RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12311680 VV EXPL 26-424
datum uitspraak: 31 juli 2026
Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter
in de zaak van
[bewindvoerder] B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de onder bewind gestelde [onder bewind gestelde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.A. Bhagwandin,
tegen
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.A. Wesdijk.
De partijen worden hierna ‘ [bewindvoerder] ’, ‘ [onder bewind gestelde] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 14 juli 2026, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van [onder bewind gestelde] .
Op 17 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren de bewindvoerder, [persoon A] (die ter zitting verklaarde de procedure van [onder bewind gestelde] te hebben overgenomen), met de gemachtigde aanwezig. Namens Hef Wonen was de gemachtigde aanwezig.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[onder bewind gestelde] huurt een woonruimte van Hef Wonen. De rechtbank Rotterdam heeft een vonnis gewezen op 22 mei 2026 waarbij de huurovereenkomst is ontbonden en [onder bewind gestelde] is veroordeeld de woning te ontruimen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aan [onder bewind gestelde] is aangezegd dat het gehuurde op woensdag 15 juli 2026 zal worden ontruimd.
[bewindvoerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De voorzieningenrechter begrijpt uit de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [bewindvoerder] dat zij de eis bij dagvaarding gewijzigd heeft en in deze procedure schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis vordert totdat in hoger beroep is beslist of totdat de ingezette (financiële) hulpverlening effect heeft. Ook eist zij dat Hef Wonen wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten.
Hef Wonen is het daar niet mee eens en wil dat de woning op korte termijn ontruimd wordt.
Hef Wonen mag de woning nog niet ontruimen
De tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 mei 2026 wordt voor de duur van zes weken geschorst. Hieronder wordt dit toegelicht.
Juridisch kader
Volgens de Hoge Raad (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575; Ritzen/Hoekstra) kan de executie worden geschorst als het te executeren vonnis berust op een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag is geen sprake.
De executie kan ook worden geschorst als sprake is van feiten en omstandigheden die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking zijn genomen en die kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing wordt afgeweken. Daarbij wordt getoetst of de belangen van [bewindvoerder] bij behoud van de bestaande toestand (dat [onder bewind gestelde] het gehuurde kan blijven gebruiken) zwaarder zijn gaan wegen dan de belangen van Hef Wonen om wel tot ontruiming over te gaan. Tegen het vonnis staat nog een voorziening open en [bewindvoerder] heeft hoger beroep ingesteld. In het vonnis van 22 mei 2026 is niet gemotiveerd waarom het uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Dit betekent dat in dit executiegeschil alsnog een belangenafweging moet plaatsvinden.
Nieuwe belangenafweging
Onderzocht moet dus worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat de belangen van [onder bewind gestelde] en [bewindvoerder] bij behoud van de huidige situatie zwaarder wegen dan het belang van Hef Wonen bij een ontruiming op korte termijn.
[bewindvoerder] stelt dat [onder bewind gestelde] een fragiele mentale en fysieke gezondheid heeft. Deze omstandigheid heeft ertoe geleid dat [onder bewind gestelde] zijn huur niet betaalde, maar ook dat behoud van zijn woning belangrijk is. Dit betwist Hef Wonen niet. Inmiddels heeft [onder bewind gestelde] hulp van het wijkteam, van de zorginstelling Antes en van de gemeente Rotterdam.
[bewindvoerder] heeft ook onweersproken gesteld dat zij van de gemeente Rotterdam een bedrag van € 3.500,- krijgt om daarmee een deel van de huurachterstand te kunnen betalen.
Door [bewindvoerder] is daarnaast een bijstandsuitkering aangevraagd waarvan verwacht wordt dat deze wordt toegekend en waarmee de lopende huur betaald kan worden. Ook zal dan een betalingsregeling getroffen worden met Hef Wonen voor de huurachterstand. De voorzieningenrechter begrijpt dat [bewindvoerder] alles in het werk stelt om op korte termijn de financiën op orde te hebben.
2.9.Het spreekt voor zich dat Hef Wonen belang heeft bij een huurder die tijdig en volledig aan haar betalingsverplichtingen voldoet. [onder bewind gestelde] heeft daar niet aan voldaan. Voornoemd belang van Hef Wonen laat echter onverlet dat het belang van [onder bewind gestelde] en [bewindvoerder] in dit geval zwaarder weegt dan dat van Hef Wonen. Ontruiming zou het in gang gezette hulptraject doorkruisen. Het zou in de weg staan aan het persoonlijke herstel van [onder bewind gestelde] , omdat hij zonder een woning geen hulp meer kan krijgen van onder andere de zorginstelling Antes en het wijkteam. [onder bewind gestelde] zal dan namelijk op straat komen te staan waarna de kans groot is dat hij onvindbaar is voor voornoemde (financiële) hulp.
De voorzieningenrechter weegt ook mee dat vanuit de gemeente de toezegging is gedaan dat op korte termijn een betaling van € 3.500,- zal volgen. Het is daardoor mede in het belang van Hef Wonen dat de ontruiming wordt opgeschort, zodat een deel van haar vordering wordt voldaan. De voorzieningenrechter begrijpt namelijk dat dit bedrag niet wordt uitgekeerd als de ontruiming al heeft plaatsgevonden.
Duur schorsing
[bewindvoerder] eist schorsing in afwachting van het hoger beroep of – zo begrijpt de voorzieningenrechter - voor de periode die nodig is om de financiële situatie van [onder bewind gestelde] op de rit te krijgen. Hierin is door [bewindvoerder] geen onderscheid gemaakt naar een primaire of subsidiaire eis waardoor de voorzieningenrechter beiden zal beoordelen.
Voor zover [bewindvoerder] eist dat de tenuitvoerlegging wordt geschorst totdat in hoger beroep is beslist, overweegt de voorzieningenrechter dat het enkele aanhangig zijn van het hoger beroep geen schorsende werking heeft. Voor schorsing op deze grond is vereist dat sprake is van een kennelijke of feitelijke juridische misslag in het bestreden vonnis. Dat heeft [bewindvoerder] onvoldoende concreet gesteld of onderbouwd. Bovendien zou een schorsing voor de duur van de appelprocedure, gelet op de ongewisse doorlooptijd daarvan, feitelijk neerkomen op een schorsing voor onbepaalde tijd. Dat verdraagt zich niet met het belang van Hef Wonen bij de tenuitvoerlegging van een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De vordering wordt in zoverre afgewezen.
Voor zover [bewindvoerder] eist dat de tenuitvoerlegging wordt geschorst totdat [bewindvoerder] in financieel stabieler vaarwater verkeert, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
[bewindvoerder] stelt dat een bijstandsuitkering is aangevraagd alsook een lening bij de gemeente van € 3.500,-. Deze aanvragen zijn ten tijde van de procedure nog in behandeling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt dit mee dat [bewindvoerder] concreet zicht heeft op inkomen, zij het dat de termijn waarbinnen er concreet inkomen is nog niet vaststaat. Dit zicht op inkomen rechtvaardigt niet een schorsing voor de duur van een hoger beroep procedure, maar wel een kortere overbruggingstermijn waarbinnen [bewindvoerder] de gelegenheid krijgt om alsnog aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. De voorzieningenrechter weegt mee dat ter zitting is benadrukt dat het een kwestie van weken is voordat Hef Wonen betalingen zal ontvangen, zowel om de huurachterstand in te gaan lopen als voor de lopende huur. De voorzieningenrechter vindt alles bij elkaar genomen een termijn van zes weken daarvoor passend en voldoende, mede gelet op het belang van Hef Wonen bij voortzetting van de tenuitvoerlegging, indien binnen deze termijn geen oplossing wordt bereikt.
De proceskosten
Beoordeling
De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [bewindvoerder] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
schorst de ten uitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 mei 2026 (zaaknummer: 11928637 CV EXPL 25-22078) voor de duur van zes weken na de datum van dit vonnis;
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door voorzieningenrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62574