ECLI:NL:RBROT:2026:11276

ECLI:NL:RBROT:2026:11276

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 06-09-2026
Zaaknummer C/10/723035 / JE RK 26-1368
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

beschikking van de kinderrechter over een uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/723035 / JE RK 26-1368

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. L. van Baaren uit Rotterdam,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de spoedbeschikking van deze rechtbank van 12 juli 2026 met de daaraan ten grondslag liggende stukken;

het proces verbaal van deze rechtbank van 23 juli 2026;

de aanvullende briefrapportage van 4 augustus 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat (die digitaal is aangesloten);

een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;

een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft op een crisisplek.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 juli 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 oktober 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 juli 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 9 augustus 2026.

3. Het aangehouden verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op 23 juli 2026 zijn partijen gehoord op de spoedbeslissing. Deze beslissing laat de kinderrechter in stand. Thans dient te worden beslist op het restant van de machtiging tot uithuisplaatsing, tot 12 oktober 2026.

De Raad wijzigt het verzoek ter zitting in die zin dat wordt verzocht om [minderjarige] te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij haar oma mz voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De Raad acht deze plaatsing op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] . De Raad gaat in de tussentijd onderzoek doen. Er wordt onderzocht of een terugkeer naar de vader een mogelijkheid is, waarbij hulp wordt ingezet voor het hele gezin. Er is geen contact met de vader en de vader staat niet open voor hulpverlening in de thuissituatie. De oma mz is nu een vertrouwde plek waar [minderjarige] tot rust kan komen. Ook [minderjarige] wil nu het liefst bij de oma mz wonen. De Raad spreekt de hoop uit dat er gewerkt kan worden aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige] .

4. De standpunten

De GI heeft ter zitting naar voren gebracht dat na intern overleg goed is gevonden dat [minderjarige] bij de oma mz gaat verblijven. [minderjarige] heeft meer baat bij een plaatsing bij oma mz dan in een instelling. Zowel [minderjarige] als de vader hebben goed contact met oma mz en zij hebben elkaar nodig. De GI hoopt dat de plaatsing van [minderjarige] bij oma niet in de weg staat aan het contact tussen vader en oma.

De vader is het niet eens met het verzoek. De vader krijgt stress van de hele situatie en wil er niets meer mee te maken hebben. Hij staat niet open voor hulpverlening en wil niet dat [minderjarige] bij de oma mz gaat verblijven. De vader heeft goed contact met oma mz en wil daar over de vloer blijven komen. Dat wordt ingewikkeld als [minderjarige] daar is. [minderjarige] kan niet terug naar de vader. De vader berust in de beslissing van de kinderrechter.

5. De beoordeling

Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

Er bestaan grote zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige] in de opvoedsituatie bij de vader. [minderjarige] heeft zorgelijke uitingen gedaan over escalaties. Op een later moment trekt zij deze verklaringen weer in. De vader doet op zijn beurt wisselende uitlatingen over [minderjarige] , ook op de zitting. Op dit moment geven zowel [minderjarige] als de vader aan dat zij niet bij haar vader kan wonen. [minderjarige] ervaart veel onrust op de crisisgroep waar zij nu verblijft. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] de komende tijd rust en stabiliteit kan ervaren. De oma mz is voor [minderjarige] een vertrouwde plek, waar zij zelf graag naar toe wil. De Raad en de GI achten een plaatsing van [minderjarige] bij de oma mz momenteel het meest wenselijk. Ondanks dat de vader ter zitting aangeeft dat hij een plaatsing bij de oma mz niet ziet zitten vanwege zijn eigen band met de oma mz, acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat zij bij oma mz kan verblijven in plaats van op een crisisgroep. De Raad en de GI gaan de komende tijd onderzoek doen naar de veiligheid, opvoedsituatie en relatie tussen de vader en [minderjarige] .

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oma mz, met ingang van 9 augustus 2026 tot 12 oktober 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 17 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. V. Versteeg als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand