RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724003 / JE RK 26-1491
Datum uitspraak: 6 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. Z.A. Hoetjes, kantoorhoudende te Breda,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de spoedbeschikking van deze rechtbank van 27 juli 2026 met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het bericht met bijlagen van de advocaat die de vader bijstaat in de bij deze rechtbank aanhangige familiezaak met nummer C/10/698580, ontvangen op 5 augustus 2026;
het bericht van de advocaat van de moeder met bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door een tolk;
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn,
maar wel de Engelse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met
bijstand van K.M. Campman, tolk in de Engelse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek. Mede namens beide ouders en de hulpverleners die bij [minderjarige] betrokken zijn heeft de GI op 5 augustus 2026 aan de rechtbank laten weten dat [minderjarige] niet in staat is tot een dergelijk gesprek.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De bij de familiekamer van deze rechtbank aanhangige zaak met nummer C/10/698580 heeft mede betrekking op de vraag of de vader (naar Israelisch recht) ook gezag heeft of anderszins met het gezag moet worden belast.
[minderjarige] woont bij zijn vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juli 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader tot 24 augustus 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Hier is reeds op beslist. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk te verlenen, te weten bij de vader zonder gezag, voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hier is op beslist voor de duur van vier weken. Thans dienen partijen te worden gehoord en dient te worden beslist op het resterende deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] verloopt niet goed. Er is een ernstige escalatie geweest. Het is beter als [minderjarige] nu bij de vader blijft. Daar kan hij tot rust komen. De Raad gaat de komende periode onderzoek doen. De problematiek tussen [minderjarige] en de moeder is fors, maar het is belangrijk dat er contact is tussen hen. Het laatste omgangsmoment op 3 augustus ging niet door omdat [minderjarige] niet mee wilde naar de moeder.
4. De standpunten
De GI heeft ter zitting ingestemd met het verzoek. De escalaties van [minderjarige] bij de moeder werden steeds heftiger. Bij de vader vertoont [minderjarige] ook moeilijk gedrag. Hij is daar wel beter te reguleren en de vader kan hem rustiger krijgen. De moeder geeft aan dat [minderjarige] psychotisch is en dat de vader hem mishandelt. De hulpverlening ziet dat niet, zij zien een autistisch jongetje met een taalontwikkeling stoornis. De GI komt niet tot een samenwerking met de moeder omdat zij een ander beeld heeft van de situatie. Het is de bedoeling dat de hulp van [zorginstelling 1] iets kan betekenen voor de bezoeken tussen [minderjarige] en moeder. Het is belangrijk dat de Raad kan kijken wat er nodig is voor het gezin. Dit kan het best vanuit de thuissituatie bij de vader.
De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De laatste weken ging het slecht met [minderjarige] . Sinds een paar dagen gaat het beter. Sinds hij bij de vader is gekomen vertoont hij geen psychotisch gedrag. De hulpverlening van [zorginstelling 1] heeft vastgesteld dat het niet goed ging bij de moeder thuis. De moeder weigerde [minderjarige] naar de vader te laten gaan. Uiteindelijk is [minderjarige] bij de vader geplaatst. Het is niet dat de vader wil dat [minderjarige] niet meer naar de moeder gaat, maar er moet wel een goed plan worden opgesteld. De vader ontkent alle beschuldigingen van de moeder.
Namens en door de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. De vader mishandelt [minderjarige] , hongert hem uit en straft hem. [minderjarige] is veilig bij de moeder. [minderjarige] heeft bij [zorginstelling 2] als klein kind de diagnose taalontwikkeling stoornis gekregen. Ook zit hij op een speciale school gespecialiseerd in kinderen met autisme. [minderjarige] lijkt af en toe met iemand te praten die er niet is. Hij vertoont vreemd gedrag. Ook [zorginstelling 1] schrijft in de rapporten dat zij bij [minderjarige] psychotisch gedrag zien. De moeder stelt dat met de hulpverlening voor 70 uur per week die de gemeente beschikbaar heeft gesteld, [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen. Zij staat achter de voorlopige ondertoezichtstelling zodat onderzoek kan worden gedaan naar de geestelijke gezondheid van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de vader. De moeder wenst dat [minderjarige] weer onmiddellijk wordt teruggeplaatst bij de moeder.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling. Daarnaast acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] ’s verzorging en opvoeding noodzakelijk dat de uithuisplaatsing bij de vader wordt voortgezet. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
Er bestaan grote zorgen over het welzijn van [minderjarige] . Hij is recent samen met zijn moeder aangetroffen in de berm van de weg, waarbij [minderjarige] zorgelijk gedrag vertoonde. [minderjarige] is een kwetsbaar jongetje, bekend met een taalontwikkelingsstoornis en autistische kenmerken. In de thuissituatie bij de moeder is er sprake van forse escalaties tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] lijkt bij de vader enigszins rustiger gedrag te vertonen. Het is zorgelijk dat de moeder de vader beschuldigt van mishandeling. Het lukt de ouders op dit moment niet er samen uit te komen en de zorgen omtrent [minderjarige] zelfstandig weg te nemen. Het is positief dat de hulpverlening van [zorginstelling 1] voor een groot aantal uur kan worden ingezet bij allebei de ouders. De komende tijd is het van belang dat [minderjarige] stabiliseert en rust ervaart in de thuissituatie bij de vader. Er dient daarnaast omgang tussen [minderjarige] en de moeder plaats te vinden, onder begeleiding van [zorginstelling 1] .
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerk, te weten bij de vader zonder gezag, tot 27 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 17 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.