RECHTBANK Rotterdam
Team familie
Zaaknummer: C/10/722060 / KG ZA 26-641
Vonnis in kort geding van 6 augustus 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N. van Vliet,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. H.E. Visscher.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2026 met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 22 juli 2026 met producties.
De zaak is behandeld op 27 juli 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling een pleitnotitie overgelegd.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Het minderjarige kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , hierna ook: [minderjarige] .
De man heeft de minderjarige erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige.
Partijen hebben afspraken gemaakt over de zorgregeling en deze regeling opgenomen in een ouderschapsplan. Het ouderschapsplan is opgenomen in een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 29 januari 2025.
Partijen hebben aanvullend op het ouderschapsplan op 2 januari 2025 nadere afspraken gemaakt over de zorgregeling over de periode januari 2025 tot en met januari 2026.
De zorgregeling is eind maart 2025 gestaakt door de vrouw.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in kort geding op 14 mei 2025 onder meer het volgende overeengekomen: ‘Partijen zullen vanaf nu weer uitvoering geven aan de met betrekking tot [minderjarige] gemaakte afspraken zoals vastgelegd in het omgangsschema en de aanvullende
afspraken behorende bij het ouderschapsplan dat partijen hebben getekend (dagvaarding productie 5).’
Partijen hebben een aanvullend omgangsschema opgesteld voor de periode februari 2026 tot en met december 2026.
Vanaf 2 april 2026 is de zorgregeling opnieuw door de vrouw stopgezet.
3. Het geschil
De man vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair de vrouw te veroordelen de tussen partijen overeengekomen omgangsafspraken, zoals die zijn vastgelegd in het omgangsschema van februari 2026 tot en met december 2026 behorend bij het ouderschapsplan, met onmiddellijke ingang na te komen en hieraan haar medewerking te verlenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 500,-, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen), nadat twee dagen na de betekening zijn verstreken dat de vrouw nalatig is/blijft aan het te bepalen vonnis te voldoen;
subsidiair de vrouw te veroordelen een door de voorzieningenrechter te bepalen voorlopige contactregeling (tussen de man en [minderjarige] ), met onmiddellijke ingang na te komen en hieraan haar medewerking te verlenen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,-, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen), nadat twee dagen na de betekening zijn verstreken dat de vrouw nalatig is/blijft aan het te bepalen vonnis te voldoen.
Daarnaast vordert de man de vrouw te veroordelen tot betaling van de proceskosten van onderhavige procedure.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren dan wel zijn vorderingen af te wijzen. Zij vordert bij voorwaardelijke eis in reconventie, indien de rechtbank de vorderingen van de man inhoudelijk zou behandelen, primair een (voorlopige) zorgregeling vast te stellen (de rechtbank begrijpt de zorgregeling te wijzigen), waarbij er eenmaal per week begeleide omgang plaatsvindt bij het omgangshuis, totdat in de bodemprocedure een beslissing is genomen over de zorgregeling. Subsidiair vordert de vrouw de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling te schorsen totdat in de bodemprocedure een beslissing is genomen over de zorgregeling. De vrouw vordert op haar beurt de man te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
Vanwege de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat vanwege het karakter van het kort geding als spoedeisende procedure dit tot een voorlopige ordemaatregel leidt en zich niet leent voor uitgebreid feitenonderzoek.
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Als sprake is van spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen. Van spoedeisendheid kan worden gesproken wanneer enerzijds onverwijld handelen geboden is en anderzijds de loop van en de beslissing in een gewone procedure niet kan worden afgewacht.
De man stelt dat er sprake is van een spoedeisend belang gelet op de aard van de vordering. De vrouw betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang. De man kan een bodemprocedure afwachten en is niet ingegaan op de voorstellen van de vrouw, aldus de vrouw.Vast staat dat er sinds 2 april 2026 geen contact meer is geweest tussen de man en de minderjarige. De vordering van de man strekt tot nakoming van de zorgregeling, terwijl de vordering van de vrouw strekt tot wijziging dan wel schorsing van de zorgregeling. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat er geen bodemprocedure is gestart, zodat een spoedige beslissing in de bodemprocedure niet te verwachten is. Van de man kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij de beslissing in de nog niet aanhangig gemaakte bodemprocedure afwacht. Daarmee is de spoedeisendheid van de over en weer gedane vorderingen gegeven.
Wettelijk kader
Een rechterlijke uitspraak over de zorgregeling dient in beginsel door beide partijen te worden nageleefd. Dit kan slechts anders zijn indien na de uitspraak is gebleken dat bij de beslissing van onjuiste feiten is uitgegaan, dan wel indien na de uitspraak de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat onverkorte nakoming van de uitspraak strijdig is met de belangen van de minderjarigen.
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Beoordeling
De voorzieningenrechter zal de primaire vordering van de man toewijzen en de vorderingen van de vrouw afwijzen. Dat betekent dat de overeengekomen zorgregeling per direct door de vrouw moet worden nagekomen. De voorzieningenrechter legt uit waarom.
In het evaluatieverslag van de mediator van 28 januari 2026, bij welk gesprek niet alleen partijen maar ook de nieuwe partner van de vrouw aanwezig was, staat onder andere:
‘ ‘De omgangsregeling loopt goed. [….] Regeling nu: 1x per 14 dagen zaterdag-zondag
Op donderdag vanaf maart weer op woensdag
Communicatie ouders: De communicatie tussen ouders over [minderjarige] is sterk verbeterd en loopt nu goed. Er worden allerlei zaken besproken.’
De vrouw heeft verklaard desondanks toch altijd zorgen te hebben over het gedrag van de man en zijn pedagogische vaardigheden. De aanleiding om de zorgregeling wederom te staken zijn haar toegenomen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man. Deze zorgen zijn gebaseerd op informatie over de man die zij van de voormalige partner van de man (relatie tot begin 2026) heeft ontvangen.
De vrouw heeft de man (via haar partner) op 12 april 2026 een appbericht gestuurd terwijl de man de minderjarige op 15 april 2026 zou zien. In dit bericht schrijft de partner van de vrouw dat de vrouw ‘in de afgelopen weken signalen en informatie [heeft] ontvangen die haar zorgen baren over de veiligheid en opvoeding van [minderjarige] . (Tijdens de omgangsregeling met jou). Wij hebben aankomende woensdag een gesprek met instanties die ons verder gaan helpen in deze situatie. Om die reden heeft [de vrouw] besloten om de omgang op dit moment niet op de huidige manier door te laten gaan.’ Nadat de man vragen heeft gesteld geeft de partner van de vrouw aan dat zij een bericht had ontvangen van de ex-partner van de man. Ook zouden er screenshots en foto’s zijn gestuurd waar de vrouw erg van is geschrokken. ‘Ook de afspraken worden niet zo nageleefd zoals afgesproken.
Toch naar voetbal gaan en een ander laten oppassen op [minderjarige] .
Hard drugs gevonden in jouw huis in een kamer waar kinderen slapen/kunnen komen.
Ook een melding bij veiligthuis over deuren kapotslaan […]’
Op 16 april bericht de partner van de vrouw aan de man dat hij [minderjarige] , voor de periode dat er via hulpverlening geen begeleiding bij de omgang is, alleen wekelijks bij de vrouw voor de deur in de speeltuin kan zien. De man heeft hiermee niet ingestemd en tijdens de mondelinge behandeling de aantijgingen betwist dan wel toegelicht.
De raad constateert, net als de man zelf, een patroon in het staken van de omgang. Net als in 2025 (eind maart tot en met mei) is het contact tussen de man en de minderjarige in 2026 maanden gestaakt (april tot en met juli) in verband met zorgen vanuit de vrouw. De raad acht dit ongewenst en schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat de man als hechtingsfiguur opnieuw plotseling uit zijn leven verdwijnt maakt dat [minderjarige] het vertrouwen in zijn ouders verliest en uiteindelijk mogelijk ook in zichzelf. Van een noodsituatie die het verbreken van contact rechtvaardigt is geen sprake. De vrouw ziet ook in dat er contact moet zijn, maar het onderlinge wantrouwen maakt dat partijen vastlopen. De raad adviseert de zorgregeling volgens afgesproken schema zo spoedig mogelijk te hervatten en dat ouders met hulpverlening ( [zorginstelling] ) hun ouderrelatie gaan verbeteren zodat [minderjarige] met hen beiden op onbelaste wijze contact kan hebben.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zorgregeling, zoals die tot de stopzetting door de ouders werd uitgevoerd, moet worden nagekomen door de vrouw en zal haar daartoe veroordelen. Dit houdt in dat de man de minderjarige op zaterdag 8 augustus 2026 weer voor het eerst bij zich heeft van 10.00 uur tot 18.00 uur. Van alle aantijgingen kan de voorzieningenrechter in het kader van deze kort geding procedure enkel vaststellen dat de man, de afspraak uit het ouderschapsplan (artikel 3) dat hij niet rookt in huis, niet nakomt. De man dacht dat hij niet in het bijzijn van de minderjarige mocht roken. Hoewel geen enkele niet nakoming van afspraken te rechtvaardigen is, moet, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 september 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:7616) (ook) bij ernstige zorgen over de uitvoering van een zorgregeling, de ouder die die zorgen heeft, bij de rechtbank om een wijziging of schorsing van die regeling verzoeken, al dan niet via een spoedprocedure. Slechts in een uiterst geval, zoals bij overmacht in noodtoestand, mag een ouder eenzijdig een zorgregeling opschorten. Van een noodsituatie is op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken. Dat betekent dus dat de vrouw niet zonder toestemming van de rechter de zorgregeling mocht stopzetten. De voorzieningenrechter drukt de man, net als de vrouw, op het hart om alle gemaakte afspraken na te komen. Als het gaat over het niet roken in huis, dat is voor de gezondheid van [minderjarige] goed en voor hoe lang de minderjarige zal leven.
Zoals ter zitting besproken en door de raad is geadviseerd wordt dringend aanbevolen dat de ouders hulpverlening zoeken om hun verstandhouding te verbeteren in het belang van [minderjarige] . Het doel daarvan is dat partijen, als er zorgen zijn, zij deze eerst zelf kunnen bespreken en kunnen wegnemen. Als dat niet lukt kunnen partijen contact opnemen met hun advocaat of met de hulpverlening. Het overkoepelende doel is dat het contact tussen [minderjarige] en de man niet opnieuw wordt stopgezet.
Dwangsom
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat het niet de eerste keer is dat de vrouw de zorgregeling heeft stopgezet. De advocaat van de man heeft aangegeven dat er sprake is van een herhaling van zetten. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat aan het nakomen van de zorgregeling door de vrouw een dwangsom wordt verbonden. De vrouw dient de zorgregeling na te komen in het belang van [minderjarige] en de voorzieningenrechter is van oordeel dat een financiële prikkel daarbij noodzakelijk is. De voorzieningenrechter zal een lagere dwangsom opleggen dan door de man gevorderd en deze maximeren zoals vereist. De voorzieningenrechter zal een dwangsom bepalen van € 100,- per keer dat de vrouw niet nakomt en deze maximeren door de dwangsom in duur te beperken. De vrouw verbeurt een dwangsom elke keer als zij gedurende een jaar vanaf de datum van dit vonnis niet nakomt. Op die manier wordt de vrouw een jaar lang geprikkeld om na te komen en als er zorgen zijn, deze te bespreken. Voor [minderjarige] is van belang dat hij in ieder geval het komende jaar zijn vader volgens het schema en het nog te maken schema ziet.
Proceskosten
Partijen verzoeken over en weer elkaar te veroordelen in de kosten van het geding. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.
In familiezaken is het uitgangspunt dat, gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, de proceskosten tussen hen zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. In wat door partijen is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Deze vorderingen zullen om die reden worden afgewezen. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De voorzieningenrechter merkt hierbij wel op dat een volgende keer dat de vrouw, zonder dat er sprake is van overmacht, de zorgregeling stopt, er rekening mee moet houden dat in een daaropvolgende procedure de (voorzieningen)rechter kan beslissen dat de vrouw wel gehouden is de proceskosten van de man te voldoen, als daarom wordt verzocht.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie:
veroordeelt de vrouw de tussen partijen overeengekomen omgangsafspraken, zoals die zijn vastgelegd in het omgangsschema van februari 2026 tot en met december 2026 behorend bij het ouderschapsplan, met onmiddellijke ingang na te komen en hieraan haar medewerking te verlenen;
zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat de vrouw nalatig is aan de hoofdveroordeling onder 5.1 voldoet, met dien verstande dat na 6 augustus 2027 geen dwangsom meer kan worden verbeurd;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie:
wijst af de vordering van de vrouw;
in conventie en reconventie:
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.L. Raphael, voorzieningenrechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.