202600808/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het College van beroep voor de examens van de Hogeschool van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de examencommissie van de opleiding Leraar Gezondheidszorg en Welzijn Tweedegraads deeltijd geconcludeerd dat [appellante] in het door haar ingeleverde verslag voor Beroepsopdracht 7 (BO7) fraude, waaronder plagiaat heeft gepleegd. De examencommissie heeft de opdracht ongeldig verklaard en haar uitgesloten van deelname aan de tweede toetsgelegenheid van de opdracht in studiejaar 2024/25.
Bij beslissing van 5 februari 2026 heeft het CBE het door [appellante] hiertegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juni 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door mr. O. Jungst en drs. J. van de Kruis, zijn verschenen.
Voorafgaand aan deze zitting heeft [appellante] de leden van de zittingskamer gewraakt. De zittingskamer heeft dit wrakingsverzoek buiten behandeling gelaten op grond van artikel 3, tweede lid en vierde lid, aanhef en onder f, van de Wrakings- en verschoningsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022, omdat het niet is gemotiveerd. Nadat daarvan op de zitting mededeling is gedaan, is de behandeling op de zitting voortgezet.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. [appellante] volgt de bacheloropleiding Leraar Gezondheidszorg en Welzijn Tweedegraads deeltijd aan de Hogeschool van Amsterdam. Op 15 april 2025 heeft zij voor de onderwijseenheid Beroepsopdracht 7 een verslag ingeleverd. De examinator heeft geconstateerd dat delen van het verslag met generatieve artificiële intelligentie (Al) zijn opgesteld. Daarom heeft de examinator op 9 mei 2025 een melding van vermoeden van fraude bij de examencommissie gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft de examencommissie [appellante] op 21 mei 2025 gehoord.
3. De examencommissie heeft bij beslissing van 4 juni 2025 geconcludeerd dat met voldoende zekerheid vastgesteld kon worden dat [appellante] heeft gefraudeerd door ongeoorloofd gebruik te maken van AI. Zij heeft daarom het gemaakte werk ongeldig verklaard en in het studentenadministratiesysteem als resultaat ‘FR’ (fraude) geregistreerd. Op grond van artikel 4.7 van de Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 Bacheloropleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede graad in Gezondheidszorg & Welzijn (de OER) heeft de examencommissie besloten dat zij geen gebruik mocht maken van de tweede toetsgelegenheid van B07 in studiejaar 2024/25.
Beslissing CBE
4. Het CBE heeft vastgesteld dat [appellante] bevestigt dat zij haar bronnen niet meer kan traceren, wat volgens het CBE op zichzelf al als plagiaat moet worden aangemerkt. De examencommissie heeft verder op grond van het uitgevoerde onderzoek in redelijkheid kunnen concluderen dat [appellante] zich schuldig heeft gemaakt aan fraude, waaronder plagiaat, door ongeoorloofd AI te gebruiken. De opgelegde sanctie is, gelet op het feit dat zij geen propedeusestudent meer is en het plagiaat een eindwerkstuk betreft, niet disproportioneel. Dat [appellante] als gevolg van de sanctie studievertraging zal oplopen is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt.
Beroep
5. [appellante] houdt in haar beroepschrift vol dat zij zelf het verslag geschreven heeft en daarvoor gedegen literatuuronderzoek gedaan heeft, zonder hulp van AI. De examinatoren hebben in de plagiaat-tool van de Hogeschool ook geen aanwijzingen voor gebruik van AI gevonden. Bovendien kon zij bij de hoorzitting voor de examencommissie inhoudelijke vragen beantwoorden over het verslag, wat laat zien dat zij de literatuur daarvoor zelf onderzocht heeft. De uitnodiging voor de hoorzitting was overigens erg onduidelijk en gaf niet aan waar het gesprek over zou gaan. Verder betoogt zij dat met de vergelijking tussen het ingeleverde werk en een verslag van meer dan twee jaar geleden, niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat zij plagiaat heeft gepleegd. Eventuele fouten in de literatuurlijst komen doordat zij bij het opstellen daarvan de gebruikte literatuur niet heeft gedownload en opgeslagen, maar de citaten vanuit de website gekopieerd en geplakt heeft. Verder betoogt zij dat de sanctie die de examencommissie opgelegd heeft onevenredig is. Zij is tijdens haar opleiding nooit eerder bij de examencommissie geweest en zonder deze sanctie kon zij nominaal haar opleiding halen.
Beoordeling van het beroep
6. De examencommissie heeft na de melding van de examinator een zorgvuldig en stapsgewijs onderzoek uitgevoerd naar het vermoeden van fraude, waaronder plagiaat. [appellante] is op 20 mei 2025 uitgenodigd voor een hoorzitting bij de examencommissie. Anders dan zij stelt, wordt in die uitnodiging uitvoerig uitgelegd wat de aanleiding was en de inhoud van het gesprek zou zijn. De examencommissie heeft [appellante] in het gesprek tevergeefs gevraagd naar een verklaring voor de aanwezigheid van niet-bestaande bronnen in haar literatuurlijst. [appellante] heeft niet betwist dat er onjuiste en niet-bestaande bronnen in stonden. Ook toen zij na de hoorzitting in de gelegenheid is gesteld om aan de examencommissie alsnog de juiste bronnenlijst op te sturen, bleken daar fouten in te zitten. In deze nagezonden literatuurlijst worden artikelen genoemd waarvan titel, auteursnaam of tijdschrift niet overeenkomen met wat in de originele literatuurlijst stond. Verder staan er twee bronnen met auteurs of boekversies in die niet te traceren zijn. Dat het gaat om slordigheden doordat zij de citaten gekopieerd en geplakt heeft, is niet aannemelijk, gelet op de hoeveelheid onjuistheden.
7. De examinator heeft na het vermoeden van fraude zorgvuldig een op AI-gebruik toegesneden formulier van de hogeschool ingevuld. De examinator merkte stijlbreuken op in het verslag, waarbij voornamelijk het theoretisch kader duidelijk verschilt in schrijfstijl ten opzichte van overige tekst. Er is sprake van algemene, maar nietszeggende teksten, waardoor vermoed werd dat hierin AI was gebruikt. Verder heeft de examinator de opdracht wat betreft schrijfstijl vergeleken met een eerder ingeleverd verslag van [appellante]. Hierin gebruikte zij vooral korte zinnen, zakelijk en concreet geformuleerd met een hoge informatiedichtheid. In vergelijking met het verslag voor B07 viel op dat, met name in het theoretisch kader, juist lange zinnen worden gebruikt, abstract en algemeen, veel bijvoeglijke naamwoorden en een lage informatiedichtheid. Verder is zij bij een gesprek met de examinator en bij de hoorzitting van de examencommissie in de gelegenheid gesteld om te laten zien dat zij over kennis beschikt over het onderwerp van de opdracht. Dat zij in dat gesprek essentiële inhoudelijke vragen over kernbegrippen niet kon beantwoorden en alleen globale definities daarvan kunnen geven, terwijl het in het verslag opgenomen theoretisch kader daarop is gebaseerd, heeft bijgedragen aan de conclusie dat zij het verslag niet (volledig) zelf heeft geschreven.
8. Het oordeel van het CBE dat de examencommissie daarmee buiten redelijke twijfel heeft vastgesteld dat er sprake is van fraude, waaronder plagiaat is juist.
9. De examencommissie heeft de door [appellante] ingeleverde opdracht ongeldig verklaard en haar uitgesloten van deelname aan de herkansing. De sancties hebben tot gevolg dat het door [appellante] ingeleverde verslag niet wordt beoordeeld en dat zij Beroepsopdracht 7 niet in het studiejaar 2024/25 kan afronden. Daarbij is meegewogen dat zij geen propedeusestudent meer is en zij plagiaat in een eindwerkstuk heeft gepleegd. Hoewel zij hierdoor studievertraging oploopt en niet meer nominaal haar opleiding kan afronden, heeft de examencommissie de sancties passend geacht. Het CBE heeft gemotiveerd uiteengezet dat deze sanctie niet onevenredig is en deze beslissing in stand gelaten. Wat door [appellante] hiertegen naar voren is gebracht, slaagt niet. De Afdeling is het eens met wat het CBE daarover heeft overwogen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond.
11. Het CBE hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
284-1180
BIJLAGE
Wettelijk kader
Onderwijs- en Examenregeling
Artikel 4.4
Onder plagiaat verstaan we het:
a. gebruik maken dan wel overnemen van teksten, gegevens, ideeën of beelden van anderen (waaronder generatieve artificial intelligence) zonder volledige en correcte bronvermelding;
b. werk van anderen (waaronder generatieve artificial intelligence) presenteren als eigen werk;
c. niet duidelijk aangeven in de tekst, bijvoorbeeld via aanhalingstekens of een bepaalde vormgeving, dat letterlijk of bijna letterlijk citaten in het werk zijn overgenomen, zelfs indien met een correcte bronvermelding;
d. parafraseren van de inhoud van teksten van anderen (waaronder generatieve artificial intelligence) zonder voldoende bronverwijzingen;
e. overnemen van (delen van) mediabestanden of andere bronnen, broncodes van software, modellen en andere schema's van anderen zonder verwijzing en zodoende deze laten doorgaan voor eigen werk;
f. indienen van een eerder ingediende of daarmee vergelijkbare tekst voor opdrachten van andere opleidingsonderdelen zonder bronvermelding;
g. overnemen van werk van medestudenten of werk opgesteld door generatieve artificial intelligence en dit laten doorgaan voor eigen werk;
h. indienen van werkstukken die verworven zijn van een commerciële instelling of die — al dan niet tegen betaling - door iemand anders zijn geschreven.
Artikel 4.7
1. Wanneer er een vermoeden bestaat dat een student fraudeert of plagieert, deelt de examinator of surveillant dit mee aan de examencommissie.
2. De examencommissie stelt vast of de student inderdaad fraude - ernstige fraude daaronder begrepen - of plagiaat heeft gepleegd. Is dit het geval, dan deelt de examencommissie dit de student schriftelijk mede, met de hieraan verbonden sanctie. De examencommissie stelt - voordat zij een besluit neemt - de student binnen een termijn van 10 werkdagen na melding, in de gelegenheid te worden gehoord. Voorafgaand aan het horen wordt de schriftelijke verklaring van de examinator of surveillant aan de student kenbaar gemaakt.
3. Indien fraude of plagiaat is vastgesteld kan de examencommissie voor een termijn van maximaal één jaar de student het recht ontnemen aan bepaalde (deel)toetsen deel te nemen. In geval van ernstige fraude kan de examencommissie de decaan adviseren de inschrijving van de betrokken student definitief te beëindigen.