202505528/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2025 in zaak nr. 24/2778 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2023 heeft de burgemeester de aanvraag van [appellante] om verlening van een exploitatievergunning voor een coffeeshop aan de [locatie] afgewezen. Ook heeft de burgemeester geweigerd aan [appellante] een gedoogverklaring af te geven.
Bij besluit van 8 april 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nr. 202505450/1/A2, op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Veldman, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. M.I. Houben, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 9 februari 2023 heeft [appellante] een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning en een gedoogverklaring voor een nieuwe coffeeshop op de [locatie] (het adres). [persoon] is eigenaar en verhuurder van het pand op het adres. In 2016 is coffeeshop [naam], die voorheen gevestigd was op het adres, meerdere keren beschoten. Als gevolg van deze schietincidenten is de coffeeshop gesloten en het adres van de gedooglijst geschrapt. In 2017 is het adres terug op de gedooglijst geplaatst. Op 3 juni 2025 heeft [persoon] het pand verkocht aan [appellante] onder de ontbindende voorwaarde dat de vergunningen uiterlijk augustus 2027 zijn verleend.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluitvorming
3. Aan de besluiten van 4 augustus 2023 heeft de burgemeester de nadelige invloed van een coffeeshop op de openbare orde en veiligheid en op het woon- en leefklimaat van de buurt ten grondslag gelegd. Deze weigeringsgronden vloeien, voor wat betreft de weigering van de exploitatievergunning, voort uit artikel 3.11, tweede en derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam (APV).
4. De burgemeester heeft hierbij de rol van [persoon] in aanmerking genomen. Zij verwijst daarbij naar de bestuurlijke rapportage van de politie van 27 februari 2023. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat [persoon], die meerdere panden in Amsterdam verhuurt waarin coffeeshops worden geëxploiteerd, in verband kan worden gebracht met strafbare feiten. Ook zijn meerdere panden van hem doelwit geweest van ernstige openbare ordeverstoringen en bestaat er bij de politie het vermoeden dat [persoon] een rol speelt bij de bevoorrading van de coffeeshops. Verder heeft de burgemeester van belang geacht dat het pand op het adres in 2016 drie keer en in 2019 één keer is beschoten. Daarnaast hebben buurtbewoners in hun zienswijzen hun zorgen geuit over de veiligheid in de buurt en zich verzet tegen de opening van de coffeeshop op het adres. De burgemeester heeft ook betrokken dat zij en haar voorganger herhaaldelijk hebben toegezegd dat er geen coffeeshop meer komt op het adres.
Uitspraak van de rechtbank
5 De rechtbank heeft samengevat onder meer het volgende overwogen. Dat [persoon] het pand na het bestreden besluit heeft verkocht, kan niet in de beoordeling worden betrokken, omdat de burgemeester met die omstandigheid bij het nemen van het besluit geen rekening heeft kunnen houden.
5.1. Ten aanzien van de inhoud van de bestuurlijke rapportage heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de politie het vermoeden heeft geuit dat [persoon] als pandeigenaar betrokken is bij handel in verdovende middelen (softdrugs), witwassen en dat meerdere panden in zijn eigendom het doelwit zijn geweest van ernstige openbare orde-incidenten en er vermoedens zijn van schijnbeheer.
5.2. Ten aanzien van de incidenten in het verleden is uit het dossier gebleken dat er in 2016 drie keer beschietingen zijn geweest op het adres. Uit de ingediende zienswijzen blijkt dat er als gevolg van deze incidenten, nog steeds gevoelens van onveiligheid onder de omwonenden heersen. De bestuurlijke rapportage vermeldt dat een van de panden van [persoon] in 2023 nog beschoten is. Gelet op deze rapportage en de geschiedenis van de locatie, kon de burgemeester tegenwerpen dat door het verlenen van de vergunning er gegronde vrees is dat de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat nadelig kunnen worden beïnvloed.
Hoger beroep
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de rol van [persoon] bij de besluitvorming mocht betrekken. [appellante] voert aan dat zij en [persoon] herhaaldelijk hebben aangegeven dat het pand verkocht zou worden zodra de vergunning verleend was, een voornemen dat inmiddels op 3 juni 2025 is geëffectueerd. De geplande verkoop had de burgemeester als voorwaarde in de vergunning kunnen opnemen. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de vrees voor de nadelige gevolgen voor de openbare orde en veiligheid en het woon- en leefklimaat bij de belangenafweging mocht betrekken. De omstandigheid dat acht jaren geleden het pand op het adres drie keer is beschoten, is vrijwel uitsluitend gebaseerd op de betrokkenheid van [persoon] en dit levert een motiveringsgebrek op voor de aanname van toekomstige ordeverstoringen bij verlening van de vergunning.
7. De gronden die [appellante] aanvoert, zijn vrijwel identiek aan de gronden die zijn aangevoerd in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5125. In de overwegingen 8 tot en met 12 is de Afdeling gemotiveerd op die gronden ingegaan. Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
594-1190
BIJLAGE
Wettelijk kader
Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam gemeentelijke regelgeving op het gebied van openbare orde en veiligheid Algemene Plaatselijke Verordening 2008
Artikel 3.8 Exploitatie van een horecabedrijf
1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.
[…]
Artikel 3.11 Bijzondere weigeringsgronden
1.[…]
2. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:
a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;
b. de aard van het horecabedrijf;
c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;
d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en
e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.