202600650/1/V6.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Gaza,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2026 in zaak nr. 26/270 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken (de minister).
Procesverloop
Bij e-mail van 8 december 2025 heeft de minister een verzoek van [appellant] om hem consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, afgewezen.
Bij besluit van 28 december 2025 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202600651/1/V6 op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat in Amsterdam, vergezeld door mr. R.D.R. Walon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat in Den Haag, vergezeld door mr. A.M.D.Y. Breedveld, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op het moment van het verzoek verbleef [appellant] in Gaza. Hij wil in Nederland een masteropleiding volgen aan een Nederlandse universiteit. De universiteit heeft hem toegelaten tot deze masteropleiding en de minister van Asiel en Migratie heeft hem eerder laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zodat [appellant] in Nederland kan verblijven met een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘studie’. [appellant] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij deze mvv moet ophalen bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië, en dat het volgens hem niet mogelijk is om zonder hulp van de minister de grens van Gaza over te steken. Hij heeft de minister daarom verzocht om consulaire bijstand. Die consulaire bijstand houdt in dit geval in dat de minister zich langs diplomatieke weg inspant om ervoor te zorgen dat [appellant] de grens over mag steken.
De minister heeft het verzoek om consulaire bijstand afgewezen, omdat [appellant] op het moment van zijn verzoek niet behoorde tot een van de groepen die voor consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza in aanmerking kwamen. De minister heeft het bezwaar van [appellant] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand volgens hem geen besluit is waartegen [appellant] bezwaar kan maken.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het wel of niet verlenen van consulaire bijstand is namelijk een feitelijk handelen of nalaten waarbij de minister geen publiekrechtelijk rechtsgevolg beoogt. De afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de afwijzing in het kader van een aan de minister toegekende publieke taak als besluit in de zin van de Awb aan te merken. De minister heeft namelijk nooit ondubbelzinnig gecommuniceerd dat hij in gevallen als waar het hier om gaat een publieke taak aan zich heeft getrokken. De minister heeft weliswaar eerder aan personen in een vergelijkbare positie als die van [appellant] consulaire bijstand geboden, maar dat was een geste wegens de zeer schrijnende veiligheids- en humanitaire situatie op dat moment in Gaza. De vergelijking van [appellant] met de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592, gaat volgens de rechtbank niet op. Het kabinet had in die zaak, anders dan in deze zaak, namelijk in een kabinetsbrief een speciale voorziening getroffen, waardoor de minister de publieke taak aan zich had getrokken om de overkomst van twee groepen Afghaanse burgers te faciliteren. De rechtbank is ten slotte tot de conclusie gekomen dat de weigering van de minister om consulaire bijstand te verlenen, geen feitelijke handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 is. De rechtbank heeft de weigering van de minister daarom niet gelijkgesteld met een beschikking waartegen bezwaar openstaat.
Afbakening van het geschil en leeswijzer
4. Onder een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De e-mail van 8 december 2025 is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan. Maar houdt die beslissing ook een publiekrechtelijke rechtshandeling in? Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor nodig dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222, onder 4.
5. De minister ontleent de bevoegdheid om consulaire bijstand te verlenen in gevallen zoals waar het hier om gaat, niet aan een specifiek wettelijk voorschrift. Partijen zijn het hier ook over eens. De vraag in deze zaak is of de weigering van de minister om [appellant] consulaire bijstand te verlenen, niettemin als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat niet het geval is. Onder 6 tot en met 6.6 komt de Afdeling namelijk tot de conclusie dat zich hier niet zo’n bijzonder geval voordoet dat de weigering van de minister als een besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt wegens een aan hem toegekende publieke taak. Onder 7 tot en met 7.4 komt de Afdeling tot de conclusie dat de weigering om consulaire bijstand te verlenen ook geen feitelijke handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Dit heeft tot gevolg dat [appellant] zich tot de burgerlijke rechter kan wenden als hij het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek.
Publieke taak
6. [appellant] betoogt dat de weigering van de minister om hem consulaire bijstand te verlenen, wel als besluit in de zin van de Awb moet worden aangemerkt. Volgens hem heeft de minister namelijk de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen om mensen te ondersteunen bij hun vertrek uit Gaza. Hij wijst daarbij op publieke uitingen die de minister heeft gedaan waaruit volgt dat hij zich inspant om personen met een recht op verblijf in Nederland te helpen om Gaza te verlaten. De minister heeft beleidsmatig uitvoering gegeven aan die inspanningsverplichting door ook consulaire bijstand te verlenen aan personen die een mvv mogen ophalen om in Nederland te verblijven met als verblijfsdoel ‘studie’ of ‘onderzoek’. Het gaat daarbij dus niet om een eenmalige geste. [appellant] wijst er daarnaast op dat het bieden van consulaire bijstand een publieke taak is, die alleen de Nederlandse Staat en zijn organen kunnen uitoefenen. Een besluit van de minister om in gevallen als waar het hier om gaat geen consulaire bijstand te verlenen, heeft bovendien zeer grote gevolgen voor de betrokkenen. De bestuursrechter kan in dit soort gevallen op een laagdrempelige manier rechtsbescherming bieden. [appellant] wijst vervolgens op de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022 en betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de situatie in die zaak verschilt van die van hem. Ten slotte voert [appellant] aan dat de minister van Asiel en Migratie hem al heeft laten weten geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van de mvv, waardoor de Nederlandse overheid hem een publiekrechtelijke toezegging heeft gedaan. Zonder hulp van de minister is deze toezegging inhoudsloos.
6.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen. Consulaire bijstand is feitelijke hulp en een veelheid aan factoren is van invloed op de beslissing om dit soort hulp te verlenen. Het is onderdeel van buitenlands beleid en de minister heeft grote vrijheid in het voeren en uitvoeren van buitenlands beleid. De minister wijst daarbij op het arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2026, Gonrieh, ECLI:EU:C:2026:252, punten 55, 57 en 61, waaruit volgt dat op de lidstaten geen verplichting rust om diplomatieke of consulaire hulp te bieden aan personen aan wie een lidstaat een visum in het kader van gezinshereniging heeft verleend, ook niet als de betrokkenen in persoon moeten verschijnen om dat visum bij een diplomatieke of consulaire post buiten Gaza op te halen en het voor hen onmogelijk is om zelf naar die post te reizen. De minister heeft in het verleden een flink aantal mensen geholpen om Gaza zo snel mogelijk te verlaten, maar hij heeft die hulp inmiddels beëindigd. Sinds 1 december 2025 verleent hij in het geheel geen hulp meer bij het verlaten van Gaza, ook niet aan Nederlanders of personen met een mvv voor verblijf bij een gezinslid. Dat hij eerder als eenmalige humanitaire geste hulp heeft geboden aan een specifieke groep, betekent niet dat hij verplicht is om die geste te herhalen. Het is daarnaast aan de personen die een grens willen oversteken zelf om, als dat nodig is, toestemming te verkrijgen van de bevoegde autoriteiten om het land of gebied te verlaten. De weigering van de minister om daarbij hulp te bieden, brengt geen wijziging met zich mee in de positie van de betrokkene. Met een beslissing van de minister om iemand wel of geen consulaire bijstand te verlenen, ontstaan dus geen publiekrechtelijke rechtsgevolgen. Als een betrokkene het niet eens is met de beslissing van de minister om geen consulaire hulp te bieden, kan de betrokkene een procedure starten bij de burgerlijke rechter.
6.2. Op de hoofdregel dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van een publiekrechtelijke rechtshandeling slechts kan ontlenen aan een specifiek wettelijk voorschrift, bestaan uitzonderingen. In zeer bijzondere gevallen kan een beslissing van een bestuursorgaan die het neemt in het kader van een aan dat bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust, toch als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. In deze zaak doet zich zo’n uitzondering niet voor. De Afdeling legt dat hieronder uit.
6.3. Consulaire bijstand is een publieke taak, waarvoor de minister verantwoordelijk is. Een beslissing ter uitvoering van die taak is echter pas een besluit als daarvoor een specifieke publiekrechtelijke grondslag is gegeven. En dat is niet het geval.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de minister nooit ondubbelzinnig gecommuniceerd dat hij de publieke taak aan zich heeft getrokken om personen consulaire bijstand te verlenen die een mvv mogen ophalen om in Nederland te verblijven met als verblijfsdoel ‘studie’ of ‘onderzoek’.
[appellant] heeft specifiek gewezen op de Staat van het Consulaire. In de Staat van het Consulaire 2025, die de minister op 26 september 2025 aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, schrijft de minister op p. 14 en 15 dat hij het standaard doelgroepenkader heeft herzien en aangepast. In dit doelgroepenkader staat wie voor consulaire bijstand in aanmerking komt. De vaste consulaire doelgroep bestaat volgens de minister uit Nederlanders en hun kerngezinnen en andere EU-burgers indien andere EU-landen een beroep op Nederland doen en de operatie dit toelaat. Op basis van de aard van de crisis kan hij hieraan eventueel personen met een vergunning tot rechtmatig verblijf in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, St. Eustatius of Saba toevoegen. Andere groepen dan deze groepen beschouwt de minister als bijzondere groepen waarover een politiek besluit vereist is. Bij de overbrengingen vanuit Gaza merkte de minister personen die in het kader van gezinshereniging over een mvv-inwilliging beschikten aan als bijzondere groep. Personen die in het kader van studie of onderzoek over een mvv-inwilliging beschikten noemt de minister hier niet. Op p. 13 van de Staat van het Consulaire 2025 vermeldt de minister wel dat hij op ad-hocbasis en bij wijze van uitzondering ook over is gegaan tot consulaire ondersteuning bij vertrek uit Gaza voor enkele personen uit die laatste groep.
De Afdeling is van oordeel dat uit de Staat van het Consulaire niet kan worden opgemaakt dat de minister de publieke taak aan zich heeft getrokken om consulaire bijstand te verlenen aan vreemdelingen met een mvv die in Gaza verblijven. Bij dat oordeel is van belang dat de Staat van het Consulaire is bedoeld om vast te leggen en met de beide Kamers der Staten-Generaal te delen op welke wijze de minister het buitenlands beleid vormgeeft. Het is dus een feitelijke en informatieve beschrijving van de voorgenomen en uitgevoerde activiteiten ter zake. Dat de minister welbewust een specifieke taak aan zich heeft getrokken, kan daar niet uit worden opgemaakt.
Dat de minister in incidentele gevallen wel consulaire bijstand heeft verleend aan vreemdelingen met een mvv die in Gaza verbleven, is onvoldoende om te oordelen dat de minister deze taak aan zich heeft getrokken. Uit updates op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waaruit volgt dat de minister enkele personen uit Gaza met een mvv-inwilliging in het kader van studie of onderzoek geholpen heeft om Gaza te verlaten, leidt de Afdeling dus ook niet af dat de minister de publieke taak aan zich heeft getrokken om die groep structureel consulaire bijstand te verlenen.
6.4. Deze zaak verschilt bovendien van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022. Daarin speelde een in de Tweede Kamer op 18 augustus 2021 aangenomen motie waarin zij de regering heeft verzocht om de in die motie genoemde groepen personen uit Afghanistan te evacueren. Het kabinet heeft vervolgens de Voorzitter van de Tweede Kamer in een brief van 18 augustus 2021 bericht die motie naar letter en geest te zullen uitvoeren en in een brief van 11 oktober 2021 een speciale voorziening getroffen voor twee specifieke groepen personen in Afghanistan. In deze brief hebben de betrokken bewindspersonen criteria geformuleerd waaraan personen moeten voldoen om voor overbrenging in aanmerking te komen. Hetzelfde geldt voor de Tolkenregeling, een set werkafspraken uit 2014 tussen de Ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid. In de werkafspraken die de Tolkenregeling vormen, staat omschreven wie de doelgroep is op wie de werkafspraken van toepassing zijn. Het gaat bij zowel de speciale voorziening als bij de Tolkenregeling om concreet omschreven groepen die voor overbrenging in aanmerking komen. Verschil met de situatie die hier aan de orde is, is dus dat de minister in die zaken een welbewust en ondubbelzinnig standpunt had ingenomen in specifiek op de daar aan de orde zijnde problematiek toegesneden documenten. Daarin had de minister criteria geformuleerd waaraan personen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de betrokken aanspraak. Dat is in deze zaak niet het geval. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de vergelijking die [appellant] maakt met de uitspraak van 14 september 2022, niet opgaat.
6.5. Ook vanuit het oogpunt van rechtsbescherming ziet de Afdeling geen aanleiding om de beslissing van de minister om het verzoek van [appellant] af te wijzen, aan te merken als besluit in de zin van de Awb. [appellant] kan de onrechtmatigheid van de weigering voorleggen aan de burgerlijke rechter. Op de zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde van [appellant] ook laten weten dat het voor haar ook een mogelijkheid is om in deze en vergelijkbare zaken een civielrechtelijke procedure in kort geding te starten.
6.6. Het betoog slaagt niet.
Handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000
7. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de e-mail van 8 december 2025 geen handeling is als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Het gaat volgens hem wel degelijk om een feitelijke handeling ter uitvoering van de Vw 2000. Hij wijst daarbij op artikel 2s, derde lid, van de Vw 2000 en daarnaast op de artikelen 2i, 2p, eerste lid, 13, aanhef en onder b, en 14, tweede lid, van de Vw 2000.
7.1. Volgens de minister is artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 niet van toepassing op de feitelijke handeling van de minister om [appellant] geen consulaire bijstand te verlenen. De Vw 2000 is namelijk in beginsel alleen van toepassing op Nederlands grondgebied. Daarnaast regelt de Vw 2000 niet dat de minister hulp biedt bij de feitelijke verkrijging van een mvv.
7.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, p. 71) volgt dat de wetgever heeft beoogd de rechtsbescherming van een vreemdeling in het kader van de Vw 2000 bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter. Hiermee heeft de wetgever willen voorkomen dat twee verschillende rechters, namelijk de bestuursrechter en de burgerlijke rechter, oordelen over geschillen in het kader van de Vw 2000. Artikel 72 van de Vw 2000 heeft daarom als doel dat een vreemdeling niet alleen beroep kan instellen tegen hem als zodanig gegeven besluiten, maar ook tegen door een bestuursorgaan tegen hem als zodanig verrichte, feitelijke handelingen. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3415, onder 2 en 2.1. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat de reikwijdte van dit artikel beperkt is tot feitelijke handelingen verricht ter uitvoering van de Vw 2000.
7.3. Uit artikel 2s, derde lid, van de Vw 2000 volgt dat een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan de betrokkene in persoon wordt afgegeven. De Vw 2000 ziet niet op hoe de betrokkene bij die Nederlandse vertegenwoordiging moet komen en voorziet niet in een regeling van consulaire bijstand. Zoals de minister terecht aanvoert, gaat de Vw 2000 dus niet over consulaire bijstand om naar de Nederlandse vertegenwoordiging te reizen om de mvv in ontvangst te nemen. Het verlenen van die consulaire bijstand is daardoor geen feitelijke handeling verricht ter uitvoering van de Vw 2000, waardoor artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 niet van toepassing is op de weigering van de minister om deze handeling te verrichten. De rechtbank is terecht tot die conclusie gekomen. De verwijzing van [appellant] naar artikel 5, derde lid, en het doel en nuttig effect van Richtlijn 2016/801/EU (de Studierichtlijn), maakt dit niet anders. Ook uit de Studierichtlijn volgt namelijk niet dat het aan de minister is om ervoor te zorgen dat de betrokkene naar de Nederlandse vertegenwoordiging kan reizen.
7.4. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
8. De rechtbank is, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, terecht tot de conclusie gekomen dat de weigering van de minister om [appellant] consulaire bijstand te verlenen, geen besluit is in de zin van de Awb en dat de minister het bezwaar van [appellant] daarom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is daardoor terecht niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de betogen van [appellant] over het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Om dezelfde reden komt ook de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze betogen.
8.1. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de weigering van de minister om aan [appellant] consulaire bijstand te verlenen, neergelegd in de e-mail van 8 december 2025, geen Awb-besluit is. De Afdeling stelt die weigering ook niet gelijk aan een besluit. Dit betekent ook dat [appellant] zich kan wenden tot de burgerlijke rechter als hij het niet eens is met de afwijzing van zijn verzoek.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
887
BIJLAGE
Studierichtlijn
Artikel 5
[…]
3. Wanneer aan alle algemene en aan de relevante specifieke voorwaarden is voldaan, heeft de derdelander recht op een vergunning.
Indien een lidstaat verblijfstitels alleen op het eigen grondgebied afgeeft en aan alle toelatingsvoorwaarden van deze richtlijn is voldaan, verstrekt de betrokken lidstaat de derdelander het vereiste visum.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…]
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 2i
1. Indien het belang van de internationale betrekkingen naar het oordeel van Onze Minister van Buitenlandse Zaken betrokken is bij een besluit inzake verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf beslist Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
2. Onze Minister kan aan het hoofd van de desbetreffende Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwijzingen geven over de uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels inzake de verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf door de ambtenaren werkzaam op die vertegenwoordiging door tussenkomst van en voor zover het de buitenlandse betrekkingen kan raken in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
[…]
Artikel 2p
1. Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.
[…]
Artikel 2s
1. De aanvraag omtrent de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ingediend:
a. bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of van bestendig verblijf dan wel, bij gebreke daarvan, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd, dan wel bij het Kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen of het Kabinet van de Gouverneur van Aruba aldaar, door de vreemdeling, of
[…]
3. De machtiging tot voorlopig verblijf wordt bij de vertegenwoordiging dan wel het Kabinet, bedoeld in het eerste lid, aan de vreemdeling in persoon afgegeven.
[…]
Artikel 13
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt slechts ingewilligd indien:
a. internationale verplichtingen daartoe nopen;
b. met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of
c. klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
Artikel 14
[…]
2. Onze Minister verleent de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken nadat deze zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onder e, heeft aangemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend.
[…]
Artikel 72
[…]
3. Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, waaronder begrepen het niet verlenen van de verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 14, tweede lid.
[…]