202601506/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Open Universiteit (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 10 november 2025 heeft een medewerkster Tentamineren en certificeren van de Open Universiteit aan [appellant] meegedeeld dat voor het vak Bestuursrecht I geen tentamenmogelijkheid meer beschikbaar is.
Bij beslissing van 2 april 2026 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 juli 2026, waar [appellant] en het CBE, per videoverbinding vertegenwoordigd door mr. A.L.H. Soons-Koopman, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft zich aangemeld voor een tentamen voor het vak Bestuursrecht I (de cursus). Met de e-mail van 10 november 2025 is aan hem meegedeeld dat voor hem geen tentamensessie meer beschikbaar is. Als hij het tentamen alsnog wil afleggen, dan zal hij de cursus opnieuw moeten aanschaffen.
2. Het CBE heeft in de beslissing van 2 april 2026 geoordeeld dat het administratief beroep van [appellant] kennelijk niet-ontvankelijk is en heeft daarom afgezien van het horen (artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb). Het CBE heeft overwogen dat [appellant] van 18 november 2024 tot en met 17 november 2025 stond ingeschreven voor de cursus en dat hij in die periode drie tentamenkansen heeft gehad. Toen hij zich op of rond 10 november 2025 wilde aanmelden voor het tentamen, was geen tentamenmogelijkheid meer beschikbaar binnen zijn inschrijfduur. De e-mail van 10 november 2025 bevat slechts een mededeling over deze regels en is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
3. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte heeft overwogen dat de e-mail van 10 november 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Volgens hem zijn de regels niet zonder meer duidelijk. Zo heeft het CBE, hoewel het zich op het standpunt stelt dat de e-mail geen besluit is, verwezen naar een aanbod uit coulance om hem alsnog de gelegenheid te bieden om het tentamen af te leggen. Het CBE had dit aanbod niet kunnen doen als geen tentamenmogelijkheid meer beschikbaar was binnen de inschrijfduur.
3.1. Zowel uit het dossier als uit de inbreng van het CBE op de zitting kan de Afdeling niet opmaken waarom het CBE zich op het standpunt stelt dat geen tentamenmogelijkheid meer beschikbaar was binnen de inschrijfduur van [appellant]. Wel is gebleken dat hij, toen hij het verzoek deed, nog niet het maximale aantal tentamenkansen had gebruikt. Ook is duidelijk dat het tentamen op elk moment kan worden afgelegd, zolang de student zich er maar vijf dagen tevoren voor inschrijft. Het CBE heeft in het dossier en op de zitting niet kunnen uitleggen waarom er in kortgezegd die laatste week van [appellant]s inschrijfduur geen tentamenmogelijkheid meer zou zijn. Ook heeft het CBE geen duidelijkheid kunnen geven wanneer [appellant] zich de week daarvoor heeft geprobeerd in te schrijven en waarom dat niet gelukt is. De Afdeling volgt het CBE daarom niet in zijn standpunt dat de mededeling dat voor het vak Bestuursrecht I geen tentamenmogelijkheid meer beschikbaar is, rechtstreeks uit de toepasselijke regels voortvloeit en daarom geen besluit is. Het CBE heeft de beslissing van 2 april 2026 daarom niet goed gemotiveerd.
3.2. Het CBE heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het onbevoegd is om kennis te nemen van het rechtsmiddel, omdat de beslissing niet valt onder de opsomming in artikel 7.61, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Ook als het CBE hierin zou kunnen worden gevolgd, had het moeten beoordelen naar welk bestuursorgaan het geschrift kon worden doorgezonden. Dit heeft het CBE niet gedaan. Daarom is de beslissing ook onzorgvuldig voorbereid.
4. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt de beslissing van 2 april 2026 vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Het CBE moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. In die beslissing moet het CBE ook een standpunt innemen over het antwoord op de vraag welk orgaan volgens hem bevoegd is te beslissen op het rechtsmiddel.
5. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Open Universiteit van 2 april 2026;
III. draagt het college van beroep voor de examens van de Open Universiteit op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;
IV. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Open Universiteit aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
284-1175