ECLI:NL:RBROT:2026:11088

ECLI:NL:RBROT:2026:11088

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer ROT 25/4414
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Eiseres heeft geen mededeling gedaan van het aantal uren dat zij had besteed aan speur- en ontwikkelingswerk (S&O) op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva), wat heeft geleid tot een correctie S&O-verklaring waarin de afdrachtvermindering volledig is gecorrigeerd. Eiseres heeft verzocht deze correctie te herzien maar dit heeft verweerder terecht afgewezen. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, geen kennelijke misslag, geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en de afwijzing is ook niet kennelijk onredelijk.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

de minister van Economische Zaken, verweerder,

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/4414

(gemachtigde: mr. U.E.M. Pinas),

en

(gemachtigde: mr. H. Khales).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om herziening van de correctie-S&O-verklaring van 23 juni 2023. Eiseres is het niet eens met die afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de afwijzing van het herzieningsverzoek.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht het herzieningsverzoek heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 21 april 2025 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de afwijzing van het herzieningsverzoek gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam] en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. P. Kooiman.

Totstandkoming van het besluit

Eiseres is een bedrijf dat zich bezig houdt met het ontwikkelen en exploiteren van innovatieve software. Op 10 december 2021 (SO22004874) en 30 juni 2022 (SO22029990) heeft zij voor het jaar 2022 aanvragen ingediend om afdrachtvermindering voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (Wva).

Bij besluiten van respectievelijk 28 februari 2022 en 10 oktober 2022 heeft verweerder S&O-verklaringen afgegeven voor in totaal 8.300 uren; dat is een bedrag van in totaal € 113.880,- aan afdrachtvermindering. In deze besluiten staat ook vermeld: “Zorg ervoor dat u binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar (dus uiterlijk 31 maart 2023) digitaal het aantal gerealiseerde S&O-uren aan ons doorgeeft.

Op 9 februari 2023 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan eiseres een elektronisch notificatiebericht verstuurd, om eiseres erop te wijzen dat zij uiterlijk 31 maart 2023 mededeling moet doen van de in 2022 gemaakte uren. Op 18 maart 2023 en 25 maart 2023 heeft de RVO eiseres ter herinnering opnieuw elektronische notificatieberichten met dezelfde inhoud gestuurd.

Met een notificatiebericht van 15 april 2023 heeft de RVO eiseres een brief gezonden waarin staat dat nog geen mededeling van eiseres is ontvangen, dat eiseres daarmee de wettelijke mededelingsplicht overtreedt en dat eiseres wordt verzocht om uiterlijk 13 mei 2023 alsnog mededeling te doen van de gemaakte uren. Met een notificatiebericht van 20 mei 2023 heeft de RVO eiseres een brief gezonden met dezelfde inhoud en eiseres verzocht uiterlijk 3 juni 2023 alsnog de mededeling te doen.

Omdat eiseres ook na deze herinneringen geen mededeling had ingediend, heeft verweerder met het besluit van 23 juni 2023 een correctie-S&O-verklaring over 2022 afgegeven waarin verweerder S&O-uren heeft gecorrigeerd naar nul, wat een correctie van € 113.880,- aan afdrachtvermindering betekent. Met dit besluit heeft verweerder tevens aan eiseres een boete van € 300,- opgelegd omdat zij geen mededeling heeft gedaan.

Op 26 november 2024 heeft eiseres alsnog bedoelde een urenmededeling over 2022 ingediend. Bij e-mails van 6 en 9 december 2024 heeft eiseres verweerder gewezen op de gedane mededeling en toegelicht waarom deze met vertraging is ingediend. Volgens eiseres was sprake van een misverstand tussen haar en haar accountant over wie verantwoordelijk was voor het doen van de mededeling.

In het primaire besluit van 18 december 2024 heeft verweerder de mededeling van 26 november 2024 opgevat als een verzoek om herziening van de correctie-S&O-verklaring van 23 juni 2023 en dit verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden of evidente onredelijkheid.

Op 10 januari 2025 heeft eiseres tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In haar bezwaarschrift heeft eiseres onder meer naar voren gebracht dat in 2022 sprake was van een wisseling van medewerkers, dat de nieuwe medewerker zich er niet bewust van was dat de S&O-uren over 2022 niet waren ingediend en dat de rappelberichten van de RVO zijn ontvangen op een mailaccount dat niet wordt gelezen.

In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres bij het indienen van de aanvraag akkoord is gegaan met digitale correspondentie en dat het op haar weg lag om na het wisselen van de contactpersoon binnen haar onderneming deze contactpersoon en het betreffende e-mailadres ook te wijzigen in het portaal van de RVO. Daarbij merkt verweerder in het besluit op dat als eiseres het e-mailadres niet meer in gebruik zou hebben (gehad), verweerder een melding had ontvangen dat de notificatieberichten niet konden worden afgeleverd en verweerder dan op een andere wijze contact met eiseres had opgenomen om haar te informeren. Volgens verweerder is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden of een kennelijke misslag en is de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres voert aan dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiseres verkeerde namelijk steeds in de veronderstelling dat over het jaar 2022 tijdig mededeling van de uren was gedaan en pas na de correctie-S&O-verklaring – door een brief van de Belastingdienst van 18 november 2024 over het terugbetalen van een toegepaste afdrachtvermindering – is eiseres gebleken dat haar externe accountant dit had nagelaten. Bovendien zijn rappelberichten van de RVO verstuurd naar een e-mailadres dat niet meer werd gebruikt waardoor eiseres hiervan ook niet op de hoogte kon zijn. Ook de RVO was ten tijde van de afgifte van de correctie-S&O-verklaring niet bekend met deze situatie. Bovendien was er sprake van een kennelijke misslag, nu de uren door een misverstand niet bij de RVO zijn ingediend en dit een duidelijke vergissing betrof die zich in voorgaande en latere jaren nimmer heeft voorgedaan. Daarnaast is het besluit van verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel. De Belastingdienst heeft eiseres in een telefonisch contact geadviseerd om de uren over 2022 alsnog aan de RVO door te geven, wat eiseres direct heeft gedaan. Gelet op dit advies en nu eiseres in de jaren voor en na 2022 steeds een S&O-verklaring heeft ontvangen mocht zij erop vertrouwen dat zij ook over 2022, ondanks de late indiening van de uren, de afdrachtvermindering zou ontvangen. Ten slotte is het bestreden besluit ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu de nadelige financiële gevolgen voor eiseres (een terugvordering van € 113.180,- en een boete van € 300,-) niet in verhouding staan tot het doel van de regeling (het stimuleren van technologische vernieuwing), terwijl eiseres materieel wel aan de voorwaarden van de regeling voldeed en het slechts een administratieve misslag betrof. Eiseres verwijst hierbij naar jurisprudentie over te laat ingediende subsidieaanvragen.

Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft overwogen, is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om herziening inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Maar het bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Daarmee geeft het bestuursorgaan dan overeenkomstige toepassing aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat geval toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden de afwijzing van het verzoek om herziening in beginsel dragen. Dit is anders als de weigering om terug te komen van een eerder besluit naar het oordeel van de bestuursrechter evident onredelijk is.

Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht een vaste beleidslijn te hanteren voor het beoordelen van herzieningsverzoeken. Vanuit met name overwegingen van doelmatig bestuur en rechtszekerheid is verweerder terughoudend om besluiten te herzien. Verweerder is alleen bereid besluiten te herzien als sprake is van relevante nieuw gebleken feiten of omstandigheden of als sprake is van een kennelijke misslag, tenzij dit evident onredelijk zou zijn.

Van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus behoorden te worden aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in dit geval geen sprake is. Eiseres had immers al vóór de correctie-S&O-verklaring kunnen en moeten weten dat zij binnen drie maanden na het jaar 2022 mededeling moest doen van de over dat jaar aan S&O-werk bestede aantal uren. Deze verplichting volgt namelijk uit artikel 24, derde lid, van de Wva en eiseres is hier ook op gewezen in de afgegeven S&O-verklaringen over 2022. Vervolgens heeft de RVO met meerdere notificaties eiseres ook nog aan die verplichting herinnerd. Voorts was de met het herzieningsverzoek verstrekte informatie over het aantal S&O-uren ook al vóór de correctie-S&O-verklaring beschikbaar en had dus al vóór dat besluit door eiseres naar voren kunnen worden gebracht. Dat eiseres pas later heeft ontdekt dat zij nog geen mededeling van de uren had gedaan is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat eiseres daarvan al wel eerder op de hoogte had kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een kennelijke misslag. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft toegelicht gaat het bij een kennelijke misslag om een overduidelijke fout die onmiddellijk zonder onderzoek kan worden opgemerkt. In dit geval is evenwel niet gebleken dat de correctie-S&O-verklaring onmiskenbaar onjuist was. Vaststaat staat immers dat eiseres geen mededeling van de S&O-uren had gedaan en uit artikel 25, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wva volgt dat in dat geval een correctie van 100 % plaatsvindt. Dat eiseres door interne miscommunicatie en het niet wijzigen van haar contactgegevens bij RVO die mededeling niet had gedaan betreft geen kennelijke misslag.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet sprake zijn van een ondubbelzinnige toezegging vanuit het bevoegde bestuursorgaan en daarvan is hier geen sprake geweest. Eiseres heeft een beroep gedaan op het telefonisch advies van een medewerker van de Belastingdienst om alsnog een mededeling van de uren te doen. Besluiten over afdrachtvermindering voor S&O-werkzaamheden worden evenwel genomen door de RVO, namens de minister van Economische Zaken, en niet door de Belastingdienst. En voor zover eiseres al mocht veronderstellen dat de medewerker die zij heeft gesproken bevoegd zou zijn om toezeggingen in het kader van de Wva te doen, begrijpt de rechtbank dat die medewerker slechts heeft geadviseerd om alsnog een mededeling van de uren te doen. Dit omvat geen ondubbelzinnige toezegging dat na het doen van de mededeling de correctie-S&O-verklaring zou worden herzien en eiseres alsnog afdrachtvermindering voor 2022 zou worden toegekend.

Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of de weigering van verweerder om terug te komen van de correctie-S&O-verklaring evident onredelijk is. Dat is onder meer het geval als zich bijzondere feiten en/of omstandigheden voordoen die tot het oordeel kunnen leiden dat verweerder in het betreffende geval minder belang heeft mogen hechten aan overwegingen van rechtszekerheid en doelmatig bestuur dan aan het (financiële) belang van de ondernemer. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit onevenredig is omdat het niet noodzakelijk en evenwichtig zou zijn, waarbij zij ook verwijst naar jurisprudentie over te late subsidieaanvragen. Anders dan eiseres meent, ligt de beoordeling of het besluit evenredig is, evenwel reeds besloten in de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is en betreft dit geen afzonderlijke toets, laat staan de ruimere toets die eiseres voorstaat. De verwijzing naar uitspraken over te late subsidieaanvragen treft in dit kader ook geen doel omdat deze niet gaan over de weigering van herzieningsverzoeken. De stellingen van eiseres dat het slechts een administratieve misslag betreft en dat zij wel aan de voorwaarden voor toekenning van de afdrachtvermindering in 2022 voldoet, betreffen geen bijzondere omstandigheden die de weigering om de correctie-S&O-verklaring te herzien evident onredelijk maken. Eiseres is er bij het doen van de S&O-aanvragen mee akkoord gegaan dat er via de digitale weg zou worden gecommuniceerd en het lag op haar weg om te controleren dat daarbij een e-mailadres werd gebruikt dat door haar medewerkers werd gelezen. Ook had eiseres in het portaal van de RVO kunnen nagaan of er berichten voor haar klaarstonden, zoals een te verwachten besluit over de definitieve toekenning van afdrachtvermindering over 2022. De correctie-S&O-verklaring is via digitale weg aan eiseres toegezonden en zij had de mogelijkheid om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Dit heeft zij niet gedaan en dat komt voor haar rekening en risico. Voorts hecht verweerder terecht een zwaarwegend belang aan het vasthouden aan de correctie-S&O-verklaring, zeker nu uit de Wva rechtstreeks volgt dat het niet doen van mededeling leidt tot deze correctie. Tot slot is weliswaar duidelijk dat dit nadelige financiële gevolgen voor eiseres heeft, in de zin van een terugvordering van € 113.180,- en een boete van € 300,-, maar de rechtbank is niet (uit stukken) gebleken dat en zo ja in welke mate eiseres daardoor in haar voortbestaan wordt bedreigd. De rechtbank concludeert dat de weigering van verweerder om terug te komen van de correctie-S&O-verklaring niet evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is dus ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4, tweede lid

De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 4:6

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen

Artikel 24, tweede en derde lid

2. De S&O-inhoudingsplichtige doet mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat over de in dat kalenderjaar aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven en, ingeval een S&O-verklaring ook een bedrag aan kosten en uitgaven als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel d, bevat, van de in dat kalenderjaar gerealiseerde kosten en uitgaven waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven.

3. De S&O-inhoudingsplichtige doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de in dat lid bedoelde S&O-verklaringen betrekking hebben of, indien dat later is, binnen drie kalendermaanden na de afgifte van de laatste S&O-verklaring die betrekking heeft op dat kalenderjaar.

Artikel 25, tweede lid, aanhef en onder b

Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring af met het bedrag dat op de S&O-verklaring ten onrechte is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering, indien:

aannemelijk is geworden, dat de S&O-inhoudingsplichtige de verplichtingen, bedoeld in artikel 24, tweede, derde of vierde lid, niet is nagekomen, met dien verstande dat het bedrag van de correctie-S&O-verklaring wordt vastgesteld op 100% van het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering waarvoor de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, niet is gedaan.

Artikel 26, tweede lid

Bij overtreding van het bij of krachtens artikel 24, tweede, derde of vierde lid, bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke boete op ter hoogte van maximaal € 2500.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand