202502160/1/A3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 maart 2025 in zaak nr. 24/2660 in het geding tussen:
[appellante]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft de korpschef het door [appellante] ingediende verzoek om inzage in de haar betreffende persoonsgegevens deels afgewezen.
Bij uitspraak van 20 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 mei 2026, waar [appellante] is verschenen.
De staatssecretaris heeft stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft dit verzoek toegewezen.
[appellante] heeft toestemming verleend om mede op grondslag van de geheim te houden stukken uitspraak te doen, zoals bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken.
De Afdeling heeft, nadat geen van de partijen kenbaar heeft gemaakt opnieuw op zitting te willen worden gehoord, met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb besloten dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek vervolgens met toepassing van het derde lid van dat artikel gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft bij de politie een verzoek ingediend om inzage te krijgen in haar persoonsgegevens. De korpschef heeft dit verzoek voor een deel geweigerd omdat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Daarnaast is een deel geweigerd ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. [appellante] is het hier niet mee eens en is tegen dit besluit opgekomen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De korpschef heeft het verzoek om inzage van persoonsgegevens deels geweigerd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonsgegevens waarvan inzage is geweigerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de belangen genoemd in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d van de Wpg in het geding zijn en daarom betrokken konden worden bij de vraag of het verzoek van [appellante] moet worden ingewilligd. Daarbij is de belangenafweging die de korpschef heeft gemaakt volgens de rechtbank deugdelijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat de korpschef terecht geen volledige inzage heeft verleend.
Hoger beroep
3. [appellante] heeft bij haar hogerberoepschrift nieuwe stukken ingediend en stelt dat deze een ander licht werpen op de feiten en omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling van de rechtbank. Uit deze stukken blijkt volgens [appellante] dat er geen reden is om haar inzage in haar persoonsgegevens te onthouden omdat zij geen bedreiging vormt voor derden. Daarnaast blijkt uit de stukken volgens [appellante] dat de geschetste omstandigheden onjuist zijn. De Afdeling begrijpt dit betoog zo dat er volgens [appellante] een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat het besluit voor zover geen volledige inzage wordt gegeven daarom niet noodzakelijk en onevenredig is.
Beoordeling hoger beroep
4. Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg bepaalt dat een verzoek om inzage in persoonsgegevens wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg bepaalt dat een verzoek om inzage wordt afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden.
4.1. De Afdeling heeft kennisgenomen van de opgevraagde persoonsgegevens. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de belangen, zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wpg, hier in het geding zijn en daarom betrokken moeten worden bij de vraag of het verzoek van [appellante] (volledig) moet worden ingewilligd. Een nadere motivering van dit oordeel kan de Afdeling niet geven zonder de aard of de inhoud van de documenten prijs te geven.
4.2. De door [appellante] in hoger beroep ingediende stukken maken dit oordeel niet anders. [appellante] voert kortgezegd aan dat daaruit volgt dat de korpschef ten onrechte ervan uitgaat dat zij een gevaar vormt voor derden. Het is echter niet aan de Afdeling om een oordeel hierover te geven. De Afdeling beoordeelt de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de weigering en die belangenafweging houdt in rechte stand.
4.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
6. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
314-1199