RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341123 / HA ZA 25-400
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
1. [partij A1] ,
te [woonplaats 1] ,2. [partij A2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij A1] , [partij A2] en gezamenlijk [partij A] ,
advocaat: mr. H. de Jong,
tegen
1. [partij B1] ,
te [woonplaats 3] ,2. [partij B2] ,
te [woonplaats 4] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B1] , [partij B2] en gezamenlijk [partij B] ,
advocaat: mr. M.D. Ubbink.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de nadere producties van de zijde van [partij B] en de daarna verstuurde brief van 10 april 2026 waarin wordt verzocht een bepaalde zinsnede in de brief van 9 april 2026 als niet geschreven te beschouwen,
- de akte overlegging producties van de zijde van [partij A] ,
- de aanvulling op de conclusie van antwoord in reconventie,- de mondelinge behandeling van 22 april 2026, waar partijen hun standpunten hebben toegelicht, waarbij van de zijde van [partij B] ook gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.
Aan het eind van de mondelinge behandeling hebben partijen met elkaar afgesproken dat zij proberen onder begeleiding van een mediator tot een oplossing van hun geschillen te komen. Bij rolberichten van begin juni 2026 hebben partijen de rechtbank bericht dat dit niet is gelukt.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2. Samenvatting
Partijen zijn buren van elkaar en hebben over en weer vorderingen tegen elkaar ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuur van [partij B] gedeeltelijk op het perceel van [partij A] staat. Dit gedeelte hoeft niet te worden verwijderd vanwege toepassing van artikel 5:54 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze van legalisatie van de betreffende grond. [partij B] moeten de vijf bomen op hun achtererf, die binnen twee meter van de perceelsgrens staan, in het eerstvolgend snoeiseizoen zo kort (laten) snoeien dat de takken niet meer boven het rieten dak van de schuur van [partij A] hangen en dit zo (laten) houden. De door
[partij B] gevorderde verwijdering van de (gestelde) overbouw van de carport zal worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van overbouw. De vorderingen ter zake de coniferenhaag, de klimop/woekerende beplanting, de lamp en de kosten van de kadastrale inmeting zullen ook worden afgewezen.
3. De feiten
Partijen zijn buren van elkaar. [partij A] zijn sinds 10 juli 2020 eigenaar van het perceel en de woning gelegen aan de [adres 1] . [partij B] zijn sinds 1980 eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres 2] .
Tussen de voormalige eigenaren van het perceel en de woning gelegen aan de [adres 1] en [partij B] hebben eerder geschilpunten bestaan. De “Rijdende Rechter” heeft hierover op 12 februari 2016 een bindend advies uitgebracht.
Vanaf 2025 hebben (de (toenmalige) gemachtigden/advocaten van) partijen over en weer met elkaar gecorrespondeerd over verschillende onderwerpen/geschilpunten.
Op 22 mei 2025 heeft het Kadaster, op aanvraag van [partij A] , een grensreconstructie uitgevoerd en een relaas van bevindingen opgesteld.
4. Het geschil
In conventie
[partij A] vorderen (samengevat weergegeven) dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] hoofdelijk veroordeelt:
I. om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis primair de vijf bomen op het achtererf en de coniferenhaag op het voorerf, te verwijderen en verwijderd te houden, althans subsidiair de genoemde vijf bomen zodanig in hoogte teruggesnoeid te houden dat deze niet verder reiken dan de hoogte van de muur van [partij A] dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
II. om binnen twee maanden na betekening van het vonnis een zodanige voorziening te treffen dat de lichtstralen die afkomstig zijn van de lamp in de voortuin van
[partij B] niet langer schijnen op het perceel van [partij A] , dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
III. om binnen twee maanden na betekening van het vonnis het deel van hun schuur/ garage te verwijderen en verwijderd te houden voor zover die schuur/garage op het perceel van [partij A] is gelegen,
IV. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten (€ 925,-) en de helft van de kosten van het Kadaster (€ 270,-),
V. in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In reconventie
[partij B] vorderen (samengevat weergegeven) dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat zij gerechtigd zijn om - tegen een door de rechtbank naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling, althans vergoeding - een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand ofwel een daartoe benodigd gedeelte van het erf te verkrijgen conform het bepaalde in artikel 5:54 lid 3 BW,
II. [partij A] veroordeelt om op eerste verzoek na betekening van het vonnis alle benodigde medewerking te verlenen bij/tot het ten bate van eisers vestigen van een erfdienstbaarheid of aan hen overdragen van de benodigde grond ex artikel 5:54 lid 3 BW, tegen een door de rechtbank daartoe naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling, althans vergoeding;
III. [partij A] veroordeelt binnen vier weken na betekening van het vonnis de klimop, althans woekerende beplanting, in/bij de coniferenhaag (in de voortuin) evenals van de buitenmuur en schutting, daaruit en daarvan geheel te verwijderen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
IV. [partij A] veroordeelt om binnen 2 maanden na betekening van het vonnis het zich op/boven het perceel van [partij B] bevindende gedeelte van de carport blijvend te verwijderen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
V. voorwaardelijk: [partij A] veroordeelt om binnen 2 weken na eerste schriftelijke verzoek van [partij B] daartoe nadat de gestarte bestuursrechtelijke handhavings-procedure onherroepelijk zal zijn beëindigd de alsdan nog boven de coniferenhaag (voortuin) aanwezige rieten mat of een deze vervangend object geheel en blijvend te verwijderen, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom,
VI. [partij A] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een bedrag van € 950,- aan [partij B] te voldoen wegens buitengerechtelijke kosten;
VII. [partij A] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure.
Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling in conventie en in reconventie
Vooraf
Van de zijde van [partij B] is bezwaar gemaakt tegen de aanvulling op de conclusie van antwoord in reconventie en is verzocht deze niet te betrekken bij de beoordeling. Van de zijde van [partij A] is toegelicht waarom deze aanvulling schriftelijk is ingediend. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling besloten dat zij deze aanvulling, mede gelet op de beperkte omvang, zal meenemen bij haar beoordeling.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
De coniferenhaag
[partij A] vorderen dat de coniferenhaag wordt verwijderd. Volgens hen zijn twee stammen van de haag mandelig en is de coniferenhaag verwaarloosd en verouderd. Ook wordt de coniferenhaag nauwelijks gesnoeid of onderhouden en is er sprake van bladophoping. Door [partij B] zijn er stenen tegen de stammen gelegd wat leidt tot bruine/verdorde delen en schimmelvorming. [partij B] hebben verweer gevoerd.
De rechtbank zal deze vordering (bij nog te wijzen eindvonnis) afwijzen. De reden daarvoor is dat de Rijdende Rechter reeds heeft overwogen (bij wege van bindend advies) dat de coniferenhaag op het perceel van [partij B] staat (en dat destijds geen sprake was van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW). Dat de huidige staat van de haag zodanig is dat inmiddels wel sprake is van onrechtmatige hinder, is door [partij A] wel aangevoerd, maar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Verwijdering van klimop/woekerende beplanting
In reconventie hebben [partij B] gevorderd dat [partij A] de klimop in/bij de coniferenhaag alsmede van de buitenmuur en schutting moeten verwijderen. [partij B] stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder en overlast als bedoeld in artikel 5:37 BW omdat door de door [partij A] welbewust geplante klimop de coniferen langzamerhand verstikt en verzwakt raken. Het handelen van [partij A] past niet bij "normaal tuinonderhoud", maar is kennelijk met voorbedachten rade uitgevoerd met als doel de coniferenhaag op termijn te zien wegkwijnen en verdwijnen. Daarbij komt dat [partij A] hadden toegezegd (bij brief van hun advocaat van 29 mei 2025) dat zij de klimop zouden verwijderen. Dit is nog niet gebeurd. In het niet nakomen van deze concrete toezegging en het tijdsverloop ligt een grond voor het opleggen van dwangsommen bij niet nakoming van het gevorderde, aldus [partij B] Volgens [partij A] hebben zij de klimop voor zover mogelijk verwijderd en is er geen schade aan de haag ten gevolge van de klimop.
De rechtbank zal de vordering (bij nog te wijzen eindvonnis) afwijzen. Gelet op de betwisting van [partij A] had het op de weg van [partij B] gelegen om de door hen ingenomen stelling dat sprake is van onrechtmatige hinder en overlast in de zin van artikel 5:37 BW door de door [partij A] geplaatste klimop met verifieerbare gegevens zoals bijvoorbeeld foto’s en/of een verklaring van een hovenier, te onderbouwen. De foto’s die zijn overgelegd als productie 10 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie volstaan daartoe niet, reeds omdat niet duidelijk is wanneer deze foto’s zijn gemaakt. Bovendien zijn deze foto’s veeleer overgelegd ter onderbouwing van de stelling van [partij B] dat er schade aan de heg is ontstaan doordat [partij A] zijn overgegaan tot het herhaaldelijk provisorisch “snoeien” van de heg en het er middenin plaatsen van kippengaas. De vordering strekt echter tot het verwijderen van klimop. Dat er nog (in zodanige mate) klimop aanwezig is dat als onrechtmatige hinder en/of overlast kan worden beschouwd is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet komen vast te staan.
Bomen
[partij A] vorderen met betrekking tot vijf op het achtererf van [partij B] staande bomen dat deze worden verwijderd, althans teruggesnoeid tot een hoogte van de muur van [partij A] baseren deze vordering op artikel 5:42 BW. [partij B] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
Op grond van artikel 5:42 leden 1 en 2 BW is het niet geoorloofd om binnen twee meter van de erfgrens bomen, en binnen een afstand van 0,5 meter heesters of heggen te hebben, tenzij in de plaatselijke verordening een kleinere afstand is toegelaten. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven.
De rechtbank stelt vast dat niet gesteld of gebleken is dat in de algemene plaatselijke verordening een kleinere afstand is toegelaten.
Artikel 5:49 BW staat als regel een scheidsmuur van twee meter hoogte toe en artikel 5:42 lid 3 BW laat parallel daaraan bomen, heesters of heggen tot de hoogte van de scheidsmuur toe. De nabuur kan zich dus niet verzetten tegen de aanwezigheid van bomen, heesters of heggen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven. In dat geval is er dus geen sprake van een ongeoorloofde toestand, zodat geen verwijdering kan worden gevorderd.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de betreffende bomen binnen twee meter van de perceelsgrens staan. Voor zover [partij B] hebben beoogd dat tijdens de mondelinge behandeling alsnog te betwisten gaat de rechtbank hieraan voorbij, gelet op het eerder door of namens hen ingenomen standpunt. Bovendien hebben zij ook op geen enkele wijze onderbouwd dat de bomen niet binnen de vermelde grens staan. De rechtbank stelt verder vast dat de Rijdende Rechter de vordering van de rechtsvoorgangers van [partij A] tot verwijdering van twee bomen die op korte afstand van de schuur met het rieten dak staan, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 5:42 lid 3 BW heeft afgewezen. Daarbij heeft de Rijdende Rechter geoordeeld dat de schuur met het dak ter plaatse in feite de scheidsmuur tussen de erven is. Wel moeten [partij B] deze bomen zo kort snoeien dat de takken niet meer boven het rieten dak van de schuur van de rechtsvoorgangers van [partij A] overhangen. Aan dit oordeel van de Rijdende Rechter zijn partijen gebonden.
Hoewel het de rechtbank niet helemaal duidelijk is geworden op welke twee van de op dit moment vijf aanwezige bomen dit oordeel van de Rijdende Rechter betrekking heeft, maakt dit in zoverre ook niet uit, nu in feite voor alle bomen hetzelfde geldt. De vijf bomen hoeven niet verwijderd te worden op grond van artikel 5:42 lid 3 BW. Dit betekent dat de primaire vordering tot verwijdering van de bomen wordt afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat, anders dan in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie door [partij B] is gesteld, de kerspruim niet gekapt en verwijderd is. [partij B] stellen dat deze boom fors is gesnoeid. Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling leidt de rechtbank af dat tussen partijen niet in geschil is dat de kerspruim op dat moment niet hoger reikte dan de scheidsmuur. Ook voor de andere vier bomen geldt dat deze bomen niet hoger mogen reiken dan de scheidsmuur, zijnde de schuur met het rieten dak. Van de zijde van [partij B] is tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat deze bomen “er boven uit steken” en dat ze hoger zijn dan de kerspruim. Om partijen duidelijkheid voor de toekomst te geven, zal de rechtbank de subsidiaire vordering van [partij A] toewijzen in die zin dat [partij B] (bij nog te wijzen eindvonnis) worden veroordeeld om de vijf bomen op hun achtererf, die binnen twee meter van de perceelsgrens staan, in het eerstvolgend snoeiseizoen zo kort te (laten) snoeien dat de takken niet meer boven het rieten dak van de schuur van [partij A] hangen en dit zo te (laten) houden. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot een bedrag van € 100,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag dat niet wordt voldaan aan deze veroordeling en gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,-.
De lamp
Met betrekking tot de gevorderde voorziening betreffende de lamp in de voortuin van [partij B] overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de lamp inmiddels is afgekoppeld en dat de lamp begin januari 2025, dus vóór de betekening van de dagvaarding, voor het laatst aan is geweest. Bij deze stand van zaken is er – ervan uitgaande dat [partij B] de lamp niet meer (gaan) gebruiken op de wijze als vóór begin januari 2025 – geen aanleiding om de vordering toe te wijzen. Daarbij wordt opgemerkt dat mag worden aangenomen dat er op enig moment afdoende begroeiing is om de gewraakte hoeveelheid lichthinder te voorkomen (waarbij [partij A] toch enige vorm van (licht)hinder zal hebben te dulden). Uiteraard is daarbij in algemene zin moeilijk te duiden waar de grens ligt (tussen wat buren van elkaar moeten dulden en wat onrechtmatige hinder is).
De rieten mat
Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [partij B] te kennen gegeven dat de mat intussen is verwijderd en aan de beoordeling van de voorwaardelijke vordering in reconventie niet meer hoeft te worden toegekomen. De rechtbank begrijpt hieruit dat de voorwaardelijke vordering in reconventie niet wordt gehandhaafd en zal deze dan ook niet bespreken.
Verwijdering deel schuur/garage op het perceel van [partij A]
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van overbouw van de schuur/garage van [partij B] op het perceel van [partij A] Dit heeft de Rijdende Rechter ook geoordeeld in zijn bindend advies. De Rijdende Rechter heeft de door de rechtsvoorgangers van [partij A] gevorderde verklaring voor recht toegewezen in die zin dat voor recht is verklaard dat het (partijen genoegzaam bekende) gedeelte van de schuur en de daaraan bevestigde goot op het perceel [perceel] van de rechtsvoorgangers van [partij A] staan. In het bindend advies van de Rijdende Rechter is ook overwogen dat dit wordt gedoogd door de rechtsvoorgangers van [partij A] en dat zij geen verwijdering van dit gedeelte van de schuur en goot eisen.
[partij A] gedogen die overbouw van het hiervoor genoemde gedeelte van de schuur en de goot echter niet en vorderen verwijdering hiervan. Als eigenaren van perceel [perceel] kunnen [partij A] in beginsel op grond van artikel 5:1 BW jo 5:2 BW afbraak van de overbouw vorderen. Een vordering tot afbraak kan op grond van artikel 5:1 BW juncto artikel 5:2 BW worden toegewezen, tenzij er sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW of als door de wederpartij met succes een vordering wordt ingesteld op grond van artikel 5:54 BW. [partij B] doen in conventie en in reconventie zowel een beroep op artikel 5:54 lid 1 en 3:13 BW.
Beroep op artikel 5:54 BW
Artikel 5:54 lid 1 BW bepaalt dat als de eigenaar van een gebouw of werk (in dit geval [partij B] ) door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld dan de eigenaar van het erf door handhaving daarvan (in dit geval [partij A] ), de eigenaar van het gebouw ( [partij B] ) te allen tijde kan vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf ( [partij A] ), een daartoe benodigd gedeelte van het erf wordt overgedragen. Dit kan niet als de eigenaar van het gebouw ( [partij B] ) ter zake van de bouw kwade trouw of grove schuld verweten kan worden (zie artikel 5:54 lid 3 BW).
Het komt dus aan op een weging van de belangen van partijen, tenzij er sprake is van kwade trouw of grove schuld.
Grove schuld?
[partij A] stellen dat er sprake is van grove schuld aan de zijde van [partij B]
De rechtbank stelt voorop dat de kwalificatie grove schuld verbonden is aan feiten en omstandigheden. Ten aanzien van deze feiten en omstandigheden hebben [partij A] de stelplicht en bewijslast, nu zij zich beroepen op artikel 5:54 lid 3 BW. In dit verband stellen [partij A] dat het op de weg van [partij B] lag om als initiatiefnemers van de bouw het Kadaster te raadplegen. Dat zij dat niet hebben gedaan, komt voor hun eigen rekening en risico en kan [partij A] niet worden tegengeworpen. [partij A] menen dan ook dat [partij B] hun onderzoeksplicht hebben verzaakt. Dit levert onder de gegeven omstandigheden grove schuld op, aldus [partij A]
[partij B] betwisten dat er sprake is van grove schuld. In dat kader voeren zij aan dat in 1992/1993 de gedateerde houten schuur/garage opnieuw is opgetrokken (uit rode steen en groene dakplaten) en dat in 1999 de voorzijde hiervan en de helft van de zijkanten werden opgetrokken uit witte steen. Het geheel werd voorzien van rode dakpannen, een en ander in combinatie met nieuwbouw van het woongedeelte. Daarbij is gebruik gemaakt van de diensten van twee aannemers en een architect. Bij de herbouw is te goeder trouw ervan uitgegaan dat de oorspronkelijke bebouwing ruim genoeg binnen de kadastrale
perceelsgrenzen stond om dit op eigen perceel te kunnen (laten) uitvoeren. Eventuele fouten van een aannemer (of architect) kunnen hen niet als opzet of grove schuld worden aangerekend. De nieuwe muur in kwestie is op de oude fundering opgetrokken. De voorhanden zijnde kadastrale informatie uit 1997/1998 ondersteunde dit uitgangspunt volgens [partij B] Er bestond geen aanleiding voor twijfel over de juiste bouwlocatie, zodat op hen geen (nadere) onderzoeksplicht rustte, aldus [partij B]
De rechtbank overweegt dat van grove schuld van [partij B] in de zin van artikel 5:54 lid 3 BW (pas) sprake is als hen een ernstig verwijt ervan kan worden gemaakt dat zij op het perceel van [partij A] hebben gebouwd. Voorzover dit een gevolg is van fouten die door anderen zijn gemaakt, in het bijzonder de in hun opdracht werkende architect, kan hen dit niet zonder meer persoonlijk als grove schuld worden tegengeworpen.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] , mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van [partij B] , onvoldoende hebben aangevoerd om te concluderen dat er sprake is van grove schuld aan de zijde van [partij B] De enkele omstandigheid dat het Kadaster voorafgaande aan de (gedeeltelijke) (her)bouw van de schuur niet is geraadpleegd is op zichzelf onvoldoende om grove schuld aan te nemen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat onweersproken door [partij B] is gesteld dat de herbouw van de schuur heeft plaatsgevonden op de oude fundering. Verder acht de rechtbank van belang dat gesteld noch gebleken is dat de rechtsvoorgangers van [partij A] ten tijde van de (her)bouw van de garage/schuur [partij B] hebben gewaarschuwd tegen (mogelijke) overschrijding van de perceelsgrens of bezwaren hebben geuit tegen de (her)bouw van de garage/schuur op grond waarvan van [partij B] extra oplettendheid of nader onderzoek kon worden gevergd. In de door [partij A] overgelegde verklaring van de heer [naam 1] van
16 januari 2025 komt de overbouw van de schuur/garage ook niet aan de orde. Dat uiteindelijk is gebleken dat er over de perceelsgrens is gebouwd, is [partij B] weliswaar toe te rekenen, maar op basis van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat dit is te kwalificeren als grove schuld. De overschrijding is, alle omstandigheden in ogenschouw nemende, ook niet zodanig dat al direct voor een leek duidelijk was dat de erfgrens werd overschreden en bovendien bevindt de overschrijding zich ook (gedeeltelijk) op hoogte, namelijk wat betreft de dakgoot.
De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van grove schuld. Het beroep van [partij B] op artikel 5:54 BW moet daarom niet op voorhand worden afgewezen.
Belangenafweging
Naar het oordeel van de rechtbank valt de belangenafweging in het voordeel van [partij B] uit. Voldoende is gebleken dat [partij B] onevenredig veel zwaarder benadeeld worden door afbraak van het overstekende gedeelte van de schuur/garage met dakgoot dan [partij A] door handhaving daarvan. [partij B] hebben in dat kader naar voren gebracht dat verwijdering van de overbouw een zware klus zal zijn die de nodige tijd en kosten zal vergen. Voor zover zij op hun gevorderde leeftijd hebben gewezen en op verstoring van hun woongenot hecht de rechtbank daar minder waarde aan, nu zij de verbouwing ook kunnen laten doen door een derde en het niet hun woning betreft. Wel acht de rechtbank van belang dat, zoals [partij B] ook hebben aangevoerd, er sprake is van (op zeer korte afstand gelegen) belendende bebouwing wat de afbraak van de overbouw ook (extra) gecompliceerd maakt. [partij A] hebben gewezen op hun te respecteren
eigendomsrecht. Dat is een gerechtvaardigd belang, maar legt vanwege de verstrekkende gevolgen voor [partij B] minder gewicht in de schaal. Voor zover [partij A] naar voren hebben gebracht dat de dakgoot van de schuur niet wordt bijgehouden door [partij B] en dat deze daardoor overloopt waardoor zij schade ondervinden, legt dit naar het oordeel van de rechtbank niet zoveel gewicht in de schaal dat dat verwijdering van de overbouw rechtvaardigt. Ook als de overbouw wordt verwijderd, is er op beide percelen sprake van bebouwing op een zodanig korte afstand van de perceelsgrens dat dit het bijhouden van de goten bemoeilijkt. In zoverre is dit een aspect dat losstaat van de verwijdering van de overbouw. Dit neemt echter niet weg dat van [partij B] kan worden verlangd dat zij de dakgoot van de schuur geregeld (laten) schoonmaken en voorkomen dat deze overloopt.
De slotsom is dat [partij B] onevenredig veel zwaarder worden benadeeld door afbraak van de overbouw van de schuur/garage (inclusief dakgoot). De vordering van [partij A] in conventie tot verwijdering van de overbouw van de schuur/garage (inclusief dakgoot) wordt dan ook afgewezen.
Wijze van legalisatie
Gelet op het voorgaande resteert de vraag hoe tot legalisatie van de bestaande toestand moet worden gekomen. Legalisatie kan plaatsvinden door overdracht van de betreffende grond aan [partij B] of door het vestigen van een erfdienstbaarheid tegen schadeloosstelling. Het gevorderde in reconventie door [partij B] strekt daar ook toe.
[partij A] hebben zich niet (expliciet) uitgelaten welke keuze hun voorkeur geniet. Daarom zal de rechtbank [partij A] in de gelegenheid stellen om hun keuze tussen vestiging van een erfdienstbaarheid tegen schadeloosstelling of overdracht van de betreffende grond aan [partij B] bij akte kenbaar te maken, waarbij zij zich tevens dienen uit te laten over de omvang van de schadeloosstelling of grondprijs bij overdracht.
[partij B] zullen in de gelegenheid worden gesteld om hier bij antwoordakte op te reageren.
Voor zover er in dit kader (nog) discussie is over de (exacte) omvang van de overbouw, is de rechtbank van oordeel dat moet worden aangesloten bij het bindend advies van de Rijdende Rechter en de ten behoeve van dit advies verrichte kadastrale (in)metingen, zoals neergelegd in het relaas van bevindingen van 5 februari 2016. De Rijdende Rechter heeft immers destijds overwogen dat de schuur/garage van [partij B] gedeeltelijk op de grond van de rechtsvoorgangers van [partij A] staat (en dat dat niet in geschil is). Hier zijn partijen aan gebonden, zodat het ook voor de hand ligt om uit te gaan van de kadastrale (in)metingen die ten behoeve van dit advies hebben plaatsgevonden. Redenen om hiervan af te wijken zijn niet, althans onvoldoende, concreet aangevoerd.
Carport
Tussen partijen is in geschil of de door [partij A] gerealiseerde carport gedeeltelijk op het perceel van [partij B] is gebouwd. [partij B] stellen dat dit het geval is en vorderen dan ook verwijdering van deze overbouw. [partij A] betwisten dat er sprake is van overbouw en verwijzen daarbij naar het relaas van bevindingen dat op 22 mei 2025 is opgesteld door het Kadaster.
De rechtbank zal deze vordering van [partij B] afwijzen. Reden daarvoor is dat [partij A] met het hiervoor vermelde relaas van bevindingen gemotiveerd hebben betwist dat de carport gedeeltelijk over de perceelsgrens is gebouwd. Dat [partij B] niet aanwezig zijn geweest bij de kadastrale inmeting en in die zin sprake is van een eenzijdige opdracht van [partij A] hoeft er op zichzelf niet aan in de weg te staan dat dit relaas van bevindingen kan worden gebruikt in deze procedure. Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij A] , op de weg van [partij B] gelegen om hun eigen standpunt ter zake de carport meer “handen en voeten te geven”. Dat hebben zij nagelaten. Uit de door [partij B] overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een overbouw van 31 centimeter. Voor zover [partij B] verwijst naar de door haar aangebrachte (indicatieve) arcering op het relaas van bevindingen van 22 mei 2025 en het daarbij vermelde nummer 31 overweegt de rechtbank dat dat ook geen steun biedt voor de conclusie dat sprake is van overbouw. De betreffende arcering is immers aangebracht bij de schuur en niet bij de carport (die daaronder is ingetekend). Bij deze stand van zaken is niet komen vast te staan dat sprake is van overbouw van de carport. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu er geen (voldoende) specifiek en concreet bewijsaanbod op dit onderdeel is gedaan.
Kosten kadastrale inmeting 2025
De door [partij A] gevorderde vergoeding van de helft van de kosten van de kadastrale inmeting in 2025 wijst de rechtbank af. Reden daarvoor is dat uiteindelijk eenzijdig opdracht is verstrekt door [partij A] en [partij B] ook niet aanwezig zijn geweest bij de inmeting. Dat partijen de bedoeling hadden om gezamenlijk een kadastrale inmeting te laten verrichten doet hier niet aan af. Uit de overgelegde correspondentie blijkt immers dat van de zijde van [partij A] bij e-mailbericht van 19 mei 2025 aan mevrouw [naam 2], secretaresse bij het advocatenkantoor waar mr. Ubbink werkzaam is, is gevraagd of het [partij B] schikt om op 22 mei 2025 de grenscreonstructie te laten uitvoeren, maar dat daarop geen (bevestigende) reactie is gekomen. Mede gelet op het uitblijven van een reactie, de korte termijn en de omstandigheid dat het e-mailbericht niet rechtstreeks gericht was aan de advocaat van [partij B] had het voor de hand gelegen om opnieuw (telefonisch) contact te leggen met de advocaat van [partij B] over het moment waarop de grensreconstructie zou plaatsvinden. Dat is nagelaten. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet redelijk dat [partij B] voor de helft moeten bijdragen in de kosten van deze grensreconstructie.
Conclusie
In dit vonnis heeft de rechtbank een aantal beslissingen genomen over punten die partijen verdeeld houden. Om tot een eindvonnis te kunnen komen, zullen echter nog proceshandelingen verricht moeten worden. Gelet op de tijd en kosten die daarbij horen, wil de rechtbank partijen erop wijzen dat het hen vrij staat om alsnog te proberen een minnelijke regeling met elkaar te treffen.
Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
in reconventie
bepaalt dat [partij A] zich uiterlijk op woensdag 9 september 2026 bij akte dienen uit te laten over hetgeen is overwogen onder 5.26.,
bepaalt dat [partij B] zich uiterlijk op woensdag 23 september 2026 bij antwoordakte dienen uit te laten over de akte van [partij A] ,
in conventie en in reconventie
houdt iedere (verdere) beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken door
mr. K.J. Haarhuis op 26 augustus 2026.