ECLI:NL:RBROT:2026:10954

ECLI:NL:RBROT:2026:10954

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer C/10/710874 HA ZA 25-1030
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Voormalig bestuurder is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk voor achterstallige huur van geliquideerde BV. Ernstig persoonlijk verwijt i.v.m. de wijze waarop de BV is geliquideerd.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Handel en haven

Zaaknummer: C/10/710874 / HA ZA 25-1030

Vonnis van 26 augustus 2026

in de zaak van

B.V. PROPERTY INVESTMENT ROTTERDAM P.I.R.,

te Rotterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: PIR,

advocaat: mr. M.A.C. Backx,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A. El Ouath.

1. De zaak in het kort

PIR vordert betaling door [gedaagde] van de door [bedrijf 1] onbetaald gelaten huurachterstand op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde] was de indirecte bestuurder van voornoemde vennootschap, die inmiddels door liquidatie is opgehouden te bestaan. De rechtbank oordeelt dat het aangaan van de huurovereenkomst niet leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Wel kan [gedaagde] een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt worden van de wijze waarop hij de vennootschap heeft geliquideerd. Aangezien [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover PIR zal hij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid worden veroordeeld om de achterstallige huur aan PIR te betalen. De rechtbank zal haar beslissingen hierna motiveren.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 november 2020 [opmerking rechtbank: bedoeld is 2025] met producties 1 tot en met 14; - de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

- de brief van de rechtbank van 24 februari 2026 met een oproep voor een mondelinge behandeling;

- aanvullende productie 15 van PIR;

- aanvullende productie 16 van PIR;

- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026;

- de spreekaantekeningen van de advocaat van PIR;

- de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagde] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

PIR heeft een winkelruimte verhuurd aan [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Tussen 2013 en eind 2019 was de eerste huurovereenkomst tussen PIR en [bedrijf 1] van kracht. Daarna zijn deze partijen per maart 2020 een nieuwe huurovereenkomst met elkaar aangegaan, waarin een kortere wederzijdse opzegtermijn is opgenomen.

[bedrijf 1] was gericht op de verkoop van meubels, woondecoratie en interieuraccessoires. De enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] was [bedrijf 2] B.V. De enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V., die ook is opgehouden te bestaan door liquidatie, was [gedaagde] .

PIR is op 24 juli 2020 een procedure gestart tegen [bedrijf 1] in verband met een huurachterstand.

Op 5 augustus 2020 is [bedrijf 1] ontbonden bij besluit van haar algemene vergadering van aandeelhouders, waarna [bedrijf 1] op 12 augustus 2020 is uitgeschreven uit het handelsregister. [gedaagde] is bij de KvK geregistreerd als vereffenaar en de bewaarder van de boeken en bescheiden.

Bij vonnis van 20 augustus 2020 is [bedrijf 1] bij verstek veroordeeld om PIR’s vordering op haar uit hoofde van de huurachterstand te betalen. De hoofdsom bedraagt € 24.799,76. Inclusief nog te betalen termijnen na het uitspreken van het vonnis, proceskosten, nakosten, executiekosten en rente bedraagt de vordering van PIR op [bedrijf 1] € 42.113,51.

Op 15 november 2021 en 8 december 2021 heeft PIR [gedaagde] aangeschreven tot betaling van de openstaande vordering van € 42.113,51. Vervolgens is [gedaagde] nog bij deurwaardersexploot gesommeerd om te betalen op 10 februari 2023 en 20 maart 2025, maar betaling is uitgebleven.

Op 13 maart 2024 en 24 december 2024 zijn er namens PIR derdenbeslagen gelegd ten laste van [bedrijf 1] .

4. Het geschil

PIR vordert - samengevat – dat deze rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens PIR onrechtmatig heeft gehandeld;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan PIR van een bedrag van € 42.113,51, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 40.104,76 vanaf 3 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening en de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW over € 1.716,18 vanaf 3 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde] veroordeelt tot de nadere kosten deurwaarder van € 1.375,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan PIR van primair de volledige juridische kosten van € 4.201,00 (ex BTW) en subsidiair tot de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.196,14 (ex BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van PIR, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van PIR, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van PIR in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Toetsingskader bestuurdersaansprakelijkheid: is er sprake van een ernstig persoonlijk verwijt?

Het is vaste rechtspraak dat in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die ontstaat wanneer zij niet aan haar verplichtingen voldoet. Onder bijzondere omstandigheden kan de bestuurder echter naast de vennootschap aansprakelijk zijn. Daarvoor is nodig dat aan die bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van de door de schuldeiser van de vennootschap geleden schade. Daarbij is de drempel hoog. Als ratio voor deze hoge drempel wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemd dat bestuurders de ruimte moeten hebben om in het belang van de rechtspersoon beslissingen te nemen waaraan risico’s voor de rechtspersoon zijn verbonden, zonder dat zij hoeven te vrezen voor aansprakelijkheid. Bestuurders zijn niet aansprakelijk voor iedere gemaakte fout of vergissing.

In de rechtspraak is dit nader uitgewerkt. Een bestuurder is, voor zover nu relevant, in principe aansprakelijk indien:

- hij namens de vennootschap een verplichting is aangegaan, terwijl hij bij het aangaan wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van een onbetaald gebleven schuldeiser (de zogeheten Beklamel-norm);

- hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat dit zou gebeuren en ook dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor de schade; of:

- hem op andere wijze een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden van de schade van de schuldeiser van de vennootschap.

Een ander relevant aspect is of niet alleen de bestuurder, maar ook de schuldeiser van de vennootschap bij het aangaan van een overeenkomst of het laten oplopen van een betalingsverplichting wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de vennootschap niet zou betalen. Het gaat er daarbij niet om dat de bestuurder en de schuldeiser precies dezelfde informatie hadden, maar wel dat zij ongeveer over dezelfde gegevens met betrekking tot de kredietwaardigheid van de vennootschap beschikten. In dat geval heeft de bestuurder immers geen kennisvoorsprong en wekt hij ook geen valse indruk van kredietwaardigheid bij het aangaan van de overeenkomst namens de vennootschap met de schuldeiser.

Deze zaak gaat in de kern dus om de vraag of [gedaagde] , als middellijk bestuurder van [bedrijf 1] , op basis van bestuurdersaansprakelijkheid persoonlijk aansprakelijk is voor de huurachterstanden. Hierbij wordt er gekeken naar de vraag of (i) [gedaagde] op het moment van het aangaan van de nieuwe huurovereenkomst wist of had moeten weten dat [bedrijf 1] niet in staat zou zijn om de huur te betalen en geen verhaal zou bieden en (ii) [gedaagde] door zijn handelswijze rondom de liquidatie een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van de schade van PIR.

Geen bestuurdersaansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm: niet is gebleken dat [gedaagde] wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen

PIR legt aan haar vordering allereerst ten grondslag dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk is, omdat [gedaagde] namens [bedrijf 1] de huurovereenkomst is aangegaan, terwijl hij op dat moment wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de vennootschap haar betalingsverplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. PIR wijst erop dat op 23 maart 2020 wilsovereenstemming is bereikt over de nieuwe huurovereenkomst, waarna de huurovereenkomst op 31 maart 2020 is ondertekend. Deze laatstgenoemde datum is dan volgens PIR ook het peilmoment voor de Beklamel-norm. De huur is slechts over de maanden maart en april 2020 voldaan en daarna niet meer. Door onder die omstandigheden de nieuwe huurovereenkomst aan te gaan heeft [gedaagde] volgens PIR zodanig onzorgvuldig gehandeld dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij ten tijde van het aangaan van de nieuwe overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 1] haar verplichtingen niet zou komen nakomen en geen verhaal zou bieden. Zo heeft [gedaagde] aangevoerd dat [bedrijf 1] ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, en dat zou volgens hem op 1 maart 2020 zijn geweest, financieel in een stabiele positie verkeerde en dat dit ook uit de door PIR als productie 5 ingebrachte jaarrekening over het boekjaar 2019 blijkt. Van acute financiële problemen of andere signalen die wezen op een onhoudbare exploitatie van de onderneming was op dat moment geen sprake.

Verder heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat Nederland kort na het aangaan van de nieuwe huurovereenkomst werd geconfronteerd met de uitbraak van de coronapandemie. Op 23 maart 2020 volgde het dringende advies om zoveel mogelijk thuis te blijven en werden verdere beperkende maatregelen ingevoerd. Als gevolg daarvan had [bedrijf 1] nauwelijks bezoekers meer in haar showroom en viel de omzet nagenoeg weg. Ondanks deze uitzonderlijke omstandigheden heeft [bedrijf 1] de huur over de maanden maart en april 2020 nog voldaan. Pas nadat de beperkende coronamaatregelen werden verlengd en de omzet langduriger uitbleef ontstonden er betalingsproblemen.

Of de peildatum op 1 maart 2020 ligt, zoals door [gedaagde] aangevoerd, of op 31 maart 2020, kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de stellingen van PIR niet dat [gedaagde] in maart 2020 wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. PIR heeft onvoldoende weersproken dat de betalingsproblemen zijn ontstaan als gevolg van de coronapandemie en de daaropvolgende overheidsmaatregelen die hebben gezorgd voor een wegvallende omzet. Het was voor [gedaagde] niet voorzienbaar dat deze coronaomstandigheden en voortzettende overheidsmaatregelen zich zouden voordoen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst.

PIR heeft overigens onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] bij het aangaan van de huurovereenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden. De rechtbank oordeelt daarom dat deze grondslag voor bestuurdersaansprakelijkheid niet slaagt.

Wel kan [gedaagde] een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt van de wijze waarop hij [bedrijf 1] heeft geliquideerd, waardoor er op deze grond wel sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid

Verder heeft PIR aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] als bestuurder onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door [bedrijf 1] te liquideren, terwijl hij wist dat PIR een vordering op [bedrijf 1] heeft en terwijl de procedure daarover reeds aanhangig was. PIR stelt dat [gedaagde] heeft nagelaten inzicht te geven in de financiële situatie van [bedrijf 1] en heeft nagelaten haar belangen te respecteren met deze liquidatie, als gevolg waarvan PIR nu een onverhaalbare vordering heeft op een vennootschap die is opgehouden te bestaan. Dit alles is zo onzorgvuldig, dat [gedaagde] daarvan een ernstig verwijt valt te maken.

De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat een bestuurder besluit een vennootschap te ontbinden terwijl de vennootschap nog schulden heeft op zichzelf niet zonder meer meebrengt dat de bestuurder persoonlijk aansprakelijk is jegens de schuldeisers van die vennootschap. Dit kan anders zijn als de bestuurder bij de ontbinding en verdere afwikkeling zodanig heeft gehandeld dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat er voldoende omstandigheden aanwezig zijn om tot bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] te concluderen. Daartoe is het volgende redengevend.

Vast staat dat PIR op 24 juli 2020 de dagvaarding aan [bedrijf 1] heeft laten betekenen. Op dat moment was [gedaagde] als bestuurder dus op de hoogte van de vordering van PIR en van het feit dat er een gerechtelijke procedure aanhangig was gemaakt. Vervolgens heeft [gedaagde] als aandeelhouder [bedrijf 1] op 5 augustus 2020 ontbonden. Dat was slechts twaalf dagen na betekening van de dagvaarding. Ten tijde van de ontbinding wist [gedaagde] dus dat PIR zich op het standpunt stelde dat [bedrijf 1] een aanzienlijke huurachterstand had en dat PIR deze huurachterstand wilde innen. [gedaagde] heeft ervoor gekozen verstek te laten gaan en de vordering van PIR niet te weerspreken. Dat heeft tot het verstekvonnis van 20 augustus 2020 geleid.

Zoals door PIR is gesteld heeft [gedaagde] na de ontbinding geen inzicht gegeven in de financiële situatie van [bedrijf 1] en evenmin in de wijze waarop de op dat moment aanwezige activa zijn vereffend, terwijl uit de jaarrekening over 2019, die op 11 augustus 2020 door [gedaagde] is gedeponeerd bij de KvK, volgt dat [bedrijf 1] eind 2019 beschikte over:

materiële vaste activa ter grootte van € 78.308,00,

voorraden ter grootte van € 47.000,00,

vorderingen ter grootte van € 68.273,00 en

liquide middelen ter grootte van € 9.848,00,

zodat het totaal aan activa € 203.429,00 bedraagt volgens deze jaarrekening.

Niet is vast komen te staan hoe de activa liquide zijn gemaakt

Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat de post materiële vaste activa bestond uit showroommodellen. Deze zijn volgens hem verkocht voor circa € 40.000,00. Verder heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat de voorraden onder of rond de kostprijs zijn verkocht en dat die ongeveer € 15.000,00 tot € 20.000,00 hebben opgeleverd. [gedaagde] heeft echter geen administratie of andere stukken overgelegd waaruit blijkt wat de showroommodellen en voorraden hebben opgeleverd. Hierdoor valt niet na te gaan of de showroommodellen en voorraden daadwerkelijk voor de door [gedaagde] genoemde bedragen zijn verkocht. De mededeling ter zitting dat [gedaagde] van de vorderingen op de balans niets heeft kunnen incasseren, is evenmin onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn standpunt te onderbouwen met verkoopfacturen, bankafschriften, correspondentie of andere (administratieve) stukken. De omstandigheid dat [gedaagde] niet over de relevante onderliggende (administratieve) stukken beschikt omdat dit, zoals hij verklaard, gaat om een situatie van jaren geleden komt voor zijn rekening en risico. Als (indirect) bestuurder, daarna vereffenaar en bewaarder van de boeken en bescheiden van [bedrijf 1] mag van hem verwacht worden dat hij een deugdelijke administratie heeft en bewaart. Dat geldt temeer nu ten tijde van de ontbinding nog schuldeisers, zoals PIR, onbetaald waren gebleven en [gedaagde] wist dat PIR een gerechtelijke procedure aanhangig had gemaakt om haar vordering te innen.

[gedaagde] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat er daadwerkelijk schuldeisers zijn betaald

Verder heeft [gedaagde] ter zitting aangevoerd dat de verkoopopbrengsten en overige liquide middelen die [bedrijf 1] had zijn aangewend ter voldoening van schulden. Ter zitting is [gedaagde] gevraagd welke schuldeisers zijn betaald en aan de hand van welke criteria hij heeft bepaald welke schuldeisers in aanmerking kwamen voor betaling. [gedaagde] heeft daarop verklaard dat hij onder meer leveranciers en de Belastingdienst heeft betaald en dat hij de crediteuren heeft betaald die, naar zijn zeggen, “het hardst aan de deur klopten”. Verder heeft hij verklaard dat de schuldeisers gedeeltelijk werden betaald en dat het niet zo was dat één schuldeiser volledig werd voldaan. [gedaagde] heeft ook verklaard dat zijn eigen vordering op [bedrijf 1] van € 25.000,00 tot € 30.000,00 niet is betaald.

De rechtbank acht ook deze verklaringen van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft ook hier evenmin betalingsbewijzen, bankafschriften, correspondentie of andere (administratieve) stukken van overgelegd waaruit kan worden vastgesteld welke schuldeisers zijn betaald en voor welke bedragen. Daardoor kan niet worden nagegaan of de gelden daadwerkelijk zijn aangewend ter voldoening van de schulden van [bedrijf 1] en zo ja, welk bedrag welke schuldeiser heeft ontvangen.

Ook de verklaring dat schuldeisers werden voldaan “die het hardst aan de deur klopten” acht de rechtbank niet overtuigend. Dit strookt immers niet met het feit dat PIR reeds een gerechtelijke procedure tegen [bedrijf 1] aanhangig had gemaakt op dat moment. Indien het door [gedaagde] genoemde criterium daadwerkelijk werd gehanteerd, valt zonder nadere toelichting – en die ontbreekt – niet te begrijpen waarom PIR geen betaling had ontvangen, terwijl zij een gerechtelijke procedure aanhangig had gemaakt. Indien daadwerkelijk andere schuldeisers (gedeeltelijk) zijn betaald, heeft de bestuurder evenmin inzichtelijk gemaakt waarom de belangen van die andere schuldeisers zwaarder hebben gewogen dan de belangen van PIR.

Aangezien PIR terecht vragen heeft gesteld over de bestemming van de (opbrengsten van de) activa die zijn verantwoord in de jaarrekening over 2019, lag het op de weg van [gedaagde] om onderbouwd inzicht te verschaffen in de ontvangen verkoopopbrengsten en hoe die zijn aangewend.

De onderneming is voortgezet via [bedrijf 3] B.V.

Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat [gedaagde] zijn onderneming op enig moment heeft overgedragen aan een voormalig werknemer. Deze voormalig werknemer heeft een nieuwe vennootschap, [bedrijf 3] B.V., opgericht op 15 januari 2020, dus ongeveer een half jaar voordat [bedrijf 1] werd ontbonden. [gedaagde] is bij die voormalige werknemer, althans bij [bedrijf 3] , in dienst getreden. Na enige tijd heeft [gedaagde] de onderneming weer terug overgenomen. [gedaagde] heeft verklaard dat hij daarvoor geen vergoeding heeft hoeven te betalen, anders dan dat hij de inventaris van dat moment heeft overgenomen. De aandelen van [bedrijf 3] B.V. verkreeg [gedaagde] in 2024 voor een symbolisch bedrag van € 1,00. De onderneming wordt ook nu nog door [bedrijf 3] uitgeoefend.

De rechtbank acht ook deze gang van zaken relevant voor de beoordeling van de wijze waarop [gedaagde] met de belangen van PIR, als schuldeiser van [bedrijf 1] , is omgegaan. [gedaagde] exploiteert immers momenteel een onderneming die (nagenoeg) dezelfde bedrijfsactiviteiten heeft als [bedrijf 1] en zelfs nagenoeg dezelfde naam heeft als [bedrijf 1] . Dit vormt, gegeven de overdracht van de onderneming aan [bedrijf 3] gevolgd door de overdracht van de aandelen in die vennootschap aan [gedaagde] , een aanwijzing dat dat bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] nooit werkelijk zijn gestaakt, maar in een andere BV zijn voortgezet zonder dat [bedrijf 1] daarvoor een vergoeding heeft ontvangen die haar schuldeisers tot verhaal had kunnen dienen. Voor zover de onderneming waarde had, heeft [gedaagde] die waarde – via zijn aandelen in [bedrijf 3] – voor zichzelf behouden. Op deze wijze is PIR als schuldeiser onbetaald gebleven, terwijl [gedaagde] de schade aan zijn vermogen heeft weten te beperken.

De rechtbank oordeelt op grond van deze feiten en omstandigheden in samenhang dat [gedaagde] een ernstig persoonlijk verwijt gemaakt kan worden en dat hij onrechtmatig jegens PIR heeft gehandeld door de wijze waarop hij met de belangen van PIR als schuldeiser is omgesprongen. [gedaagde] is daarom gehouden de schade die als gevolg van zijn onrechtmatig handelen is ontstaan aan PIR te vergoeden. De omvang van de schade dient te worden bepaald door de situatie te vergelijken, waarin PIR zich werkelijk bevindt, met de situatie, waarin PIR zich zou hebben bevonden, indien het onrechtmatig handelen zich niet had voorgedaan. PIR heeft gesteld dat de schade die zij als gevolg van het onrechtmatige handelen heeft geleden gelijk is aan de achterstallige huur vermeerderd met de daarover verschuldigde rente. [gedaagde] heeft dit niet betwist en heeft tegen de omvang van de schade geen verweer gevoerd. De vordering van PIR zal daarom worden toegewezen.

Er is onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht

De rechtbank heeft in r.o. 5.21 al geoordeeld dat [gedaagde] onrechtmatig jegens PIR heeft gehandeld en daarom de achterstallige huurt dient te betalen. PIR heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de gevorderde verklaring voor recht geen zelfstandig belang heeft naast de gevorderde veroordeling tot betaling. Daarom wordt op grond van artikel 3:303 BW de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens PIR afgewezen bij gebreke aan voldoende belang.

De schadevergoeding wordt niet gematigd ingevolge artikel 6:109 BW

Verder heeft [gedaagde] verzocht om matiging van de schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW. [gedaagde] voert daartoe aan dat hij geen persoonlijk voordeel heeft genoten, onvoldoende draagkracht heeft om de volledige vordering te voldoen en dat zijn privésituatie is geraakt door het omvallen van zijn meubelzaak. Ook wijst hij op het tijdsverloop van ongeveer vijf jaar en dat hem onbekend is waarom PIR pas na zo veel jaren is overgegaan tot procederen tegen hem.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor matiging op grond van artikel 6:109 BW. Voor toepassing van dit wetsartikel is vereist dat volledige schadevergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt. De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden zijn daarvoor onvoldoende en bovendien niet onderbouwd. Zo heeft [gedaagde] bijvoorbeeld zijn stellingen over zijn financiële draagkracht niet met stukken onderbouwd. Er is geen inzicht gegeven in zijn huidige inkomen, vermogen en/of schulden. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat gedaagde daadwerkelijk niet in staat zou zijn om de volledige schadevergoeding te voldoen. Dat PIR er volgens de door [gedaagde] ingebrachte jaarrekening over 2024 er financieel zeer goed voor staat maakt evenmin dat volledige schadevergoeding onaanvaardbaar is. Het beroep op matiging wordt daarom afgewezen.

[gedaagde] moet de proceskosten van PIR betalen

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van PIR betalen. De proceskosten van PIR worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

120,78

- griffierecht

2.995,00

- salaris advocaat

2.580,00

(2 punten × € 1.290,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

5.884,78

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

[gedaagde] dient de gevorderde nadere kosten deurwaarder te betalen

PIR vordert daarnaast ook vergoeding van nadere deurwaarderskosten. Deze kosten hebben onder andere betrekking op de ontruiming van het bedrijfspand na het gewezen vonnis van 20 augustus 2020 en het leggen van beslag. Uit de door PIR overgelegde stukken blijkt voldoende welke werkzaamheden door de deurwaarder zijn verricht en welke kosten daarvoor in rekening zijn gebracht. De onderliggende stukken zijn door PIR in het geding gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze kosten redelijk en in redelijkheid door PIR gemaakt. De rechtbank zal deze nadere deurwaarderkosten daarom toewijzen.

[gedaagde] dient de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten te betalen

PIR vordert primair vergoeding van de volledige juridische kosten. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat de kosten van de gerechtelijke procedure vallen onder het regime van de artikelen 237-240 Rv en dat de kosten uitsluitend gedeeltelijk via een proceskostenveroordeling kunnen worden toegewezen. De rechtbank volgt dit verweer van [gedaagde] . De rechtbank ziet geen grond voor een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte juridische kosten in deze procedure. Wel wijst de rechtbank de subsidiair gevorderde buitengerechtelijk incassokosten toe van € 1.196,14 (ex BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft PIR voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat het redelijk was dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De kosten blijven onder het maximum dat ingevolge de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten geldt en zullen daarom worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 42.113,51 aan PIR, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 40.104,76 vanaf 3 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening en de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW over € 1.716,18 vanaf 3 september 2020 tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de nadere kosten van de deurwaarder van € 1.375,95 aan PIR, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.196,14 (ex BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt PIR in de proceskosten van € 5.884,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als PIR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1 tot en met 6.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.

3893/3669

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rol

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand