RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken
Breda
voorlopige verlening surseance van betaling
insolventienummer: S.02/26/1000
uitspraakdatum: 28 augustus 2026
inzake
vennootschap naar buitenlands recht
Partylite Trading S.A.,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 18048913,
correspondentieadres: 5004 JC Tilburg, Postbus 4119,
vestigingsadres: 5047 TM Tilburg, Gesworenhoekseweg 8,
handelend onder de naam Partylite Distribution,
hierna te noemen schuldenares,
advocaten: mr. M.L. van der Staaij en mr. M.D. Schuilwerve.
1. Het verloop van de procedure.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- het op 26 augustus 2026 ter griffie ingekomen verzoekschrift.
2. Het verzoek.
Dit strekt er toe surseance van betaling te verkrijgen.
3. De beoordeling.
Alvorens het verzoek inhoudelijk te beoordelen dient de rechtbank vast te stellen of zij bevoegd is kennis te nemen van dit verzoek. Hiervoor dient te worden vastgesteld of deze kan worden ontleend aan de herziene verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad (IVO). Uit artikel 1 IVO en de bijbehorende bijlage A volgt dat de verordening van toepassing is op surseance verzoeken. Gelet hierop dient aan de hand van artikel 3 lid 1 IVO te worden getoetst of de rechtbank hier te lande bevoegdheid kan ontlenen aan de verordening. Dit is het geval wanneer het centrum van de voornaamste belangen (“COMI”) van de schuldenaar in hier te lande gelegen is. Bij vennootschappen wordt, zolang het tegendeel niet bewezen is, de plaats van de statutaire zetel vermoed de COMI te zijn. Uit het Interedil arrest (HvJ EU 20 oktober 2011, nr. C-396/09) volgt dat de bestuurs- en toezichtorganen van een vennootschap zich op dezelfde plaats als de statutaire zetel van de vennootschap bevinden en de bestuursbesluiten van deze vennootschap op voor derden verifieerbare wijze op diezelfde plaats worden genomen, het ‘statutaire zetel-vermoeden’ niet kan worden weerlegd. Wanneer dit niet het geval is dan kan het ‘statutaire zetel-vermoeden’ wel worden weerlegd, maar dan moeten alle relevante factoren integraal worden beoordeeld en op een voor derden verifieerbare wijze te worden bekeken waar het COMI zich bevindt. Uit het Eurofood-arrest (HvJ EU 2 mei 2006, nr. C-341/04) volgt dat hier m.n. sprake van is wanneer een vennootschap geen enkele activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waar haar maatschappelijke zetel is gevestigd, zoals bij een ‘brievenbusmaatschappij’.
Vast staat dat schuldenares een in Zwitserland gevestigde vennootschap is met als statutaire zetel Granges-Paccot, Zwitserland. Daarmee wordt vermoed dat het COMI van schuldenares in Zwitserland is gelegen. Het is de vraag of dit vermoeden kan worden weerlegd. Op basis van de aangedragen informatie kan de rechtbank zich geen oordeel vellen of de bestuursbesluiten op voor derden verifieerbare wijze al dan niet in Granges-Paccot, Zwitserland worden genomen. Dit brengt met zich dat niet kan worden vastgesteld dat dient te worden afgeweken van het vermoeden dat het COMI van schuldenares in Zwitserland is gelegen. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat in casu niet gesteld en gebleken is dat de vennootschap geen enkele activiteit uitoefent op het grondgebied waar haar maatschappelijke zetel is gevestigd zodat alsdan ook niet aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren kan worden vastgesteld dat dient te worden afgeweken van het vermoeden dat het COMI van schuldenares in Zwitserland is gelegen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat ze in casu geen bevoegdheid kan ontlenen aan de IVO.
Voorgaande brengt zich dat de rechtbank dient vast te stellen of ze bevoegdheid kan ontlenen aan het internationaal recht. Uit artikel 214 lid 2 Fw volgt dat hiervoor artikel 2 lid 4 Faillissementswet (“Fw”) dient te worden geraadpleegd. In artikel 2 lid 4 Fw staat - voor zover in casu relevant is - dat een schuldenaar die hier te lande geen statutaire zetel heeft, maar wel een beroep of bedrijf uitoefent en hier te lande een kantoor heeft de Nederlandse rechter een insolventieprocedure kan openen. Uit de uitspraak van het Hof Den Haag van 7 januari 2016 (JOR 2016/109) m.nt. mr. D. Beunk volgt dat het artikel zo moet worden uitgelegd dat een zekere structuur met een minimum aan organisatie en een zekere stabiliteit voor de uitoefening van een economische activiteit vereist nodig is om bevoegdheid te ontlenen aan het artikel. De loutere aanwezigheid van individuele vermogensbestanddelen of bankrekeningen beantwoordt in beginsel niet aan die definitie.
De rechtbank stelt vast dat schuldenares blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel een Nederlandse vestiging heeft en zulks voor derden waaronder schuldeisers kenbaar is. Verder wordt door de advocaat van schuldenares gesteld dat er 27 afzonderlijke handelscrediteuren in Nederland zijn gevestigd en slechts 1 rechtstreeks aan Zwitserland kan worden gerelateerd, het zwaartepunt van de personele organisatie zich in Nederland bevindt gezien ruim 84% van de werknemers zich in Nederland bevinden, een wezenlijk deel van de bedrijfsactiviteiten vanuit Nederland worden verricht en zulks ook voor derden waaronder schuldeisers zichtbaar is en de enige schuldeiser die zich tot op heden via een advocaat heeft gemeld ter incasso van een opeisbare vordering Nederlands is. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er in casu kan worden gesproken van ‘het hier te lande uitoefenen van kantoor’ zodat ze haar internationale bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 2 lid 4 Fw.
Voorts heeft wat betreft de inhoudelijke beoordeling te gelden dat artikel 214 Fw de mogelijkheid biedt surseance van betaling aan te vragen indien een schuldenaar voorziet dat hij met het betalen van zijn opeisbare schulden niet zal kunnen voortgaan. Nu aan de in artikel 214 Fw genoemde vereisten is voldaan, zal de rechtbank de gevraagde surseance - met inachtneming van het bepaalde in artikel 215 lid 2 Fw - voorlopig verlenen en een bewindvoerder benoemen, teneinde met schuldenares het beheer over haar zaken te voeren.
4. De beslissing.
De rechtbank:
verleent aan verzoekster voornoemd voorlopig surseance van betaling;
benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. De Kwant en tot bewindvoerder, teneinde met de schuldenares voorlopig het beheer over haar zaken te voeren, mr. K.E.H. de Klerk, advocaat te Tilburg;
en alvorens definitief te beslissen;
beveelt, dat de bekende schuldeisers, en de schuldenares bij brieven van de griffier van deze rechtbank zullen worden opgeroepen om te verschijnen in raadkamer van de rechtbank Breda aan de Stationslaan 10, van 17 november 2026 om 11.30 uur, teneinde op het gedaan verzoek te worden gehoord, alsmede dat de benoemde bewindvoerder uiterlijk op 3 november 2026 een beredeneerd verslag van bevindingen in deze ter griffie van voormelde rechtbank zal neerleggen.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Kwant, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2026 in tegenwoordigheid van mr. Baremans als griffier.