Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats], eiseres,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3755
(gemachtigde: mr. E. Dans),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van de Bij).
1. Deze uitspraak gaat over een boete van in totaal € 9.875,- die verweerder met het besluit van 25 oktober 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor twee overtredingen van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder beide overtredingen terecht heeft vastgesteld maar dat het beroep gegrond is omdat de boete moet worden gematigd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam], de gemachtigde van verweerder en [naam], senior toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Totstandkoming van het bestreden besluit
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 16 september 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA.
De toezichthouder schrijft in het rapport over zijn bevindingen op 5 augustus 2024 onder meer het volgende.
“Tijdens onze controle bevonden we ons in de uitsnijderij van [eiseres] in het kader van de uitvoering van een systeeminspectie. We waren in de uitsnijderij, omdat we de annuale systeeminspectie erkenning verlening en onderhoud uitvoerden.
Omstreeks 10:31 uur zagen we tientallen grote waterige druppels die van een draaiwiel van de delenlijn elke paar seconden naar beneden vielen op naakte pluimveekarkassen bestemd voor humane consumptie die in de vleeskratten waren ingepakt en onder dat draaiwiel stonden opgestapeld. We zagen dat er op dat draaiwiel een zwarte aanslag aanwezig was, zie fotobijlage foto 1, en dat de waterige druppels die in contact waren geweest met het vuile draaiwiel in meerdere vleeskratten op de pluimveekarkassen vielen tijdens het stapelen.
Bij het bedrijf wordt vlees bestemd voor humane consumptie verzameld in kratten met een blauwe kleur (inverco) en/of blauw-witte kleur (didak) dan wel een andere kleur krat (inverco) anders dan rood-dicht, geel, bruin. Zie ook bijgevoegde bijlage met bedrijfsprocedure onder punt 5.5, zie bijlage PR-011.01 bedrijfshygiene 03-12-2021. Gelet op de kleur van de vleeskratten stelden we vast dat de inhoud van de kratten goedgekeurd was voor humane consumptie. Er was tevens geen dierlijke bijproducten identificatie aangebracht op de vleeskratten.
Verderop in de uitsnijderij, omstreeks 10:39 uur, zagen we dat er honderden druppels condens aanwezig waren op verschillende metalen balken en tientallen druppels condens op de T-ijzers van een deel van de koellijn die de karkassen uit de koeling verder naar de uitsnijderij transporteert, zie fotobijlage foto 2 en foto 3. Onder de T-ijzers en een metalen balk hing de koellijn vol met pluimveekarkassen, zie fotobijlage foto 3. Op dit punt hebben de kuikenkarkassen het slachtproces op de panklaarlijn doorlopen, inclusief de douchestap in de binnen-buitenwasser en alle karkassen zijn goedgekeurd voor humane consumptie en worden ook op deze wijze behandeld.
Wij zagen dat de condens was verspreid over het gehele oppervlak van de T-ijzers en op meerdere plekken op de metalen balken.
Onze bevindingen zijn ter plekke besproken met de kwaliteitsmanager die aanwezig was tijdens onze inspectie. We hebben de opdracht gegeven aan hem om de gehele inhoud van de betreffende vleeskratten af te waarderen tot categorie-2 materiaal en om maatregelen te nemen tegen de condens.
Condens vanaf een oppervlak kan karkassen verontreinigen. Condens kan potentieel Listeria spp. of andere ziekteverwekkers bevatten.
Ik zag dat de vorming van condens op oppervlakken niet werd voorkomen.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk I, onder punt 2 onder b van Verordening (EG) nr. 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder C van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
Ik zag dat er waterige druppels die in contact zijn geweest met een vuil oppervlak op karkassen vielen.
Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk IX, onder punt 3 van Verordening (EG) nr. 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder c van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
Deze bevinding(en) worden onderstaande overtreder aangerekend.”
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres twee beboetbare feiten heeft gepleegd.
Beboetbaar feit 1: De vorming van condens op oppervlakken werd niet voorkomen.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder b, van Verordening 852/2004. Verweerder legt eiseres hiervoor een boete op van € 4.875,-.
Beboetbaar feit 2: Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, juncto Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Verweerder legt eiseres hiervoor een boete op van € 5.000,-.
Beoordeling door de rechtbank
Ne bis in idem-beginsel, samenloop of samenhang
4. Eiseres voert aan dat sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel omdat twee boetes worden opgelegd voor hetzelfde feit. De bevindingen dat er condens aanwezig was op onderdelen en dat condens op vleeskratten viel zijn gedaan tijdens dezelfde systeeminspectie en in dezelfde ruimte (de uitsnijderij). De bevindingen zijn ook nagenoeg gelijktijdig gedaan, namelijk om 10.31 uur en om 10.39 uur. De druppels condens die om 10.39 uur zijn geconstateerd, zullen ook om 10.31 uur al aanwezig zijn geweest. De oorzaak van de aanwezigheid van condens is vermoedelijk in beide gevallen ook gelijk. Het ontstaan van condens is onvermijdelijk in een slachthuis waar veel gebruik gemaakt wordt van proceswater. Het draaiwiel en T-ijzer bevinden zich in dezelfde ruime met lucht van dezelfde samenstelling, waarbij de lucht door dezelfde omstandigheden de mogelijkheid heeft gekregen om te condenseren. Het gaat hier om hetzelfde verwijt, namelijk het verwijt dat eiseres de betreffende druppels niet tijdig heeft opgemerkt en verwijderd. Bovendien is het tijdsverloop dusdanig kort dat sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel. Daarbij merkt eiseres op dat ook in de e-mail waarin de toezichthouder het rapport aanzegt wordt aangegeven dat er één overtreding is geconstateerd. Voor zover de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van strijd met het ne bis in idem-beginsel is volgens eiseres in elk geval sprake van eendaadse samenloop, dan wel zodanige samenhang tussen beide feiten dat het opleggen van twee boetes onevenredig is. Eiseres verwijst hierbij naar een vergelijkbare situatie in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) waarin verweerder met één boete heeft volstaan.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet betwist dat zij de beboetbare feiten heeft begaan. Het ne bis in idem-beginsel behelst een verbod op dubbele bestraffing en is voor bestuurlijke boetes neergelegd in artikel 5:43 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin staat dat geen boete mag worden opgelegd als voor dezelfde overtreding al een boete is opgelegd. In dit geval heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd voor beboetbaar feit 1 en een boete opgelegd voor beboetbaar feit 2. Anders dan eiseres meent zien beide beboetbare feiten niet op dezelfde overtreding. Beboetbaar feit 1 ziet op het niet voorkomen van condensvorming en beboetbaar feit 2 ziet op het niet beschermen van vlees tegen verontreiniging door condensdruppels die daarmee in aanraking komen. Hoewel sprake is van enige samenhang tussen beide feiten, betreft het afzonderlijke overtredingen van verschillende voorschriften. Het gaat om zelfstandige verwijten die eiseres worden gemaakt en ook om verschillende gedragingen. Naar het oordeel van de rechtbank is het beboeten van beide feiten in dit geval dan ook niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel.
Het beboeten van beide feiten is op zichzelf evenmin in strijd met artikel 5:8 van de Awb waarin staat dat voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie kan worden opgelegd. Dit laat evenwel onverlet dat – ook als sprake is van eendaadse of meerdaadse samenloop – het totaal van de opgelegde bestuurlijke sancties in overeenstemming moet zijn met het evenredigheidsbeginsel. Een bestuursorgaan dat voor te onderscheiden, maar wel samenhangende overtredingen twee of meer bestuurlijke boeten oplegt, zal zich dan ook moeten afvragen of het totaal van de boeten nog wel aansluit bij de ernst van de overtredingen, zo volgt uit de Memorie van Toelichting op artikel 5:8 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een zodanige samenhang tussen beide beboetbare feiten dat het opleggen van twee boetes van in totaal € 9.875,-, niet evenredig is. Hoewel het gaat om afzonderlijke overtredingen zien beide feiten op de aanwezigheid van condens die in een zeer kort tijdsbestek in dezelfde ruimte (met dezelfde luchtcirculatie) is geconstateerd. Dat in het ene geval de condens afkomstig was van het draaiwiel in die ruimte en in het andere geval aanwezig was op T-ijzers en een balk in diezelfde ruimte doet daar niet aan af. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat wanneer tijdens één inspectie op meerdere plekken binnen een ruimte in een slachthuis condens wordt geconstateerd, in de regel wordt volstaan met één boete. Verweerder heeft toegelicht dat daarvoor in onderhavige zaak geen aanleiding toe is gezien omdat de condensdruppels die vielen op vlees (beboetbaar feit 2) in aanraking waren gekomen met vuil (zwarte aanslag) op het draaiwiel. De rechtbank vindt dit evenwel niet van zodanig belang dat oplegging van een boete voor beide feiten wel evenredig zou zijn te achten. Eiseres wordt verweten dat zij condensvorming aan T-ijzers en balken in de uitsnijderij niet heeft voorkomen en zij wordt verweten dat in diezelfde ruimte in dezelfde tijdspanne bovendien (vervuilde) condensdruppels op vlees vielen. Deze verwijten kennen een zodanige samenhang dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in dit geval had moeten volstaan met de oplegging van één boete voor beide feiten. In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor beide overtredingen vastgesteld op € 2.500,-. Verweerder heeft in dit geval de standaardbedragen verhoogd omdat sprake is van recidive. Of verweerder dit terecht heeft gedaan zal de rechtbank hierna eerst beoordelen. Vervolgens zal de rechtbank de hoogte van de boete voor beide feiten vaststellen.
Heeft verweerder de recidiveregeling mogen toepassen?
5. Eiseres voert aan dat de boetebedragen ten onrechte zijn verhoogd vanwege recidive, althans dat toepassing van de recidiveregeling in dit geval tot onevenredige boetes leidt. Verweerder heeft de boetes verhoogd vanwege eerdere boetes die eiseres in 2018 heeft gekregen voor overtredingen van dezelfde voorschriften als in onderhavige zaak. Die eerdere boetes zijn pas met een uitspraak van het CBb op 29 maart 2022 onherroepelijk geworden waardoor in deze zaak de termijn van vijf jaar in de recidiveregeling nog niet was verstreken, maar als eiseres die vorige boetes niet aan de rechter had voorgelegd, zouden de boetes al in 2019 onherroepelijk zijn geworden en was de termijn van vijf jaar al verstreken zodat verweerder de onderhavige boetes niet had kunnen verhogen. De voorwaarde in de recidiveregeling dat een eerdere boete onherroepelijk moet zijn is bedoeld om een partij te behoeden voor onevenredig hoge boetes. Maar de keuze die eiseres heeft gemaakt werkt nu juist in haar nadeel en dat is een bijzondere omstandigheid die tot matiging van de boete noopt. Daarbij is ook van belang dat eiseres sinds november 2018 tot aan het bestreden besluit geen boetes heeft gekregen voor overtreding van dezelfde voorschriften. Eiseres heeft dus geen voordeel gehad van het procederen tegen de boetes uit 2018. Voorts wijst eiseres erop dat verweerder recent een brief aan de Tweede Kamer heeft gestuurd waarin verweerder het standpunt inneemt dat de huidige termijn van vijf jaar te lang is en moet worden aangepast naar drie jaar.
Verweerder heeft de standaardboetebedragen voor beide feiten verhoogd met het bedrag van eerdere boetes die bij besluiten van 9 november 2018 en 23 november 2028 aan eiseres zijn opgelegd. Op grond van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren wordt het standaardboetebedrag verhoogd met het bedrag van een eerdere boete voor eenzelfde overtreding als er ten tijde van het begaan van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat bij de eerder aan eiseres opgelegde boetes sprake is van eenzelfde overtreding als de onderhavige en dat er op het moment van constatering in de onderhavige zaak nog geen vijf jaar was verstreken nadat die eerdere boetes onherroepelijk zijn geworden. Verweerder heeft dus in overeenstemming met artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren de boetes verhoogd. De rechtbank vindt dat toepassing van de recidiveregeling in dit geval niet tot een onevenredige uitkomst leidt. De wetgever ziet recidive als een strafverzwarende omstandigheid en heeft er daarom nadrukkelijk voor gekozen om herhaling van een overtreding zwaarder te beboeten door het op te leggen bedrag te verhogen. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft die verhoging op zichzelf niet onevenredig geacht en ook de daarbij gehanteerde termijn van vijf jaar nadat een eerdere boete onherroepelijk is geworden, niet onredelijk geacht. Verweerder hanteert daarmee in alle gevallen dezelfde termijn. Dat eiseres tegen de eerdere boetes rechtsmiddelen heeft ingesteld, heeft ertoe geleid dat de boetes later onherroepelijk zijn geworden dan als zij dat niet had gedaan, maar dat maakt toepassing van de recidiveregeling in het geval van eiseres niet onevenredig. Evenmin is sprake van een gevolg van de recidiveregeling dat de wetgever niet voor ogen heeft gehad. Evident is dat de vereiste onherroepelijkheid dit gevolg teweeg brengt. Ook in de door eiseres genoemde brief van de staatssecretaris ziet de rechtbank geen reden om toepassing van de thans geldende recidiveregeling onevenredig te achten. In de brief wordt slechts het voornemen geuit om de termijn van vijf jaar te wijzigen naar drie jaar. Overigens begrijpt de rechtbank uit de brief dat de reden voor deze voorgenomen wijziging is gelegen in de ervaring dat bij een termijn van vijf jaar bedrijven standaard in bezwaar en beroep gaan. Dat de staatssecretaris vindt dat toepassing van de termijn van vijf jaar in huidige zaken onevenredig is kan uit de brief niet worden afgeleid en blijkt ook niet uit het standpunt van verweerder in onderhavige zaak.
De hoogte van de boete voor beide feiten
6. Verweerder heeft eiseres voor beboetbaar feit 1 een verhoogde boete opgelegd van € 4.875,- en voor beboetbaar feit 2 een verhoogde boete van € 5.000,-. Zoals onder 5.1 is overwogen vindt de rechtbank de verhoging van het standaardboetebedrag vanwege recidive niet onevenredig. Wel heeft de rechtbank onder 4.2 geoordeeld dat verweerder had moeten volstaan met één boete voor beide feiten. De rechtbank vindt in dit geval een totale boete van € 5.000,- voor beide feiten evenredig, mede gelet op de aard en ernst van beide overtredingen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat verweerder een te hoge boete aan eiseres heeft opgelegd. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het beroep is dus gegrond.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan € 2.534,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:8
Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd.
Artikel 5:43
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, aanhef en onderdeel a, is bekendgemaakt.
Verordening 852/2004
Artikel 4, tweede lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, hoofdstuk I, punt 2, onder b
De indeling, het ontwerp, de constructie, de ligging en de afmetingen van ruimtes voor levensmiddelen moeten zodanig zijn dat:
b) de ophoping van vuil, het contact met toxische materialen, het terechtkomen van deeltjes in levensmiddelen en de vorming van condens of ongewenste schimmel op oppervlakken worden voorkomen;
Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3
In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
Wet dieren
Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Regeling dierlijke producten
Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c
Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004.
Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid
1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.
Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling dierlijke producten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op de artikelen 3, 4, eerste tot en met derde lid, 5, tweede lid, laatste 3
alinea, en vierde lid, onderdelen a en b, en artikel 6, derde lid, van
verordening (EG) nr. 852/2004