RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/724149 / FA RK 26-6205
Referentienummer: ZM/IND/208190
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 6 augustus 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1952, [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: betrokkene,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
op dit moment verblijvende in [zorginstelling] , [afdeling] , [adres] te [plaats] ,
advocaat mr. H.M. Schwab te Rotterdam.
1. Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 30 juli 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 27 juli 2026;
de niet-ingevulde zorgkaart;
het zorgplan van 7 juli 2026;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
het bericht van de officier van justitie van 30 juli 2026, inhoudende dat er geen relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene bekend zijn.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de voormelde instelling op 6 augustus 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[persoon B] , psychiater, verbonden aan [zorginstelling] (hierna: de behandelaar).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met behulp van een tolk Portugees.
Het verzoek is tegelijk behandeld met het verzoek van de officier tot het voortzetten van de crisismaatregel, bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/724279 / FA RK 26-6274 waarop afzonderlijk zal worden beslist.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij het niet eens is met de diagnose. De rechtbank ziet echter geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de onafhankelijke psychiater.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene vorig jaar naar [land] gegaan om zich te onttrekken aan de verplichte zorg in Nederland. Betrokkene heeft ongeveer acht maanden in [land] gezworven en is toen teruggekomen naar Nederland. Betrokkene heeft op dit moment geen woning in Nederland. In de medische verklaring staat dat betrokkene tijdens een eerdere psychose geprobeerd heeft vuur te maken om kwade geesten te verdrijven op zijn kamer, leidende tot ernstige materiële schade.
Verder is gebleken dat betrokkene somatische klachten heeft waarvoor hij behandeling weigert. Hij heeft last van hartfalen; zijn hart functioneert maar voor 40%. Hij weigert zijn medicatie in te nemen en is in december 2024 tegen medisch advies in vertrokken uit het ziekenhuis toen hij daar was opgenomen voor zijn hart. Betrokkene heeft ook last van prostaathypertrofie, waarvoor behandeling met een katheter nodig is. De behandelaar geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat betrokkene niet goed meewerkt aan het vervangen van de katheter.
Tijdens de mondelinge behandeling is verder aan de orde gekomen dat betrokkene agressief gedrag heeft vertoond in de kliniek. De behandelaar licht toe dat er op 31 juli 2026 een incident heeft plaatsgevonden waarbij betrokkene een stoel heeft gegooid naar een medewerker van de kliniek. Betrokkene moest worden ingesloten en de kliniek heeft vervolgens een crisismaatregel voor betrokkene aangevraagd. Betrokkene heeft aangegeven dat hij zich zo heeft gedragen vanuit zelfverdediging.
Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint en de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene geeft tijdens de mondelinge behandeling immers aan dat hij geen zorg wil. De advocaat brengt naar voren dat betrokkene wel graag in de kliniek blijft omdat hij geen huis heeft, maar dat hij niet open staat voor behandeling. De behandelaar licht toe dat betrokkene zijn medicatie weigert, omdat betrokkene stemmen hoort die hem dat opdragen.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen;
het beperken van de bewegingsvrijheid;
het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
het opnemen in een accommodatie.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de behandelaar het noodzakelijk vindt dat – in aanvulling op bovengenoemde zorgvormen – ook de zorgvormen ‘uitoefenen van toezicht op betrokkene´ en ‘onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen’ worden toegewezen. Betrokkene verblijft na het incident van 31 juli 2026 namelijk op een kamer met cameratoezicht en die kamer moet ook onderzocht worden op gevaarlijke voorwerpen door de agressieve houding van betrokkene.
De officier van justitie heeft niet verzocht om deze twee zorgvormen in het verzoekschrift, dat dateert van vóór het incident en de daaropvolgende crisismaatregel. De officier van justitie heeft bij het verzoek om de voortzetting crisismaatregel van 3 augustus 2026 wél verzocht om deze twee zorgvormen en heeft bij dat verzoek een medische verklaring overgelegd waarin de onafhankelijk psychiater [persoon C] deze twee zorgvormen noodzakelijk acht om het ernstig nadeel af te wenden.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat zij deze twee zorgvormen, met toepassing van artikel 6:4 lid 2 Wvggz en met inachtneming van hetgeen bij het verzoek om de verlenging crisismaatregel is overgelegd, ambtshalve kan toevoegen aan de zorgmachtiging en heeft de advocaat gevraagd daarop te reageren. De advocaat heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de volgende twee zorgvormen eveneens noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden en voegt deze op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz ambtshalve toe aan de vormen van verplichte zorg:
uitoefenen van toezicht;
het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden met ingang van vandaag.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.6. kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 6 februari 2027.
Deze beschikking is op 6 augustus 2026 mondeling gegeven door mr. L.C.I. Aerden, rechter, in tegenwoordigheid van A. van Voorden, griffier en op 20 augustus 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.