RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,
Samenvatting
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/893
gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV,
gemachtigde: [gemachtigde].
1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de ZW-uitkering die eiseres ontving. Eiseres is het hier niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit van het UWV terecht is.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de klachten van eiseres als gevolg van PTSS en FNS geen aanleiding geven voor het aannemen van toegenomen beperkingen op grond waarvan zij niet langer geschikt is voor de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. In het besluit van 9 april 2025 heeft het UWV de ZW-uitkering die eiseres ontving, beëindigd per 14 april 2025. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 28 januari 2026 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij het besluit van 9 april 2025 gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot [echtgenoot], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres werkte als operator voor gemiddeld 25,25 uur per week. Zij heeft zich op 18 februari 2022 ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd, heeft eiseres op 23 november 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. In het besluit van 16 mei 2024 heeft het UWV geweigerd om aan eiseres vanaf 16 februari 2024 een WIA-uitkering toe te kennen. Het daartegen gemaakte bezwaar, heeft het UWV in het besluit van 28 januari 2026 ongegrond verklaard. Het UWV heeft eiseres 32,10% arbeidsongeschikt geacht. Het UWV heeft in het kader van de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid de functies archiefmedewerker (SBC-code 315132), medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) geselecteerd. Aanvullend zijn de functies medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) en telefoniste (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174) gekozen. Zij wordt geacht deze functies met haar beperkingen te kunnen vervullen. Eiseres heeft tegen het besluit van 28 januari 2026 beroep ingesteld. Op 17 juni 2026 heeft zij dit beroep ingetrokken.
Eiseres ontving nadat haar aanvraag om toekenning van een WIA-uitkering was afgewezen een WW-uitkering. Zij heeft zich op 16 januari 2025 ziekgemeld. Haar WW-uitkering eindigde op 30 januari 2025. In het besluit van 10 februari 2025 heeft het UWV aan eiseres met ingang van 31 januari 2025 een voorschot op haar ZW-uitkering toegekend. In het besluit van 18 maart 2025 heeft het UWV aan eiseres met ingang van 31 januari 2025 een ZW-uitkering toegekend.
Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is de besluitvorming gevolgd, zoals onder ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.
Standpunt van het UWV
4. Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiseres geen ZW-uitkering meer krijgt, omdat zij per 14 april 2025 geschikt is voor het verrichten van haar maatgevende arbeid. Dat zijn de (voorbeeld)functies die het UWV aan de afwijzing van de WIA-aanvraag van 23 november 2023 ten grondslag heeft gelegd.
Standpunt van eiseres
5. Eiseres stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat haar beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Volgens eiseres hadden meer beperkingen moeten worden aangenomen op de onderdelen persoonlijk functioneren en sociaal functioneren. Uit informatie van Forte GGZ blijkt dat zij bekend is met een posttraumatische stressstoornis. Deze conclusie wijkt af van de conclusie van de verzekeringsarts, waarin wordt uitgegaan van een somatische symptoomstoornis. Vastgesteld moet worden dat op 14 april 2025 naast een somatische symptoomstoornis, ook sprake is van een PTSS. Daarmee is er een objectieve medische grondslag voor de klachten van eiseres, op grond waarvan de verzekeringsarts meer beperkingen had moeten aannemen. Volgens eiseres hadden beperkingen aangenomen moeten worden voor werksituaties met veelvuldige storingen en onderbrekingen (1.8.3), het omgaan met conflicten (2.8) en voor samenwerken (2.9 en 2.12.4). Eiseres voert in dit verband aan dat zij beperkingen heeft voor het snel, geordend werken, voor geconcentreerd werken, het dragen van verantwoordelijkheid, samenwerking en het omgaan met drukte. Uit informatie van MBB Change blijkt verder dat eiseres een inadequate coping heeft, emoties niet toont maar wegstopt en dat zij haar grenzen niet kan aangeven. Eiseres ervaart daarnaast veel stress en de stress is de afgelopen jaren opgelopen.
Eiseres voert verder aan dat zij als gevolg van een FNS bekend is met wegrakingen. Er is met de diagnose FNS een objectieve medische grondslag voor de ervaren klachten van eiseres. Vanwege die wegrakingen moeten aanvullende beperkingen worden gesteld, aldus eiseres.
Eiseres meent verder dat zij de geduide functies archiefmedewerker, medewerker postverzorging (intern) en administratief ondersteunend medewerker niet kan uitvoeren. Eiseres stelt ook niet geschikt te zijn voor de functie medewerker postverzorging (intern). Haar beperkingen op het onderdeel samenwerken (2.9 en 2.12.4) is onverenigbaar met deze functie. In deze functie is geen sprake van een eigen, afgebakende deeltaak, omdat sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de afgebakende deeltaak. Ook is het werken met een collega samen aan één snijmachine onverenigbaar met FNS. Door de wegrakingen wordt het werk geheel onderbroken, waardoor het voortzetten van de werkzaamheden tijdelijk niet mogelijk is. Eiseres is voorts niet in staat de functie van administratief ondersteunend medewerker te verrichten. Vanwege haar PTSS-klachten en stressklachten is zij niet in staat om werk te verrichten met storingen en onderbrekingen.
Reactie UWV
6. In reactie op wat eiseres in beroep heeft aangevoerd, heeft het UWV een rapport van 4 juni 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
De verzekeringsarts heeft in haar rapport van 8 april 2025 aangenomen dat eiseres bekend is met fibromyalgie en overige aandoeningen aan het zenuwstelsel. Zij ziet geen reden om haar op grond van de wegrakingen ongeschikt te achten voor de geduide functies, omdat in geen van de functies een groot beroep wordt gedaan op alertheid.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 september 2025 acht geslagen op het nader onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar mogelijke epilepsie en absences (wegrakingen). Uit brieven van de neuroloog volgt dat er na uitgebreid onderzoek geen aanwijzingen zijn gevonden voor (temporele) epilepsie. Er is dus geen verklarende neurologische pathologie gevonden voor de wegrakingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de verzekeringsarts gevolgd kan worden in haar conclusie dat eiseres geschikt is voor de geduide functies. In deze functies is in relatie tot de wegrakingen geen sprake van een verhoogd persoonlijke risico en autorijden. In zijn aanvullend rapport van 4 juni 2026 komt de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de slotsom dat de medische informatie over, kort gezegd, de wegrakingen geen aanleiding geeft om de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies voor eiseres niet geschikt te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er in dit verband op dat de wegrakingen dateren van na de datum in geding van de WIA-beoordeling (15 februari 2024) en dat geen sprake is van nieuwe medische feiten en omstandigheden op grond waarvan eiseres niet geschikt is te achten voor de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft over de diagnose PTSS opgemerkt dat ook deze diagnose anderhalf jaar na de datum in geding van 15 februari 2024 is gesteld. Eerder is enkel gesproken over een vermoeden van trauma- en stressgerelateerde stoornissen naast een vermoeden van een angststoornis, somatoforme stoornis en stemmingsstoornis. Verder stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de chronische pijnklachten en niet zozeer de psychische klachten en beperkingen op de voorgrond staan. Er bestaat dan ook geen reden voor het aannemen van meer dan wel andere beperkingen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV met het vorenstaande ontoereikend heeft gemotiveerd dat de medische beperkingen van eiseres niet zijn toegenomen. Door te stellen dat er voor wat betreft de wegrakingen geen verklarende neurologische pathologie is gevonden, gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorbij aan het feit dat voor de bij eiseres bestaande wegrakingen in de brief van de verpleegkundig specialist van 9 februari 2026 de diagnose FNS is gesteld, dat die wegrakingen daarmee dus medisch kunnen worden geobjectiveerd en dus tot arbeidsbeperkingen kunnen leiden. Verder volgt uit informatie van de klinisch psycholoog van 10 februari 2026 dat in de gesprekken die sinds juli 2025 met eiseres vanwege haar psychische klachten zijn gevoerd, de diagnose PTSS is gesteld, naast meervoudige en complexe lichamelijke klachten. Dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt, de diagnoses FNS en PTSS na de datum in geding van de WIA zijn gesteld, betekent op zichzelf niet dat de al langer bestaande en sinds de WIA-beoordeling bijkomende (psychische) klachten bij eiseres, en naar nu blijkt te relateren aan onder meer FNS en PTSS, zonder betekenis mogen blijven. Hieruit kunnen immers juist toegenomen beperkingen die voor de ZW-beoordeling van belang zijn voortvloeien. De rechtbank acht verder van belang dat eiseres haar klachten uitvoerig en consistent naar voren heeft gebracht, ondersteund door het dagverhaal en passend bij de gestelde diagnoses.
Gelet op het beeld van eiseres, zoals dat volgt uit de naar voren gebrachte klachten en belemmeringen en dagverhaal, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de klachten, waaronder wegrakingen, als gevolg van PTSS en FNS geen aanleiding geven voor het aannemen van toegenomen beperkingen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat nader onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig is. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor vier weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
9. De rechtbank draagt het UWV op de diagnoses, het dagverhaal van eiseres en de beperkingen en belemmeringen die zij in het dagelijks leven ervaart, gelet op de consistentie en plausibiliteit als uitgangpunt te nemen bij het vaststellen van haar belastbaarheid en het bepalen van de geschiktheid van de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.