RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/340095 / HA ZA 25-378
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.G. Mensink,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.L.A. Verleun.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 4 februari 2026,
- de pleitnota van de advocaat van [eiser] ,
- de pleitnota van de advocaat van [gedaagde] ,
- de aanvullende productie 30 van [eiser] .
De mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, heeft plaatsgevonden op 17 juni 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Voor een samenvatting van de zaak, de feiten en de vordering verwijst de rechtbank naar voormeld vonnis van 4 februari 2026. Zoals in dat vonnis is vermeld, handelt
[gedaagde] ook onder de naam [gedaagde] (in deze procedure afgekort tot [gedaagde] ).
[gedaagde] -zwembaden worden geproduceerd in Frankrijk door “familiebedrijf [bedrijf 1] ” (zie hierna onder 2.3). [gedaagde] is de Nederlandse dealer/importeur van die zwembaden. Via de website van de Franse producent (die bij het openen in/vanuit Nederland beschikbaar is in het Nederlands en waarop ook informatie is vermeld over [gedaagde] ) kan een geïnteresseerde een brochure aanvragen, waarbij de gegevens van die geïnteresseerde worden overgedragen aan de exclusieve [bedrijf 1] -dealer in het land (in Nederland dus aan [gedaagde] ).
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen diverse schermafdrukken van een website overgelegd.
Zijn productie 4 is een schermafdruk van de site “ [internetsite 1] ” en vermeldt:
Welk zwembad kies ik?
De aankoop van een zwembad is een serieuze stap die u maar één keer in uw leven maakt.
(...)
“ ProPiscines® - Kies een bedrijf met het ProPiscines® label, toegekend door de Fédération des Professionnels de la Piscine (FPP), dat zich zowel moreel als professioneel verbindt tot het leveren van kwaliteitsdiensten die voldoen aan de huidige normen en voorschriften”.
(...)
Er zijn slechts 11 “gecertificeerde ProPiscines®” zwembadbouwers, waaronder [bedrijf 1] .
Waarom [bedrijf 1] ?
[bedrijf 1] is een familiebedrijf dat al meer dan 50+ jaar gevestigd is in de Elzas en aanwezig is in 29 landen. Met zijn ProPiscines®- en ISO 9001-certificeringen en garanties hebben meer dan 136 000 gezinnen er op vertrouwd voor hun zwembadprojecten.
De [gedaagde] -zwembaden zijn:
(...)
zuinige zwembaden : door hun zwembaden zelf te bouwen, besparen onze klanten tussen de 30 en 50% op arbeidskosten, maar niet op kwaliteit ;
zwembaden met garantie: 20 jaar voor de structuur en 12 jaar voor de liner.
(...) Waarom kiezen voor een zwembadbouwer met het ProPiscines®-label?
(...) Dit label, toegekend door het FPP, is zowel een blijk van erkenning voor professionals als een blijk van vertrouwen voor kopers van zwembaden .
(...)
Zijn productie 3 is een schermafdruk van de site “ [internetsite 2] ”. Deze vermeldt onder meer:
[gedaagde] ; een persoonlijke aanpak voor een droomzwembad op maat!
(...)
Dankzij jaren ervaring in het bouwen, renoveren en onderhouden van [gedaagde] Zwembaden kunnen wij je van een gedegen advies voorzien.
Vanuit ons kantoor in Mijdrecht begeleiden wij desgewenst bij de aanschaf en plaatsing van een [gedaagde] zwembad.
Denk je aan zelfbouw dan wel samenbouw, waarbij onze zwembad experts jouw aanspreekpunt zijn!
Of geef je juist de voorkeur aan totaalbouw waarbij wij alles uit handen kunnen nemen...ook dát kan! (...)
Via de website heeft hij de door hem als productie 8 overgelegde brochure aangevraagd, die hem door [gedaagde] is toegestuurd met de als productie 12 overgelegde begeleidende brief waarin staat:
Wij zijn de exclusieve leverancier voor [gedaagde] in Nederland en kunnen u begeleiden en adviseren om het zwembad van uw dromen te creëren.
(...)
Bel ons voor een, geheel vrijblijvend, 100% gepersonaliseerd en persoonlijk plaatsingsadvies of gewoonweg voor een vraag die u heeft.
(...)
Is [gedaagde] contractspartij?
In casu heeft [eiser] twee afzonderlijke overeenkomsten gesloten; een koopovereenkomst (waarvan hij de offerte heeft overgelegd als productie 9) en een overeenkomst van aanneming (waarvan de offerte is overgelegd als productie 30).
Na ontvangst van de brochure (zie onder 2.5) is er telefonisch contact geweest tussen [gedaagde] en hem, waarbij [gedaagde] naar aanleiding van zijn keuze voor de “totaalbouw-optie” (alleen) [bedrijf 2] als expert/zwembadbouwer aan hem heeft gepresenteerd, aldus [eiser] . Hij mocht er dan ook vanuit gaan dat hij contracteerde met [gedaagde] , aldus [eiser] , te meer nu op de hiervoor vermelde offertes ook het [gedaagde] -logo prijkt. [gedaagde] heeft daarop aangevoerd dat het uitgangspunt bij [gedaagde] -zwembaden zelfbouw is, maar dat zij contact heeft met ondernemers die bewezen hebben de installatie volgens de door de producent aanbevolen wijze te kunnen uitvoeren. Zij heeft de naam van [bedrijf 2] genoemd als mogelijke aannemer, waarna [eiser] vervolgens zelf contact heeft opgenomen met [bedrijf 2] . [eiser] had dan ook moeten begrijpen dat [bedrijf 2] niet als haar vertegenwoordiger handelde, aldus [gedaagde] .
Het betoog van [eiser] komt er (dus) op neer dat hij mocht aannemen dat:
a. a) [bedrijf 2] niet in eigen naam handelde, maar in naam van [gedaagde] en
b) [bedrijf 2] daartoe een volmacht had (die hij, naar niet in geschil is, in werkelijkheid niet had).
Het antwoord op de vraag of in eigen dan wel in andermans naam is gehandeld, hangt af van wat betrokkenen ( [eiser] en [bedrijf 2] ) jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (het Kribbebijter-criterium, zie (ook) HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034). (Pas) als voormelde vraag bevestigend is beantwoord, is de vraag aan de orde of [eiser] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [bedrijf 2] over een volmacht. Zulke schijn van volmachtverlening vereist een toedoen van de achterman ( [gedaagde] ); een gedraging of nalaten waaruit de derde ( [eiser] ) mocht afleiden dat een toereikende volmacht was verleend (artikel 3:61 lid 2 BW). De schijn kan echter ook worden gebaseerd op vertrouwen ontleend aan feiten of omstandigheden die voor risico komen van de pseudo-achterman (HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671). Daarbij kan het echter niet zo zijn dat de schijn enkel gebaseerd is op verklaringen of gedragingen van degene die onbevoegd handelde
(HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 (Tamacht/Hodenius)).
In hetgeen [eiser] heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat hij mocht aannemen dat [bedrijf 2] heeft gehandeld als vertegenwoordiger van [gedaagde] . Nog daargelaten dat hij niets heeft gesteld over de inhoud van zijn contacten met [bedrijf 2] , geldt dat bij hem naar aanleiding van de van “ [bedrijf 2] ” afkomstige offertes toch minstens enige twijfel had moeten rijzen. De aanwezigheid van het [gedaagde] -logo – waarvan volgens [gedaagde] niet zij, maar de Franse producent de rechthebbende is – op die offertes doet daaraan niet af; het ging immers om aankoop (en vervolgens) plaatsing van een zwembad van het merk [gedaagde] . Gesteld noch gebleken is echter dat hij ter zake navraag heeft gedaan, ook niet toen hij de koop- en aanneemsommen overmaakte op het rekeningnummer van [bedrijf 2] .
Overigens wijst [eiser] gedrag ná het sluiten van de overeenkomsten er veeleer op dat hij er vanuit ging dat [bedrijf 2] handelde in eigen naam. Hij heeft zich immers in eerste instantie met zijn klachten tot [bedrijf 2] gewend en pas (bij het uitblijven van een volgens hem bevredigende reactie) tot [gedaagde] , met een klacht inzake “plaatsing van een zwembad door [bedrijf 2] ”.
Uit het voorgaande volgt dat hetgeen [eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot (zijn beroep op) schijn van volmachtverlening onbesproken kan worden gelaten.
Precontractuele informatieplicht
De precontractuele informatieplicht verplicht een handelaar om de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze te verstrekken voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst. Nu [gedaagde] geen contractspartij is (geworden) bij de overeenkomsten tussen [eiser] en [bedrijf 2] zal de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] haar precontractuele informatieplicht heeft geschonden, worden afgewezen.
Oneerlijke handelspraktijk
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] structureel misleidend gehandeld door zich op de site (zie hiervoor onder 2.5) te presenteren als de (ervaren, deskundige en over een ProPiscine-label beschikkende) partij waarmee zou worden gecontracteerd als zou worden gekozen voor totaalbouw. Dit brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van de gebreken aan het zwembad, dat is verkocht en geplaatst door een (onvindbare, kennelijk onverzekerde en financieel niet draagkrachtige) zzp-er, aldus [eiser] .
Niet in geschil is dat [eiser] kwalificeert als consument in de zin van artikel 6:193a lid 1 onder a BW en [gedaagde] als handelaar in de zin van artikel 6:193a lid 1 onder
b BW. In artikel 6:193b BW is bepaald dat een handelaar onrechtmatig handelt jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is. Oneerlijke handelspraktijken vallen uiteen in misleidende en agressieve handelspraktijken.
Er kan (onder meer) worden gesproken van misleidende handelingen als er (kort gezegd) informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van deze informatie, waardoor de gemiddelde consument (de maatman) een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193c lid 1 BW). Artikel 6:193a lid 1 onder e BW definieert een “besluit over een overeenkomst” als “een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument overgaat tot handelen”. Deze definitie moet ruim worden uitgelegd, in die zin dat “besluit over een overeenkomst” niet alleen ziet op het besluit om een product al dan niet te kopen, maar ook op het besluit dat daarmee rechtstreeks verband houdt (zoals (bijvoorbeeld) de beslissing om door te klikken op een website naar aanleiding van een commercieel aanbod).
In casu is het niet mogelijk om (puur) naar aanleiding van de algemene informatie op de website een koop-, laat staan een aannemingsovereenkomst te sluiten (op de website zelf wordt geen “commercieel aanbod” gedaan). Om inzicht te krijgen in de verkrijgbare types zwembaden zal toch eerst – al dan niet na ontvangst van de brochure – contact moeten zijn met [gedaagde] , die vervolgens (bij een wens tot “totaalbouw”) doorverwijst naar een haar bekende aannemer. Daarmee is het de vraag of is voldaan aan het causaliteitsvereiste van artikel 6:193b BW (te weten dat het moet gaan om een oneerlijke handelspraktijk “waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen”).
Voormelde vraag kan echter onbeantwoord worden gelaten. Zelfs al zou de (niet-geïndividualiseerde) reclame/informatie kunnen worden aangemerkt als ten opzichte van een gemiddelde consument misleidend, dan is daarmee weliswaar sprake van een onrechtmatige daad die [gedaagde] kan worden toegerekend (de onder 2.5 weergegeven informatie op de website zal immers van haar afkomstig zijn c.q. refereert aan haar), maar [eiser] moet aantonen dat er sprake is van causaal verband tussen de misleiding en zijn beslissing tot het sluiten van de overeenkomsten. Dat heeft hij niet gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, wist hij immers, althans had hij moeten weten dat hij zaken deed met [bedrijf 2] . Zijn veronderstelling dat [bedrijf 2] zou beschikken over een ProPiscine-label moet voor zijn rekening blijven, althans komt niet voor rekening van [gedaagde] . Weliswaar maakt [bedrijf 1] op haar website (zie onder 2.4) gewag van dit label (haar toegekend als zwembadbouwer in de zin van producent), maar op het deel van de website waarop informatie over [gedaagde] is vermeld (zie onder 2.5), is geen verwijzing naar dit label te vinden.
Tot slot geldt dat [eiser] slechts heeft gesteld, maar in het geheel niet heeft onderbouwd, dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de inschakeling van [bedrijf 2] . Nog los van het feit dat in deze procedure allerminst als vaststaand kan worden aangenomen dat sprake is van gebreken aan het zwembad (gesteld noch gebleken is dat [bedrijf 2] een en ander heeft erkend) geldt dat evenmin is komen vast te staan dat [bedrijf 2] “onvindbaar, onverzekerd en financieel niet draagkrachtig genoeg” is (waarmee hij geen verhaal zou bieden voor eventuele schade, aldus [eiser] in punt 41 van zijn dagvaarding). Een verklaring voor recht dat [gedaagde] “gehouden is om aan [eiser] te vergoeden alle schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, van welke aard en omvang ook, als gevolg van de levering en oplevering van een gebrekkig/ondeugdelijk zwembad en/of als gevolg van de gebrekkige en ondeugdelijke montage/plaatsing c.q. bouw daarvan” is ook daarom niet toewijsbaar.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.209,00
3. De beslissing
De rechtbank
wijst het gevorderde af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. K.J. Haarhuis op 26 augustus 2026.
EA