202505339/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend in Warten, gemeente Leeuwarden,
2. [appellant sub 2], wonend in Warten, gemeente Leeuwarden,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Leeuwarden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Warten - Oer de Barten" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 18 augustus 2026, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. S. Bosch, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, [appellant sub 1A], vertegenwoordigd door [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J. Hengst en K. Bosscha, zijn verschenen. Ook is op de zitting Zwanenburg Projecten B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt (onder andere) de bouw van 32 woningen mogelijk ten noordwesten van het dorp Warten. De nieuwe woningen worden met de bestaande bebouwing verbonden door de weg Oer de Barten te verlengen en door een loop- en fietsbrug te maken tussen de [locatie 1] en [locatie 2].
3. [appellanten sub 1] wonen op het perceel [locatie 2] in Warten, direct ten oosten van het plangebied. [appellant sub 2] woont op het perceel [locatie 3] in Warten, ook direct ten oosten van het plangebied.
Zij hebben geen bezwaar tegen de woningbouw, maar kunnen zich niet verenigen met de (locatie en vorm van de) beoogde loop- en fietsbrug.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Communicatie
5. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beklagen zich over de communicatie vanuit de gemeente en initiatiefnemer. Zo reageren de gemeente en initiatiefnemer niet op vragen. [appellanten sub 1] voeren ook aan dat tijdens meerdere bijeenkomsten is aangegeven dat persoonlijk contact zou worden opgenomen om de plannen te bespreken, maar dat dat tot op heden niet is gebeurd.
5.1. Hoewel de Afdeling begrijpt dat deze gang van zaken door [appellanten sub 1], en door [appellant sub 2] als vervelend wordt ervaren, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding om het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te vernietigen. Dat niet gereageerd wordt op vragen en geen persoonlijk contact is opgenomen, maakt niet dat het plan in strijd met de wettelijke bestemmingsplanprocedure tot stand is gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Fietsbrug
6. [appellanten sub 1], en [appellant sub 2] betogen dat de raad de beoogde fietsbrug niet (in deze vorm) in het plan heeft mogen opnemen omdat dit in strijd is met de afspraken die zijn gemaakt in de koopcontracten van hun percelen. In deze koopcontracten uit 1996, met de toenmalige gemeente Warten, is in artikel 19 opgenomen dat de percelen in een open verbinding met het Wartenster Wiid worden gebracht. Verder is in artikel 24 opgenomen dat zij een of meer vaartuigen mogen afmeren van maximaal 3,5 m breed. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting staat ook dat er toezeggingen zijn gedaan om een aantal woningen aan de westzijde van de Oer de Barten worden aangesloten op het water in geval van dorpsuitbreiding. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de beoogde brug, zonder in de planregels een minimale doorvaarhoogte op te nemen, een open verbinding met het Wartenster Wiid verhindert. De beoogde brug heeft een doorvaarhoogte van slechts 1,5 m, wat te laag is voor een boot van 3,5 m breed. Van een open verbinding is alleen sprake als boten daar ongehinderd kunnen varen.
[appellanten sub 1], en [appellant sub 2] voeren aan dat een alternatieve optie is om de locatie van de fietsbrug naar het noorden te verplaatsen, tussen Oer de Barten nr. 23 en de nieuwe woningen. Op die manier worden de afspraken uit hun koopcontract alsnog nagekomen. Volgens [appellanten sub 1] draagt de beoogde fietsbrug, anders dan de raad stelt, niet bij aan de mogelijkheid een recreatief dorpsrondje te maken.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Volgens de raad sluit de beoogde fietsbrug de open verbinding met het Wartenster Wiid niet af en vormt deze ook geen blokkade voor het gebruik van het water. De raad stelt verder dat het plan de uitvoering van de brug niet regelt en dat de keuzes over de uitvoering daarom buiten de reikwijdte van deze procedure vallen. Het plan regelt alleen de mogelijkheid en de locatie van de brug.
De raad stelt verder dat de locatie van de brug is gekozen wegens technische en ruimtelijke afwegingen, waaronder de eigendomssituatie en toegankelijkheid. De gekozen locatie was al gereserveerd voor een toegangsweg tussen de nieuwbouwplannen en het bestaande dorp. Door hier een fietsbrug te plaatsen in plaats van de eerst beoogde brug voor alle verkeer, wordt overlast door gemotoriseerd verkeer voorkomen. De raad acht deze brug een belangrijke verbinding voor het maken van een zogenaamd dorpsrondje. Als de fietsbrug verplaatst wordt naar de voorgestelde locatie, dan verliest deze zijn ontsluitingsfunctie, omdat de brug te dichtbij de hoofdontsluiting komt te liggen.
6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, onder 7.2.
Tussen partijen is in geschil hoe artikel 19 van de koopovereenkomsten uitgelegd moet worden, meer specifiek wat moet worden verstaan onder een "open verbinding". Partijen hebben ieder een gemotiveerd betoog over de door hen voorgestane uitleg daarvan gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling is alleen daarom al geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
6.3. De Afdeling overweegt verder dat in het voorliggende plan alleen de beoogde locatie voor de fietsbrug is vastgelegd. Het plan bevat geen regels over de hoogte of uitvoering van de brug. Gelet hierop staat het plan zelf niet in de weg aan een nakoming van de afspraken, zoals neergelegd in de koopovereenkomsten. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de privaatrechtelijke koopovereenkomsten.
6.4. Over de alternatieve locatie voor de fietsbrug, overweegt de Afdeling het volgende.
De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
Gelet op de toelichting van de raad, weergegeven onder 6.1, over de locatiekeuzes voor de fietsbrug, overweegt de Afdeling dat de raad het door [appellanten sub 1], en [appellant sub 2] voorgestelde alternatief heeft afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd heeft waarom niet alsnog voor dat alternatief is gekozen.
6.5. Gelet op de voorgaande overwegingen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan, inclusief de daarin opgenomen locatie voor de fietsbrug, niet heeft mogen vaststellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. De beroepen zijn ongegrond.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
1076