87 en 2.87a Aw 2012 volgt dat het primair aan de aanbestedende dienst, en niet aan de rechter is, om te beoordelen of (i) sprake is van een uitsluitingsgrond en zo ja, of (ii) de inschrijver zijn betrouwbaarheid heeft aangetoond. Vanwege de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende dienst dient de voorzieningenrechter de beslissing van de Gemeente tot uitsluiting van [A] B.V. marginaal te beoordelen.
Dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat ook de conclusie van de Gemeente in de ontbindingsbeslissing dat een van de uitsluitingsgronden alsnog van toepassing is geworden op [A] B.V. marginaal moet worden getoetst. Als de voorzieningenrechter dit namelijk vol zou toetsen, zou dit tot het onlogische en onwenselijke gevolg leiden dat de toepasselijkheid van de uitsluitingsgronden in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de ontbindingsbeslissing strenger wordt beoordeeld dan in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitsluitingsbeslissingen. Die terughoudendheid zal de voorzieningenrechter niet hanteren bij de beoordeling van de overige gronden die de Gemeente aan de ontbindingsbeslissing ten grondslag heeft gelegd, omdat noch uit de wettelijke regels over de ontbinding van een overeenkomst noch uit de raamovereenkomst volgt dat ook de toepasselijkheid van deze gronden op [A] B.V. marginaal zouden moeten worden getoetst.
Ook zal de voorzieningenrechter vol toetsen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel, in acht zijn genomen.
Op grond van de beginselen van gelijkheid en transparantie dient in een Open House-procedure de beslissing van de Gemeente aanstonds volledig gemotiveerd te worden om effectieve rechtsbescherming mogelijk te maken; de motivering dient een inschrijver voldoende inzicht te geven in de relevante redenen die aan de beslissing ten grondslag liggen om zich geïnformeerd te kunnen beraden op eventueel daartegen – in of buiten rechte – te ondernemen stappen. Ditzelfde geldt voor de beslissing van de Gemeente tot ontbinding van de raamovereenkomsten. Een latere aanvulling van voornoemde relevante redenen is daarom in beginsel niet mogelijk, behoudens door de Gemeente aannemelijk te maken bijzondere redenen of omstandigheden. Nu deze bijzondere redenen of omstandigheden in dit geval door de Gemeente niet zijn gesteld, laat de voorzieningenrechter eventuele ter zitting genoemde nieuwe redenen voor uitsluiting van de inschrijvingen van [A] B.V. en ontbinding van de raamovereenkomsten buiten beschouwing evenals een aanvullende motivering van die beslissingen.
Ernstige beroepsfout
De uitsluitingsbeslissingen en ontbindingsbeslissing zijn onder meer gebaseerd op het standpunt van de Gemeente dat op [A] B.V. de facultatieve uitsluitingsgrond ernstige beroepsfout in de zin van artikel 2.87 lid 1 sub c Aw van toepassing is die de Gemeente op de Open House toelatingsprocedures van toepassing heeft verklaard.
Het begrip ernstige beroepsfout is in artikel 2.87 Aw 2012 niet gedefinieerd. In de parlementaire toelichting is over het begrip ernstige beroepsfout – voor zover van belang – het volgende opgemerkt:
Het begrip beroepsfout is ruimer dan bij voorbeeld bouwfouten of andere technische fouten. In het algemeen kunnen als ernstige beroepsfout worden aangemerkt overtredingen van voorschriften betreffende de gezondheid, arbeidsomstandigheden, milieudelicten en overtredingen van de Rijtijdenwet. Ook overtredingen van de Mededingingswet en het hebben begaan van een onrechtmatige daad in het kader van de uitvoering van een opdracht waaruit ernstige schade is voortgevloeid, kunnen als ernstige beroepsfout aangemerkt.
Het Hof van Justitie heeft in het Forposta-arrest overwogen dat het begrip ernstige fout gewoonlijk ziet op gedrag van de betrokken inschrijver dat wijst op kwaad opzet of nalatigheid van een zekere ernst van deze inschrijver.
Rechtspersonen handelen via hun bestuurders. De vraag of sprake is van een ernstige beroepsfout van [A] B.V. wordt daarom beoordeeld op basis van het handelen van haar bestuurders.
Uit de motivering van de beslissingen van de Gemeente volgt dat volgens de Gemeente sprake is van meerdere fouten van [A] B.V. die ieder voor zich als ernstige beroepsfout kwalificeren. De voorzieningenrechter zal deze gestelde fouten hierna puntsgewijs beoordelen.
Gedrag bestuurders
De Gemeente heeft in de beslissingen geconcludeerd dat het feit dat [A] , zoals hij heeft bekend, in 2023 ontucht heeft gepleegd met een van zijn minderjarige dochters, kwalificeert als een ernstige beroepsfout in de zin van artikel 2.87 lid 1 sub c Aw. Dit is door [A] B.V. niet bestreden. Nu [A] ten tijde van dit handelen indirect aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. was en bovendien een van de feitelijk beheerders van Buitengewoon, kan dit handelen aan [A] B.V. worden toegerekend.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de Gemeente in de beslissingen in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat ook het handelen van [B] in reactie op dit incident als een ernstige beroepsfout is aan te merken. [A] B.V. heeft toegelicht dat [B] zeer kort nadat aan haar bekend was gemaakt dat [A] ontucht had gepleegd met een van hun dochters, hem hiermee heeft geconfronteerd. Volgens haar heeft [A] Buitengewoon toen verlaten, zichzelf aangegeven bij de politie en ontslag gekregen of genomen als Gezinshuisvader. Dit is door de Gemeente niet bestreden. In het gesprek dat de Gemeente op 30 september 2025 over dit incident met [B] en [C] heeft gevoerd, hebben [B] en [C] aangegeven dat, zodra [A] vrijkomt, hij niet meer zal terugkomen op het terrein van Buitengewoon. Ook is toen aangegeven dat hij per direct was losgekoppeld van alle systemen en geen inzage meer had in de bedrijfsvoering en dus ook niet in de cliëntgegevens. Tot slot heeft [B] in dat gesprek aangegeven dat zij direct een advocaat had ingeschakeld om er - naar de voorzieningenrechter begrijpt - voor te zorgen dat [A] niet langer indirect bestuurder en aandeelhouder van [A] B.V. zou zijn. Volgens [A] B.V. duurde deze juridische ontvlechting lang, mede omdat [A] in bewaring zat en het lang duurde voordat een notaris tijd had om hem daar op te zoeken. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een e-mail overgelegd van Era Notarissen in Leeuwarden van 30 december 2025. Daarin werd aan [B] bevestigd dat de notarissen van dat kantoor niet eerder dan ergens in februari 2026 tijd hadden om [A] in de penitentiaire inrichting op te zoeken voor het legaliseren van zijn handtekening in verband met de uittreding uit de besloten vennootschap. [A] B.V. stelt dat zij de Gemeente op de hoogte heeft gehouden van de voortgang van de geplande uittreding van [A] uit de B.V. en van de vertraging daarin. Dit standpunt vindt steun in de e-mail van [C] aan [D] van 4 december 2025. Daaruit blijkt dat tijdens het locatiebezoek van SDF aan Buitengewoon in november 2025 door [B] of [C] aan [D] is meegedeeld dat [A] inhoudelijk niet meer betrokken was bij Buitengewoon, maar dat de juridische afhandeling langer op zich liet wachten.
Gelet op deze omstandigheden gaat het niet aan dat de Gemeente [B] in de beslissingen verwijt dat zij “maanden na bekend worden van de gedragingen van haar mede-bestuurder, geen verandering heeft gebracht in de functie van [A] binnen de onderneming.” en dit ook nog eens bestempelt als een ernstige beroepsfout. Dit verwijt doet geen recht aan voormelde maatregelen die [B] heeft getroffen om S. [A] uit de onderneming te ‘snijden’ spoedig nadat zij van de ontucht op de hoogte raakte. Nergens blijkt uit dat S. [A] , ondanks dat hij ten tijde van de beslissingen formeel nog wel bestuurder was van [A] B.V., vanuit de penitentiaire inrichting waar hij vastzat nog enige (negatieve) invloed kon uitoefenen op de jeugdigen die daar in zorg waren. De voorzieningenrechter rekent het de Gemeente ook aan dat uit de beslissingen niet blijkt dat de Gemeente er oog voor heeft gehad dat [B] deze maatregelen heeft getroffen in een periode dat er zeer veel op haar afkwam; zij kreeg zeer heftig nieuws te verwerken over haar echtgenoot en een van haar dochters en tegelijkertijd diende zij de rust en veiligheid binnen Buitengewoon te bewaken voor de kwetsbare jongeren die daar in zorg waren, terwijl allerlei instanties onderzoek wilden doen binnen Buitengewoon naar de gevolgen van het incident. De beslissingen zijn daarom op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Overige incidenten
In de beslissingen concludeert de Gemeente dat er daarnaast binnen Buitengewoon sprake is van een patroon waarbij niet is gehandeld conform de professionele standaarden
van hulpverlening. Volgens haar is er herhaaldelijk sprake van een gebrek aan handelingsbereidheid om de veiligheid van de jeugdigen voorop te stellen en kwalificeert ook dit als een ernstige beroepsfout. [A] B.V. heeft niet betwist dat de incidenten waar de Gemeente in dit verband op doelt hebben plaatsgevonden. Het gaat om een incident tussen twee jongens in het voorjaar van 2024 en incidenten tussen deze twee jongens en een derde jongen in een week in juli 2025, waarbij in alle gevallen sprake was van seksueel grensoverschrijdend gedrag. [A] B.V. is van deze incidenten in oktober 2025 op de hoogte geraakt en heeft deze toen onder meer gemeld bij Rivka-Zorg en de Gemeente. Voorts heeft het betrekking op incidenten die - naar de voorzieningenrechter begrijpt - in 2025 hebben plaatsgevonden, waarbij sprake was van agressie en brandstichting door [X] . [A] B.V. bestrijdt wel de verwijten die de Gemeente haar in de beslissingen maakt over gebrek aan handelen in reactie op deze incidenten en de conclusies die de Gemeente daaraan verbindt. Volgen haar heeft de Gemeente ook ten onrechte geen hoor en wederhoor toegepast.
De voorzieningenrechter stelt vast dat Rivka-Zorg in haar verslag van 2 maart 2026, geciteerd in rov. 2.30, op verzoek van SDF aan SDF een toelichting heeft gegeven op een aantal signalen rondom Buitengewoon en op de ontbinding van de onderaannemingsovereenkomst met [A] B.V. Daarin wordt ook ingegaan op de hiervoor bedoelde overige incidenten. Wanneer de inhoud van dit verslag naast de inhoud van de beslissingen wordt gelegd, valt op dat de verwijten die Gemeente [A] B.V. in de beslissingen maakt inzake de overige incidenten lijken te zijn overgenomen uit dit verslag, met dit verschil dat het verslag meer verwijten bevat en uitgebreider ingaat op die verwijten. De voorzieningenrechter acht daarom aannemelijk dat de motivering van de beslissingen op dit punt geheel althans grotendeels is gebaseerd op dit verslag van Rivka-Zorg. De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de pleitnotitie van de Gemeente waarin ter onderbouwing van de beslissingen op dit punt gewezen wordt op de verwijten die in het verslag van Rivka-Zorg aan [A] B.V. inzake de overige incidenten worden gemaakt.
Niet gebleken is dat de Gemeente voorafgaand aan de beslissingen dit verslag van Rivka-Zorg aan [A] B.V. heeft toegestuurd en/of haar in de gelegenheid heeft gesteld daarop te reageren. Dit had uit oogpunt van zorgvuldigheid wel op haar weg gelegen, nu aannemelijk is dat de Gemeente haar beslissingen op het punt van de overige incidenten heeft gegrond op dit verslag. Dit klemt temeer, nu [B] in haar e-mail van 19 maart 2026 aan SDF heeft aangegeven dat de ontbindingsbeslissing wat betreft de overige incidenten leek te zijn gebaseerd op informatie van Rivka-Zorg en zij SDF er nadrukkelijk op heeft gewezen dat SDF [A] B.V. ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld om op die informatie te reageren. Desondanks heeft de Gemeente de uitsluitingsbeslissingen genomen zonder [A] B.V. alsnog in de gelegenheid te stellen op het verslag van Rivka-Zorg te reageren. De beslissingen zijn daarom ten onrechte gebaseerd op een eenzijdig opgesteld verslag. Een verslag dat bovendien niet is opgesteld door een onafhankelijk expertisebureau maar door een andere zorgverlener.
Voorts heeft [A] B.V. er terecht op gewezen dat de Gemeente in de correspondentie met [A] B.V. voorafgaand aan de beslissingen heeft aangegeven dat er onderzoek zou worden verricht. SDF zou onderzoeken of [A] B.V. de met haar gesloten raamovereenkomsten nakwam en ook een zogenoemd Bibob-onderzoek uitvoeren en de gemeentelijke toezichthouder Wmo zou de kwaliteit en rechtmatigheid van beschermd wonen onderzoeken. In afwachting van de uitkomst van die onderzoeken, zo werd [A] B.V. voorgehouden, werden de beslissingen op de inschrijvingen van [A] B.V. op de Open House toelatingsprocedures Beschermd Wonen Intramuraal en Wonen in Friesland aangehouden. Ter zitting is door de Gemeente meegedeeld dat haar onderzoek was afgerond maar dat de beslissingen niet op die onderzoeksresultaten zijn gebaseerd. Daarom zijn die onderzoeksresultaten volgens haar niet in het geding gebracht. Het Bibob-onderzoek was volgens de Gemeente nog niet afgerond, zodat de beslissingen daar ook niet op zijn gebaseerd.
Gelet op de correspondentie voorgaand aan de beslissingen bevreemdt het de voorzieningenrechter dat het onderzoek van de Gemeente niet aan de beslissingen ten grondslag is gelegd. Zoals [A] B.V. terecht stelt, doet dit vermoeden dat de onderzoeksresultaten de beslissingen niet ondersteunen. De voorzieningenrechter gaat er namelijk van uit dat de Gemeente deze onderzoeksresultaten wel in het geding zou hebben gebracht als deze de beslissingen zouden ondersteunen. De Gemeente heeft namelijk ook verklaringen van oud-bewoners in het geding gebracht die ook niet aan de beslissingen ten grondslag zijn gelegd maar die volgens haar de beslissingen ondersteunen. De voorzieningenrechter acht dan ook aannemelijk dat de onderzoeksresultaten de beslissingen niet ondersteunen en dat ze daarom niet in het geding zijn gebracht. Door die onderzoeksresultaten niet bij de beoordeling te betrekken maar de beslissingen te baseren op informatie van Rivka-Zorg waar [A] B.V. niet op heeft kunnen reageren, heeft de Gemeente in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit geldt temeer, omdat de Gemeente in de correspondentie voorafgaand aan de beslissingen bij [A] B.V. de indruk heeft gewekt dat de beslissingen in grote mate, zo niet hoofdzakelijk afhingen van de uitkomsten van dat eigen onderzoek en dat uit het locatiebezoek dat in dat kader had plaatsgevonden, geen zorgelijke signalen naar voren waren gekomen. Hierdoor kwamen de negatieve beslissingen voor [A] B.V. als een donderslag bij heldere hemel. Als het standpunt van de Gemeente zo begrepen moet worden dat haar onderzoek inmiddels is afgerond maar dat dit onderzoek ten tijde van het nemen van de beslissingen nog niet was afgerond, heeft zij onvoldoende toegelicht waarom zij, anders dan vooraf aangekondigd, de uitkomsten van haar onderzoek niet heeft afgewacht.
Voorts acht de voorzieningenrechter de motivering van de beslissingen op het punt van de overige incidenten te summier en te onduidelijk. Het enige geconcretiseerde verwijt dat [A] B.V. in die motivering wordt gemaakt is dat er ondanks voormelde ernstige incidenten geen veiligheidsplan is gemaakt waarin toezicht overdag en in de nacht concreet is vastgelegd, ondanks het verzoek daartoe van Rivka-Zorg. De overige verwijten die aan [A] B.V. worden gemaakt, blinken uit in vaagheid. Zo is niet duidelijk op welke maatregelen de Gemeente doelt waar zij schrijft: “De door [A] voorgestelde maatregelen hebben betrekking op bescherming van uw positie als aandeelhouder en bestuurder.” Ook wordt ten onrechte niet gemotiveerd waarom volgens de Gemeente [A] B.V. “geen maatregelen heeft genomen waarmee de veiligheid van de jeugdigen (...) is geborgd”.
In de e-mail van 26 maart 2026, waarin SDF reageert op de bezwaren van [B] tegen de gronden van de ontbindingsbeslissing, schrijft SDF dat het veiligheidsplan van [A] B.V. onvoldoende is. De voorzieningenrechter begrijpt de beslissingen daarom zo dat de Gemeente [A] B.V. niet verwijt dat er geen veiligheidsplan is gemaakt, maar dat dit plan volgens haar niet voldoet aan de eisen die Rivka-Zorg daaraan stelt. Hetzelfde geldt voor de maatregelen ter bescherming van de jeugdigen. Er zijn wel maatregelen getroffen door [A] B.V. die betrekking hebben op de veiligheid van de jeugdigen. Zo blijkt uit het verslag van Rivka-Zorg van 2 maart 2026 onder meer dat ten aanzien van [X] sprake is geweest van een periode van 1-op-1 begeleiding, overleg met GI en inzet op uitplaatsing. Ook [B] beschrijft in haar e-mail van 19 maart 2026 aan SDF, waar [A] B.V. zich op beroept, de getroffen maatregelen ten aanzien van [X] . Volgens haar is er intensief en structureel contact geweest met betrokken jeugdbeschermers van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en de betrokken gemeente. Verder geeft zij aan dat vanuit [A] B.V. herhaaldelijk is aangegeven dat behandeling in een externe, passende setting noodzakelijk was maar kende de betrokken gemeente daarvoor geen financiering toe en bood deze geen passend alternatief. Tot slot is volgens haar een bemiddelaar complexe casuïstiek vanuit SDF betrokken geweest, maar heeft deze evenmin een alternatieve plaatsing voor [X] kunnen realiseren. In de e-mail van 26 maart 2026 die SDF [B] in reactie op deze e-mail heeft gestuurd, heeft SDF de door [B] beschreven acties van [A] B.V. niet bestreden. De voorzieningenrechter gaat er daarom ook hier van uit dat de Gemeente [A] B.V. niet verwijt dat er geen maatregelen zijn getroffen maar dat deze volgens de Gemeente (lees: Rivka-Zorg) onvoldoende zijn om de veiligheid van de jeugdigen te borgen. Waarom de Gemeente dit vindt, is echter in de beslissingen ten onrechte niet gemotiveerd.
[A] B.V. stelt dat de voorstellen van Rivka-Zorg niet zijn doorgevoerd omdat deze strijdig waren met de wet en/of met het belang van de jeugdige in kwestie en/of niet pasten binnen de setting van een Gezinshuis. Volgens haar was zij niet de enige die de conclusies van Rivka-Zorg over de noodzakelijke vervolgstappen niet deelde maar deden ook andere betrokken instanties dat niet. Omdat [A] B.V. niet in de gelegenheid is gesteld op het verslag van Rivka te reageren zijn deze bezwaren van [A] B.V. tegen de conclusie van Rivka-Zorg door de Gemeente ten onrechte niet althans niet kenbaar in de beoordeling betrokken. Ook daarom ontbeert de beslissing een deugdelijke motivering.
Deze motiveringsgebreken en zorgvuldigheidsgebreken zijn des te ernstiger, omdat het gaat om ernstige verwijten aan het adres van [A] B.V. met zeer verstrekkende gevolgen.
Valse verklaring
De Gemeente heeft aan de ontbindingsbeslissingen en de beslissing tot uitsluiting van [A] B.V. van deelname aan de Open House toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal ook ten grondslag gelegd dat op [A] B.V. de uitsluitingsgrond valse verklaring in de zin van artikel 2.87 lid 1 h Aw 2012 van toepassing is. Aan de beslissing tot uitsluiting van [A] B.V. van deelname aan de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland is die uitsluitingsgrond niet ten grondslag gelegd.
Artikel 2.87 lid 1 onder h Aw 2012 bepaalt onder andere dat de Gemeente een inschrijver kan uitsluiten wanneer die zich in ernstige mate schuldig maakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de informatie die nodig is voor onder meer de controle op het ontbreken van gronden voor uitsluiting of die informatie heeft achtergehouden. Om de uitsluitingsgrond toe te kunnen passen is niet vereist dat de inschrijver opzettelijk heeft gehandeld om hem van deelneming uit te sluiten. Het volstaat dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor een nalatigheid met een zekere mate van ernst, namelijk een nalatigheid die een beslissende invloed kan hebben op de beslissingen tot uitsluiting van, selectie voor of gunning van een overheidsopdracht . Er kan sprake zijn van het achterhouden van informatie wanneer inlichtingen met betrekking tot de strafbare gedragingen van een (oud) bestuurder, die op het bestaan van een ernstige beroepsfout zouden kunnen wijzen, niet worden verstrekt, ook indien deze (oud) bestuurder nog niet onherroepelijk veroordeeld is .
In artikel 6.3 onder g van de raamovereenkomsten is bepaald dat de Gemeente het recht heeft de raamovereenkomst te ontbinden indien gedurende de looptijd van de raamovereenkomst één van de in het UEA aangekruiste facultatieve uitsluitingsgronden alsnog van toepassing wordt op [A] B.V. In de UEA behorend bij de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland 2022 heeft de Gemeente in de lijst met facultatieve uitsluitingsgronden die op de procedure van toepassing zijn, de uitsluitingsgrond valse verklaring niet aangekruist. Ook is in die UEA de inschrijvers niet gevraagd om te bevestigen dat de uitsluitingsgrond valse verklaring niet op hen van toepassing is, terwijl hen die vraag wel is gesteld over de facultatieve uitsluitingsgronden die de Gemeente wel heeft aangekruist in de lijst. Daarom gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het niet aankruisen van de uitsluitingsgrond valse verklaring geen kennelijke verschrijving is. Nu deze uitsluitingsgrond niet één van de aangekruiste facultatieve uitsluitingsgronden is in de zin van artikel 6.3 onder g van de raamovereenkomst Wonen in Friesland, heeft de Gemeente die uitsluitingsgrond ten onrechte aan de ontbinding van die raamovereenkomst ten grondslag gelegd. Ook op dit punt is de beslissing tot ontbinding van deze raamovereenkomst ondeugdelijk gemotiveerd.
Volgens de motivering van de beslissingen tot ontbinding van de raamovereenkomst Specialistische Jeugdhulp in Friesland en tot uitsluiting van [A] B.V. van deelname aan de Open House toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal heeft [A] B.V. in die laatste procedure een valse verklaring afgelegd en informatie achtergehouden. In dat kader wordt [A] B.V. in die beslissingen verweten dat zij in de UEA heeft aangegeven dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan ernstige beroepsfouten, terwijl dat volgens de Gemeente, gelet op wat in die beslissingen over de ernstige beroepsfouten is geconcludeerd, niet juist was. Ook wordt [A] B.V. verweten dat [B] tijdens het verificatiegesprek op 23 september 2025 niets heeft gezegd over de ontucht tussen S. [A] en hun dochter, terwijl dat toen wel bij haar bekend was.
De voorzieningenrechter overweegt dat de gestelde valse verklaring in de UEA enkel betrekking kan hebben op ernstige beroepsfouten waar [A] B.V. ten tijde van het invullen van die UEA mee bekend was. Anders dan de motivering van de beslissingen lijkt te suggereren, kan dat daarom alleen betrekking hebben op de ontucht die S. [A] met een van zijn dochters heeft gepleegd. Vaststaat dat in het UEA van de Open House toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal de vraag of sprake was van een ernstige beroepsfout ontkennend is beantwoord. De Gemeente heeft dit in redelijkheid als een valse verklaring van [A] B.V. kunnen aanmerken in de zin van de zin van artikel 2.87 lid 1 h Aw 2012. S. [A] was namelijk ten tijde van de inschrijving nog bestuurder van [A] B.V. en op de hoogte van de ernstige fout. Zijn kennis van de ernstige fout kan daarom aan [A] B.V. worden toegerekend, zodat het afleggen van een onjuiste verklaring daarover in de UEA kan worden aangemerkt als een valse verklaring van [A] B.V.
Voorts staat als onbetwist vast dat [B] in het verificatiegesprek dat op 23 september 2026 heeft plaatsgevonden niets heeft gezegd over het feit dat S. [A] ontucht had gepleegd met hun dochter, terwijl zij daar op dat moment mee bekend was. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de Gemeente dit in redelijkheid niet heeft kunnen aanmerken als het achterhouden van informatie als bedoeld in artikel 2.87 lid 1 h Aw 2012. [A] B.V. heeft namelijk onbetwist gesteld dat zij dit incident reeds op 18 september 2026 aan de Gemeente had gemeld. Het feit dat zij dit in het latere verificatiegesprek niet aan de orde heeft gesteld, rechtvaardigt daarom in redelijkheid niet de conclusie dat zij deze informatie voor de Gemeente heeft achtergehouden. Ook op dit punt zijn de beslissingen tot ontbinding van de raamovereenkomst Specialistische Jeugdhulp in Friesland en tot uitsluiting van [A] B.V. van deelname aan de Open House toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal daarom onvoldoende gemotiveerd.
Proportionaliteitsbeginsel en maatregelen die de betrouwbaarheid aantonen
In de uitsluitingsbeslissingen heeft de Gemeente ter motivering van haar conclusie dat [A] B.V. onvoldoende maatregelen heeft genomen om haar betrouwbaarheid aan te tonen, verwezen naar wat zij in het kader van de ernstige beroepsfouten over die maatregelen heeft geconcludeerd. Hiervoor is reeds overwogen dat die conclusies geen stand houden wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De Gemeente kon haar toetsing van de betrouwbaarheid daar dus niet op baseren.
In de beslissing tot uitsluiting van [A] B.V. aan deelname van de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland heeft de Gemeente daarnaast aan de conclusie dat [A] B.V. haar betrouwbaarheid onvoldoende heeft aangetoond ten grondslag gelegd dat [A] B.V. ten onrechte in haar inschrijving op die opdracht geen melding heeft gemaakt van de ernstige beroepsfout. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat hier wordt gedoeld op de ontucht van [A] met zijn dochter. Hoewel aan die beslissing niet ten grondslag is gelegd dat op [A] B.V. de uitsluitingsgrond valse verklaring van toepassing is en deze uitsluitingsgrond in de UEA ook niet van toepassing is verklaard op deze toelatingsprocedure, wordt dit verwijt dus via de achterdeur van de betrouwbaarheidstoets alsnog ten grondslag gelegd aan de beslissing. De voorzieningenrechter acht dit onzorgvuldig. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat [B] op het moment van inschrijving al bezig was om [A] , de persoon die de ontucht had gepleegd, uit de onderneming te snijden en dat zij in dat kader al verschillende maatregelen had genomen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Gemeente onvoldoende gemotiveerd waarom die zelfreinigende maatregelen onvoldoende waren. Ook was ten tijde van de inschrijving al lang bij de Gemeente bekend dat [A] ontucht had gepleegd met een van zijn dochters. Daar was voorafgaand aan de inschrijving op 30 september 2025 al uitgebreid met [B] over gesproken. Dus van het achterhouden door [A] B.V. van voor de beslissing wezenlijke informatie is ook geen sprake. Onder deze omstandigheden had op de weg van de Gemeente gelegen om in de beslissing nader toe te lichten waarom zij desalniettemin haar conclusie dat [A] B.V. haar betrouwbaarheid onvoldoende had aangetoond, mede baseerde op het feit dat [A] B.V. in haar inschrijving geen melding had gemaakt van de ernstige beroepsfout. Nu de Gemeente dat heeft nagelaten, ontbeert de beslissing ook op dit punt een deugdelijke motivering.
Bovendien heeft de Gemeente niet, althans niet kenbaar, beoordeeld of de uitsluitingsbeslissingen proportioneel zijn. Er staat wel een paragraaf met het kopje ‘Proportionaliteitsbeginsel (art. 2.87a Aw)’ in die beslissingen maar in de paragraaf wordt niet getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel maar wordt de betrouwbaarheid getoetst. Anders dan die paragraaf lijkt te veronderstellen zijn de toetsing van de betrouwbaarheid als bedoeld in 2.87a Aw 2012 en de toetsing van de proportionaliteit als bedoeld in artikel 2.88 Aw 2012 twee aparte toetsingen. In de ontbindingsbeslissing heeft geen van beide toetsingen plaatsgevonden, zodat deze om die reden op dit onderdeel ook onvoldoende is gemotiveerd.
De conclusie is daarom dat de Gemeente in de beslissingen onvoldoende heeft gemotiveerd dat [A] B.V. haar betrouwbaarheid onvoldoende heeft aangetoond, dat de besluitvorming van de Gemeente op dit punt onzorgvuldig is geweest en dat de Gemeente ten onrechte niet althans niet kenbaar een proportionaliteitstoets heeft gedaan. Daarom staat voorshands niet vast dat de raamovereenkomsten mochten worden ontbonden en [A] B.V. mocht worden uitgesloten van deelname aan de Open House toelatingsprocedures Beschermd Wonen Intramuraal en Wonen in Friesland wegens de toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond.
Niet langer in staat verplichtingen na te komen
De ontbindingsbeslissing is verder gebaseerd op het standpunt van de Gemeente dat [A] B.V. niet langer in staat moet worden geacht haar verplichtingen uit de raamovereenkomsten na te komen, zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 sub g van beide raamovereenkomsten. Omdat aan deze ontbindingsgrond hetzelfde ten grondslag is gelegd als aan de hiervoor besproken ontbindingsgrond ‘Toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond’, geldt ook voor deze ontbindingsgrond dat deze de ontbindingsbeslissing niet kan dragen. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar wat hiervoor over ontbindingsgrond ‘Toepasselijkheid van een uitsluitingsgrond’ is overwogen.
Negatief effect op de goede naam
Tot slot heeft de Gemeente aan de ontbindingsbeslissingen ten grondslag gelegd dat de door [A] B.V. begane ernstige beroepsfouten kwalificeren als ontwikkelingen met betrekking tot de opdracht die leiden tot een ernstig negatief effect op de goede naam van de Gemeente en/of (één van) de Friese Gemeenten, als bedoeld in artikel 6 lid 2 sub b van de raamovereenkomsten. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Gemeente onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van ernstige beroepsfouten van [A] B.V. op twee ernstige beroepsfouten na. Dit zijn beide beroepsfouten die zijn begaan door [A] . [A] B.V. heeft meteen maatregelen getroffen toen zij deze beroepsfouten ontdekte om zich te distantiëren van [A] en zijn ernstige beroepsfouten. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de Gemeente onvoldoende gemotiveerd dat deze zelfreinigende maatregelen onvoldoende waren. Dit alles maakt dat de Gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van ernstige beroepsfouten die een ernstig negatief effect hebben op de goede naam van de Gemeente en/of (één van) de Friese Gemeenten. Daar komt nog bij dat de Gemeente niet heeft getoetst of de ontbinding op deze grond proportioneel is, wat strijdig is met het proportionaliteitsbeginsel. Ook daarom is de motivering van de ontbindingsbeslissing ondeugdelijk.
Slotsom en beslissingen
De conclusie is daarom dat de beslissingen geen stand kunnen houden. Dit geldt te meer, nu het hier gaat om vergaande beslissingen die diep ingrijpen in het leven van de jonge, kwetsbare kinderen die nu in zorg zijn bij Buitengewoon. [A] B.V. heeft er terecht op gewezen dat op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen. Dit maakt dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissingen en de besluitvorming. Aan die vereisten wordt in dit geval niet voldaan.
Het onder I gevorderde gebod tot ongedaanmaking van de buitengerechtelijke ontbinding van de raamovereenkomsten door de beslissing van 17 maart 2026 in te trekken zal worden toegewezen. Aan die veroordeling zal een termijn van 7 dagen na dagtekening van dit vonnis worden verbonden. Nu door de ontbinding van de raamovereenkomsten de zogenoemde exitprocedure is gestart en de Gemeente dit ook aan de betrokken instanties bekend heeft gemaakt, zal de voorzieningenrechter voorts bepalen dat de ongedaanmakings van die ontbinding en dus het stoppen van de exitprocedure ook aan die instanties bekend moet maken.
De vordering onder II om de Gemeente te verbieden om op basis van de voorliggende gunningsbeslissing over te gaan tot gunning aan een ander dan [A] B.V., respectievelijk tot het sluiten van enige overeenkomst dienaangaande met een andere partij dan [A] B.V. totdat [A] B.V. is toegelaten tot de procedure, is niet toewijsbaar. In de eerste plaats is niet duidelijk wat wordt bedoeld met ‘de voorliggende gunningsbeslissing’, omdat deze procedure gaat over meerdere beslissingen. Daarnaast heeft de Gemeente terecht aangevoerd dat [A] B.V. met deze vordering de aard en de systematiek van een Open House toelatingsprocedure miskent. Anders dan bij een aanbestedingsprocedure waarin een competitieve selectie plaatsvindt om één of enkele winnaars te kiezen, is een Open House-procedure een niet-competitief toelatingssysteem waarbij iedereen die aan de vooraf gestelde eisen voldoet, een raamovereenkomst krijgt. Daarom past een verbod om de opdracht aan een ander te gunnen niet in een Open House procedure.; er wordt immers niet gestreden om één opdracht en het gunnen van de opdracht aan een ander dus niet betekent dat [A] B.V. de opdracht niet meer kan krijgen.
De vorderingen onder III en IV om de Gemeente te gebieden tot intrekking van de uitsluitingsbeslissingen zullen worden toegewezen. Ook aan die veroordeling zal een termijn van 7 dagen na dagtekening van dit vonnis worden verbonden.
Het onder V gevorderde gebod om de Open House toelatingsprocedures Beschermd Wonen Intramuraal en Wonen in Friesland met [A] B.V. voort te zetten is eveneens toewijsbaar, zij het onder de voorwaarde dat de Gemeente deze toelatingsprocedure nog wenst voor te zetten. Ook zal de voorzieningenrechter bepalen dat de Gemeente de procedure dient voort te zetten met inachtneming van wat in dit uitgewerkte vonnis is overwogen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om nog meer aan de beslissingen toe te voegen dan hiervoor is vermeld. De voorzieningenrechter acht het samenstel van beslissing zo afdoende. De vordering onder VI tot het treffen van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen voorziening zal daarom slechts in zoverre worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.
Proceskosten
De Gemeente is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [A] B.V. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.226,57
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
gebiedt de Gemeente om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis de buitengerechtelijke ontbinding van de met [A] B.V. gesloten raamovereenkomsten Wonen in Friesland en Specialistische Jeugdhulp in Friesland ongedaan te maken door de beslissing van 17 maart 2026 in te trekken en daarvan mededeling te doen aan [A] B.V. en de betrokken organisaties, zoals Gecertificeerde Instellingen, aan wie deze ontbindingsbeslissing destijds bekend is gemaakt;
gebiedt de Gemeente om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis de uitsluiting van verdere deelname van [A] B.V. aan de Open House toelatingsprocedure Beschermd Wonen Intramuraal ongedaan te maken door de in de brief van 23 maart 2026 opgetekende beslissing in te trekken;
gebiedt de Gemeente om binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis de uitsluiting van verdere deelname van [A] B.V. aan de Open House toelatingsprocedure Wonen in Friesland ongedaan te maken door de in de brief van 24 maart 2026 opgetekende beslissing in te trekken;
gebiedt de Gemeente, voor zover zij de Open House toelatingsprocedures Beschermd Wonen Intramuraal en Wonen in Friesland voort wenst te zetten, deze procedures voort te zetten met [A] B.V. met inachtneming van wat in het uitgewerkte vonnis zal worden overwogen;
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van € 2.226,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Gemeente niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
23 april 2026.
1.155