ECLI:NL:RBZWB:2025:9778

ECLI:NL:RBZWB:2025:9778

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer 11641233 \ AZ VERZ 25-26
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Tilburg

Samenvatting

Uit de tussenbeschikking in deze zaak van 10 april 2025 volgt dat werknemer zich op het standpunt stelt dat zij op het moment van het ontslag op staande voet (21 oktober 2024) in dienst was bij werkgever (en niet bij B.V.). werkgever en B.V. stellen echter dat werknemer op 5 oktober 2024 bij B.V. in dienst is getreden. Zij onderbouwen dat met een op 16 oktober 2024 ondertekende arbeidsovereenkomst tussen werknemer en B.V.. Werknemer betwist stellig dat zij een arbeidsovereenkomst met B.V. heeft gesloten en dat zij de door werkgever en B.V. aangehaalde arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter in de zaak tussen werknemer en werkgever eerst een deskundigenonderzoek bevolen. Dat onderzoek bleek niet mogelijk. Daarna heeft de kantonrechter werkgever een bewijsopdracht gegeven. In de eindbeschikking in de procedure tussen werknemer en werkgever is daarover overwogen dat werkgever niet is geslaagd in het bewijs dat werknemer de arbeidsovereenkomst met B.V. heeft ondertekend en dat de kantonrechter er daarom van uitgaat dat werknemer ook na 5 oktober 2020 in dienst is gebleven bij werkgever. Aangezien dat ook de stelling van werknemer zelf is in onderhavige procedure zal werknemer niet-ontvankelijk verklaard worden in haar verzoeken tegen B.V.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Tilburg

Zaaknummer / rekestnummer: 11641233 \ AZ VERZ 25-26

Beschikking van 10 december 2025

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,

tegen

[B.V.] ,

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

hierna te noemen: [B.V.] ,

gemachtigde: mr. D.K. Nijhuis.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van 10 april 2025;

- de tussenbeschikking in de zaak [werknemer] tegen [werkgever] (zaaknummer / rekestnummer: 11453166 \ AZ VERZ 24-95) van 26 augustus 2025;

- de akte overlegging bewijsstukken met toelichting van [werkgever] in de zaak [werknemer] tegen [werkgever] , ontvangen op 25 september 2025;

- de akte uitlating van [werknemer] in de zaak [werknemer] tegen [werkgever] , ontvangen op 27 oktober 2025;

- de eindbeschikking in de zaak [werknemer] tegen [werkgever] van (eveneens) 10 december 2025.

2. De verdere beoordeling

Uit de tussenbeschikking in deze zaak van 10 april 2025 volgt dat [werknemer] zich op het standpunt stelt dat zij op het moment van het ontslag op staande voet (21 oktober 2024) in dienst was bij [werkgever] (en niet bij [B.V.] ). [werkgever] en [B.V.] stellen echter dat [werknemer] op 5 oktober 2024 bij [B.V.] in dienst is getreden. Zij onderbouwen dat met een op 16 oktober 2024 ondertekende arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en [B.V.] . [werknemer] betwist stellig dat zij een arbeidsovereenkomst met [werknemer] [B.V.] heeft gesloten en dat zij de door [werkgever] en [B.V.] aangehaalde arbeidsovereenkomst heeft ondertekend.

Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter in de zaak tussen [werknemer] en [werkgever] eerst een deskundigenonderzoek bevolen. Dat onderzoek bleek niet mogelijk. Daarna heeft de kantonrechter [werkgever] een bewijsopdracht gegeven. In de eindbeschikking in de procedure tussen [werknemer] en [werkgever] is daarover overwogen dat [werkgever] niet is geslaagd in het bewijs dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst met [B.V.] heeft ondertekend en dat de kantonrechter er daarom van uitgaat dat [werknemer] ook na 5 oktober 2020 in dienst is gebleven bij [werkgever] . Aangezien dat ook de stelling van [werknemer] zelf is in onderhavige procedure zal [werknemer] niet-ontvankelijk verklaard worden in haar verzoeken tegen [werknemer] [B.V.] .

In de omstandigheden van het geval zoals hiervoor beschreven ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De kantonrechter komt aan een (verdere) behandeling van het voorwaardelijke tegenverzoek niet toe, omdat niet aan de voorwaarde (vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen) is voldaan.

3. De beslissing

De kantonrechter

verklaart [werknemer] niet-ontvankelijk in haar verzoeken,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0275 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0275
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand