BRS.26.004264 en BRS.26.004266
ECLI:NL:RVS:2026:5249
Datum uitspraak: 7 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 augustus 2026 in zaak nr. NL26.39694 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2026 heeft de minister bepaald dat appellant de beslissing op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in Nederland mag afwachten.
Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard en de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat appellant geen nieuwe elementen en bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen meer algemeen juridische vragen over de beoordeling van het bestaan van ‘gegronde vrees voor vervolging’ en of de rechtbank verplicht was om een eigen onderzoek te verrichten naar de feitelijke en juridische gegrondheid van zijn asielverzoek, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
1.2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Wat appellant verder in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift verder geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026
981